Aandachtspunten bijenvriendelijk beheer
Bijen
Condities voor bijen
Nestgelgenheid voor wilde bijen
Gespecialiseerde bijen
Spreiding in bloeiperioden en capaciteit dracht
Ontwerp
Ruimtelijke verscheidenheid/structuur
Ontwerp bijen vriendelijke beplantingen
Afstemming milieu
Maatvoering beplantingen
Toepassen van drachtplanten
Soortechtheid en autochtoon plantmateriaal
Checklist bijenvriendelijk ontwerp beplantingen
Beheeraspecten
Chemisch beheer vermijden
Ecologisch groenbeheer
Bloeigericht snoeien
Groei- en verspreidingsgedrag van planten
Initiatieven
Ecologische tuinen en parken
Inzaaien en uitplanten
Toepassingen en burgerinitiatieven
Bestuurlijk draagvlak
 
Buitengebied
Bomen in buitengebied
Agrarisch cultuurlandschap
 
Verantwoording
 
 
Condities voor bijen  
Als we maatregelen willen treffen waar bijen baat bij hebben, moeten we iets weten over hun levenswijze en de eisen die bijen aan het milieu stellen. Als we daar niets of te weinig over weten, zijn we ook niet in staat om gericht maatregelen te treffen die gunstig zijn voor bijen. Daarnaast moeten we ook weten wanneer bijenplanten functioneren.
Honingbijen moeten het vooral van de bloemenmassa hebben, maar voor wilde bijen moet er ook nestgelegenheid zijn. Honingbijen komen vaak van grote afstand aanvliegen. Maar wilde bijen nestelen in principe overal: in de grond, in plantsoenen, in gaatjes en spleten van muren, in gaten van hout van oude. schuren, in rietmatten of in schroefgaten van tuinmeubelen. .
De laatste jaren wordt er in tuinen steeds meer kunstmatige nestgelegenheid aangebracht: nestkastjes met rietstengels, bosjes bamboestokjes en houtblokken met gaten van verschillende grootte. Steeds meer worden combinaties van zulke elementen in een soort kast bij elkaar geplaatst en afgedekt met dakpannen of planken. Dit worden zogenaamde bijenhotels genoemd. Op plekken waar andere nestgelegenheid ontbreekt, is dat een goed tijdelijk alternatief.
Voor de meeste wilde bijensoorten is het van belang dat nestgelegenheid en voedingsbron niet te ver van elkaar liggen. Deze website toont voorbeelden van natuurlijke en kustmatige nestgelegenheid, die burgers en organisaties vrijwel overal kunnen toepassen, niet alleen in hun eigen tuin maar ook in het openbaar groen.
Maar zonder de aanwezigheid van de juiste drachtplanten, zal nestgelegenheid de wilde bijen niet helpen.
 
 
 
 
Streven naar ruimtelijke verscheidenheid
Het bevorderen van de bijenstand vraagt een zekere terughoudendheid bij het onderhoud en beheer. Alle beheerhandelingen werken verstorend op een deel van de natuur, inclusief de tuin. Een beheervorm die voor de ene soort goed is, kan voor de andere soort slecht uitpakken.
Het gaat om veranderingen, die op kunnen treden in het voedselaanbod, de mogelijkheid tot voortplanting, het bieden van schuilplaatsen, migratiemogelijkheden, veranderingen in het microklimaat en de mogelijkheid tot oriëntatie. Op een klein oppervlak kunnen wel een paar honderd soorten insecten en tientallen soorten spinnen voorkomen, die allemaal hun eigen plek (niche) in de vegetatie hebben. Het beïnvloeden van de ontwikkeling van of een wijziging in de structuur van de vegetatie heeft altijd gevolgen voor diersoorten.
Ook minder door het publiek gewenste planten moeten in stand worden gehouden. De rupsen van een vlindersoort leven meestal van andere plantensoorten dan de vlinders. Voor rupsen zijn niet de bloemen van belang, maar juist andere delen van de plant, gewoonlijk het blad. De rupsen van de dagpauwoog leven van brandnetelbladeren en de rupsen van het zandoogje van grassen. Honderden andere, vaak minder opvallende insecten leven van de bladeren, de stengels of de wortels van allerlei planten.
Voor wilde bijen betekend ruimtelijke verscheidenheid vaak variatie in nestgelegenheid en vaak ook voedsel aanbod.
Voor wilde bijen ruimtelijke verscheidenheid gevormd door grazige, ruige en houtige vegetaties. Andere componenten zijn: bloemrijke zomen, klimplanten en doodhout, wortelkluiten van bomen etc.
 
 
 
 

Zonder nestgelegenheid geen bijen

Waar nestelen bijen?
  Sociale bijen: hommels en honingbijen
- In holtes van bomen, muren, rotsen.
- Hommels ook in de grond in oude muizennesten.
   
  Solitaire/wilde bijen
  In grond:
- Open zandig tot lemige bodem - open plekken tussen de begroeiing en wortelkluiten van omgevallen bomen.
- Steilkantjes en taluds van bermen, greppels, holle wegen, dijken
- Onder en tussen losplaveisel: klinkers, tegels, kinderkopjes, keien
   
  Boven de grond:
- Doodhout (kevergaten, speten etc.- stammen, stobben van bomen, oude afrasteringspaaltjes, hout van, tegen, om en bij oude gebouwen zoals bouwvallige schuren, stallen, boerderijen, tuinhuisjes.
- Afgestorven holle stengels en takken - braam, vlier, meidoorn, vlinderstruik, etc.; riet, en andere kruidachtige ridderzuring, distel, bijvoet, toortsen etc. Rietdaken! Dus plaatselijk minder dan 1 x per jaar maaien.
- Gaten en spleten in allerlei (oude) muren), leemwanden
   
   
 
 
Ecologisch groenbeheer
Ecologisch groenbeheer is het belangrijkste instrument om de bijenstand te bevorderen en de totale biodiversiteit te verbeteren. De meeste kruidachtige begroeiingen worden gewoonlijk gemaaid, maar het maaitijdstip wordt dan afgestemd op de volledige ontwikkeling van de planten, dus na de zaadrijping. Uit faunistische overwegingen wordt er in sommige gemeenten plaatselijk van maaien afgezien. Veel diersoorten leven immers in overjarige en ruige begroeiingen.
Sommige gemeenten gaan zelfs zo ver dat ze langs de houtige begroeiingen bloemrijke zomen aanleggen. Niet alleen om het oog van het publiek te strelen, maar ook uit de overtuiging dat bloembezoekende insecten hiermee zijn gebaat. Deze zomen worden dan ten hoogste een maal per jaar na de bloei gemaaid. Waar mogelijk wordt snoeihout niet meer afgevoerd, maar op rillen gelegd, dat wil zeggen in een bepaalde richting opgestapeld. Dit levert nest- en schuilgelegenheid voor de fauna.
Bij sortimentkeuze wordt uitgegaan van ‘inheems’ plantmateriaal, dus van soorten die oorspronkelijk in Nederland voorkomen. De oorsprong van dit materiaal is echter vaak niet inheems, vandaar dat er nu kwekerijen zijn die uitgaan van moederplanten waarvan redelijk zeker is dat ze inheems (autochtoon) zijn.
 
 
 
 
 
 
 

Chemisch beheer vermijden

Bijen zijn extreem gevoelig voor chemisch beheer, vooral als dat in groeiseizoen plaatsvindt. De discussie over de toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen woedt nog steeds. Iedere keer opnieuw blijkt dat er onzekerheden zijn over het effect op de natuur en onze gezondheid. Eén ding is echter duidelijk: bijen zijn overgevoelig voor chemische bestrijdingsmiddelen. Dus grote terughoudendheid van het gebruik ervan is onder alle omstandigheden strikt noodzakelijk. Een verbod van het gebruik van chemische middelen buiten de landbouwsector zou zeer welkom zijn. Daarnaast zou de ecologische landbouw veel meer moeten worden gestimuleerd.
Nog voordat chemische middelen op grote schaal in het openbaar groen werden toegepast, was het al duidelijk dat, niet alleen aan herbiciden, maar aan pesticiden in het algemeen ecologische bezwaren kleefden. De ecologische gevolgen openbaarden zich het eerste in de landbouwgebieden, maar ook buiten deze terreinen waren ze schadelijk voor natuur en milieu.
Tot in de jaren negentig werden in de meeste gemeenten geen wilde kruiden in houtige begroeiingen toegestaan. Vooral integrale chemische onkruidbestrijding heeft er in de periode van de jaren zestig tot in de jaren negentig toe geleid dat de openbare ruimte er voor wilde planten steriel uitzag. Voor wilde bijen en voor andere groepen bloembezoekende insecten was het milieu in de openbare ruimte ronduit slecht. In het algemeen waren wilde bijen en vlinders afwezig. Lees verder
 
 
 
 
 
 
 
 
Aanleggen ecologische tuinen, parken en kleinschalig groen
Burgers kunnen in samenwerking met de plaatselijke overheid veel beteken voor de bijenstand. Vooral in de jaren tachtig en negentig in de vorige eeuw werden er veel initiatieven genomen tot het aanleggen van vlindertuinen, natuurtuinen en thematuinen. In deze tuinen werden zowel inheemse als uitheemse plantensoorten toegepast.
Wat al deze tuinen gemeen hadden, is dat honingbijen, hommels en andere wilde bijen er talrijk voorkwamen, mede doordat ze ecologisch werden beheerd. Voorbeelden zijn de Bikkershof in Utrecht, Natuurtuin Bottendaal en de vlindertuin Hengstdal (is sterk verwaarloosd!) in Nijmegen en de Watertuin in het Spijkerkwartier in Arnhem. Met het verloop van de bewoners en de ambtenaren vervaagt vaak de betrokkenheid en de daarmee samenhangende continuïteit in het onderhoud. De huidige problematiek is een goed argument om zulke initiatieven opnieuw te stimuleren en veel beter te begeleiden. Daarnaast zijn er ook de zogenaamde natuur- of ecologische parken.
Een voorbeeld van biodiversiteit is het Holypark in Vlaardingen. Een fenomeen dat sinds de jaren tachtig sterk in opmars is, is toepassen van het kleinschalige groen in dicht bebouwde plekken in steden. Het gaat hier onder andere om tegeltuinen en geveltuinen. Vooral in combinatie met andere groene elementen in de omgeving leidt dit vaak tot de aanwezigheid van honingbijen, hommels, andere wilde bijen, en vlinders. De totale biodiversiteit wordt hierdoor niet merkbaar verbeterd, maar het draagvlak voor de regionale biodiversiteit, kan wel worden versterkt.
 
 
 
 
 
 
Aanplanten van bomen voor bestuivende insecten in het buitengebied
Bomen zijn zeer belangrijke voedselbronnen voor bijen. Vroeger werden er in het buitengebied vaak linden en soms ook esdoorn aangeplant. Tegenwoordig moeten imkers hier voor vechten. In het cultuurlandschap is er anders dan in bos- en natuurgebieden ruimte voor een meer vrije keuze. Vooral voor honingbijen en hommels zijn inheemse lindensoorten van enorm belang. Verder zou er in recreatieterreinen, parken en stadsbossen aanzienlijk meer tamme kastanje kunnen worden aangeplant. Het argument dat tamme kastanje een exotisch soort zou zijn is buitengewoon zwak en bovendien worden er vooral in bossen wel meer exoten aangeplant. Vooral in de overgangszone Stad-platteland hebben we niet of veel minder te maken met bezwaren die in de bebouwde kom beperkende factoren opleggen bij het planten van bomen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Maatvoering beplantingen
Een goede maatvoering, gecombineerd met een weloverwogen soortensamenstelling kan leiden tot een milieu dat zeer geschikt is voor bloembezoekende insecten. Dit moet worden gekoppeld aan richtlijnen voor het (ontwikkelings)beheer. De ontwerper kan hiermee een substantiële bijdrage leveren aan de biodiversiteit in houtige begroeiingen en de daarmee samenhangende ecologische kwaliteit van het stedelijk ecosysteem
Een houtige begroeiing (bosplantsoen) die zowel floristisch als faunistisch van betekenis is, kan men herkennen aan de gevarieerde horizontale en verticale vegetatiestructuur. Voor een goede structuur is de maatvoering van groot belang.
Op plekken waar de begroeiing te weinig ruimte heeft, wordt de begroeiing meestal één of twee maal per jaar machinaal geschoren. Doordat dan ook het bloeihout wordt weggesnoeid, krijgen de planten dan niet of nauwelijks de kans om tot bloei te komen. Belangrijke stuifmeel- en nectarbronnen kunnen hiermee verloren gaan en daarmee ook de esthetische functie waarvoor juist veel houtige begroeiingen bedoeld zijn. Ruimte voor kruidachtige soorten is in deze situaties niet of nauwelijks aanwezig en binnen de begroeiing zelf is het meestal te donker voor de bloei van vrijwel alle plantensoorten.
Vooral in de jaren 70 van de vorige eeuw vormde ruimte voor robuuste beplantingen geen probleem. Tegenwoordig ligt dat anders. Men zal dus slim moeten plannen om plekken te creëren voor robuuste ecologische functies.
 
 
 
 
 
 
Soortechtheid en inheems plantmateriaal
Enkelbloemige en niet te sterk doorgekweekte soorten doen het in de regel beter dan dubbelbloemige soorten, die vaak door bijen worden gemeden. Vooral als het bij inzaaien om ecologische doelstellingen gaat, moet het zaad worden afgenomen bij gespecialiseerde zaadteeltbedrijven. Daarvoor dan het beste contact worden opgenomen met de Stichting Oase, Vlinderstichting of Wilde Weelde.
Bij landschappelijke beplantingen zou zo veel mogelijk gebruik moeten worden gemaakt van autochtoon (inheems) plantmateriaal. Dit plantmateriaal is gekweekt van zaden en stekken van bomen en struiken die aantoonbaar al eeuwen lang in de streek voorkomen. Zulk materiaal biedt bepaalde ecologische voordelen. Het is onder meer beter aangepast aan het klimaat en past beter in de levensgemeenschap van het landschap.
Of bijen daar voordeel van hebben is niet bekend.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Afstemming op de bodemeigenschappen en lichtcondities
Veel planten kunnen nog redelijk groeien op een, ecologische gezien, te droge bodem. Maar dat gaat vaak gepaard met het stoppen of een sterke vermindering van de nectarafscheiding.
Een paarsbloeiende heide op een te droge bodem levert aanzienlijk minder nectar dan een heide op vochtige bodem. Een voorbeeld van dit verschijnsel bij siergewassen is Astilbe. Deze plant groeit en bloeit nog goed in een vochthoudende bodem die ogenschijnlijk droog kan zijn, maar in deze situatie zullen er geen bijen op vliegen. Als deze plant in goed vochtige, maar niet natte bodem groeit, kan hij bij een redelijke luchtvochtigheid veel bijen aantrekken.
Veel planten kunnen nog redelijk goed in de schaduw groeien, maar dat gaat vaak gepaard met een afname van de bloei. Als planten voor bloembezoekende insecten worden uitgeplant moet er kritisch op de milieufactoren worden gelet. Een mooi bloeiende plant is niet altijd een goed functionerende plant.
Ook de wind speelt een rol in de beschikbaarheid van nectar voor bijen. Sommige bomen leveren in kust gebieden weinig of geen nectar door te veel wind. Zo functioneer Robinia in winderige steken minder dan op beschutte plaatsen in het binnenland.
 
 
 
 
 
 
 
 
Toepassing bijen- en vlinderplanten in tuinen
Met de plantensoorten die in de plantendatabase worden genoemd zijn alle mogelijk typen tuinen en ander groen te ontwerpen. Voor vrijwel ieder milieu, voor iedere situatie en voor iedere doelgroep zijn plantensoorten beschikbaar die bijen en andere bloembezoekende insecten aantrekken.
In alle categorieën bloemplanten komen veel soorten voor die door bijen en vlinders worden bezocht, zoals eenjarigen, tweejarigen, vaste planten, bollen, bomen, struiken en klim- en gevelplanten, kuip- en potplanten; zelfs ook bij water- en moerasplanten. Er is voor vrijwel alle milieuomstandigheden en situaties voldoende keus.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Groei- en verspreidingsgedrag van planten
Alle plantensoorten hebben de eigenschap om zich te verspreiden. Naar mate van verspreidingseffect worden ze hier in 5 groepen in gedeeld:
Soorten die zich nauwelijks of niet verspreiden en niet in staat zijn om barrières te overbruggen. Dit zijn bij voorbeeld soorten die kenmerkend zijn voor oude bossen. Deze soorten zullen zich nooit of zelden spontaan in nieuwe beplantingen vestigen; o.a. bosanemoon, salomonszegel.
Soorten die zich onder de meeste omstandigheden geleidelijk verspreiden en geen agressief karakter vertonen in tuinen en parken; o.a. prachtklokje, knopig helmkruid, echte guldenroede.
Zowel zeldzame als algemene soorten die zich niet (zeer) snel verspreiden, maar eenmaal in tuinen en parken aangeplant zich zeer agressief kunnen verspreiden of ongewenst kunnen standhouden; o.a. akkerklokje, Japanse duizendknoop
Algemene soorten met een agressieve verspreiding en moeilijk onder controle te krijgen in tuinen en parken; o.a. zevenblad, hop en speenkruid. (Vooral in tuinen)
Exotische soorten met een invasieve verspreiding die schadelijk kunnen zijn voor de natuurlijke flora: o.a. late guldenroede, reuzenberenklauw, waterteunisbloem
Voor groei- en verspreidingsgedrag van planten wordt verwezen naar www.plantenvademecum.nl
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Spreiding in bloeiperioden en capaciteit voor dracht
Bijen vliegen van maart tot in oktober. Hoe constanter het aanbod van nectar en stuifmeel is des te beter. Als het kan met een licht accent op juli-september want dan zijn er enkele dippen in de voedselvoorziening voor honingbijen. Dit worden drachtpauzes genoemd.
Op het platteland en tijdelijk braakliggende open gronden kunnen extra maatregelen worden genomen door drachtplanten in te zaaien. Phacelia is daarvoor de meest geliefde plant voor niet te schrale bodems.
De spreiding van de bloeiperiode en capaciteit aan drachtplanten kan zichtbaar gemaakt worden door middel van drachtkaarten. Daarop staat aangegeven welke plaatsen in welke periode van het jaar voor de imkerij van belang zijn.
Voor wilde bijen wordt spreiding van bloei vooral bevorderd door ecologisch groenbeheer
In tuinen kan door een slimme combinatie van tuinplanten en inheemse planten het seizoen voor wilde bijen sterk worden verlengd.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bloeigericht snoeien
Bij de keuze van het sortiment moet meer rekening gehouden worden met nectar- en stuifmeelplanten. Dat gebeurt nog onvoldoende. Maar wat er vaker gebeurt, is dat heesters op een grove wijze met zwaar materieel worden afgemaaid. Vooral als dat soorten betreft die op overjarig hout bloeien, zijn deze planten één of meer seizoenen waardeloos voor bloembezoekende insecten en vaak een bron van ergernis voor de bewoners
Het snoeien van heesters moet worden afgestemd op de bloei. Zo is Lonicera nitida (een groenblijvende kamperfoeliesoort) een zeer goede nectarleverancier. Als deze soort in de winter of herfst wordt afgemaaid wordt deze plant waardeloos voor bloembezoekende insecten. Men moet er zich dus zeer bewust van zijn of een houtige soort op eenjarig of op overjarig hout bloeit. Veel soorten, die op eenjarig hout bloeien, komen niet tot bloei als ze als reactie op een te sterke snoei te hard gaan groeien. De keuze voor heesters en evengoed bomen betekent tegelijkertijd een keuze voor het beheer daarvan. In het Plantenvademecum worden van ca. 280 heesters de snoeimethode opgegeven. www.plantenvademecum.nl
In veel gemeente moeten houtige begroeiingen om financiële motieven vaak robuust worden gesnoeid. Heel vaak worden heester dan sterk teruggezet.
Veel inheemse heester lijken daar veel beter tegen bestand van allerlei sierheesters.
Als er geen andere mogelijkheid is om heesters op bloem, vrucht en vorm te snoeien, is het vooral van zeer groot belang het landschapsbeheerachtige beheer van stedelijke beplantingen zo gefaseerd mogelijk uit te voeren. Inheemse bloeiende drachtplanten moeten altijd binnen de afstand liggen die wilde bijen kunnen overbruggen.
 
 
 
 
 
 
Inzaaien en uitplanten van soorten
Het introduceren van planten is van alle tijden. Om het voedselaanbod van bijen te verruimen, kunnen soorten worden ingezaaid en uitgeplant. Om de natuurlijke samenstelling van de flora niet verder te verstoren is het raadzaam om introductie van planten tot de bebouwde omgeving te beperken en de introductie van invasieve (snel verspreidende) soorten te voorkomen of zelfs te verbieden. Hiervoor gelden de volgende richtlijnen waarbij de eerste twee het beste zijn:
1 Uitleggen van maaisel met rijpe zaden dat uit de omgeving afkomstig is.
2 Zaaien met uit de omgeving gewonnen zaad. Per soort moet er in verband met de genetische variatie van verschillende planten worden geoogst.
3 Zaaien van eigen gekweekt zaad van planten die behoren tot de populatie van de streek.
4 Zaad betrekken van kwekers van inheemse kruiden en heemtuinen.
5 Streekeigen materiaal gaat boven materiaal dat van buiten de streek is aangevoerd
6 Zaad van zeldzame en niet wettelijk beschermde soorten in zeer beperkte mate alleen oogsten buiten de natuurreservaten, bij voorkeur in overleg met een deskundige.
7 zaad van minder algemene tot zeldzame soorten (waarvan dan 30 planten aanwezig zijn), wordt niet of in zeer beperkte mate geoogst.
8 Zeer zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde planten worden in principe met rust gelaten.

(Zie ook literatuur)

 
 
 
 
 
 
 
 
 
Gespecialiseerde en opportunistische bijen
Voor het ontwerp en het beheer is het niet praktisch om met iedere afzonderlijke plant rekening te houden. Als men zich houdt aan de richtlijnen die in dit hoofdstuk worden aangereikt en het bieden van nestgelegenheid niet uit het oog verliest, is dat ook niet nodig. Er zijn echter planten die extra aandacht vragen. Dit zijn de plantensoorten waarvan insecten volledig of grotendeels afhankelijk zijn.
Tientallen bijensoorten zijn aangewezen op één of enkele plantensoorten. Als deze plantensoorten verdwijnen of te vroeg worden gemaaid verdwijnt de bij.
Zo is de gewone slobkousbij in Nederland vrijwel volledig afhankelijk van grote wederik. Deze bij verschijnt vlak voor de bloei van deze plant. Als grote wederik voor de bloei wordt gemaaid – ook al is dat 4 weken eerder – dan komt grote wederik later in bloei. Het natuurlijke tijdritme tussen de bij en de plant (de synchronisatie) is dan verbroken.
Om dat de slobkousbij alleen kan overleven (eitjes kan leggen) in aanwezigheid van bloeiende planten van grote wederik zal er geen nageslacht worden gevormd.
Planten waar gespecialiseerde bijen van afhankelijk zijn moeten dus met de grootste zorg worden beheerd. Ze mogen nooit voor of tijdens de bloei worden gemaaid.
Gespecialiseerde bijen kunnen ook in tuinen voorkomen als de juiste planten aanwezig zijn, nestgelegenheid aanwezig is en de betreffende bijensoort in de omgeving voorkomt. In veel gevallen is het gewenst om locale verspreiding van planten van gespecialiseerde bijen te bevorderen door het juiste beheer. Zie Top "100"Inheemse planten voor wilde bijen.

 

 
Benutten van mogelijkheden in het agrarisch cultuurlandschap

Op het platteland bestaan aanzienlijke mogelijkheden om de voedselvoorziening voor bijen te verbeteren. De ecologische landbouw wint geleidelijk aan terrein. Steeds meer akkers worden ingezaaid met zogenaamde drachtplanten, al dan niet bedoeld voor wisselteelt. En sinds enkele decennia worden er ook akkerranden ingezaaid met bloemplanten of wordende randen ecologisch beheerd. Dit zou aanzienlijk geïntensiveerd moeten worden. Juist op het platteland is een schreeuwend tekort aan foerageergebieden voor bijen. Uiteraard mogen de kosten daarvan niet op de boeren worden afgewenteld. Daarnaast komen er op het platteland een reeks landschapselementen voor die ecologisch beheerd kunnen worden. In principe zijn dat de zelfde mogelijkheden als in het stedelijke gebied: akkerranden, wegbermen, sloot- en greppelkanten, landschappelijke beplantingen, boerenerven en -tuinen, boerderijtuinen, recreatiewoningen, zorgboerderijen, woonboerderijen, buurtschappen, groene elementen in en om plattelandsdorpen, landgoederen en stinzen.

Zie homepagina voor voorbeelden

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Toepassingen en burgerinitiatieven
Veel van de 1200 soorten planten die in het Plantenvademecum worden genoemd kunnen worden toegepast in de openbare en semi-openbare ruimte. Dit geldt zowel voor cultuurlijke als natuurlijke begroeiingen. Een voorbeeld is Nepeta (kattenkruid) die als afscheidingsgroen tussen trottoirs en rijweg kan worden aangeplant.
Veel stinzen- en bosplanten kunnen zonder veel extra beheer onder houtige beplantingen worden geïntroduceerd. Gevel- en tegeltuinen, vasteplantenborders binnen de bebouwing bieden eveneens mogelijkheden voor bloembezoekende insecten die soms op de meest stedelijke plekken talrijk kunnen voorkomen.
Naast allerlei instellingen en locale en regionale overheden kunnen burgers ook zelf een bijdrage leveren om bijen te bevorderen. Daar zijn allerlei voorbeelden van: van tegeltuin tot vlindertuin, van particuliere tuin tot gemeenschappelijke tuin; van hofje tot kasteeltuin.
Deze bijenhelpdesk geeft geen voorbeelden van beplantingsplannen of schema's voor deze elementen, maar toont ca. 500 situaties waarin planten voor bijen en meestal ook voor vlinders kunnen worden toegepast of door ecologische groenbeheer kunnen worden bevorderd..
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ontwerp bijen vriendelijke beplantingen
Het ontwerpen van houtige beplantingen op ecologische grondslag is een gecompliceerde opgave. Het gaat om ruimte, maatvorming en structuur van de vegetatie.
Voor bestuivende insecten kunnen alle aspecten van het ontwerp belangrijk zijn. Het gaat hier niet alleen om de boom-, struik- en kruidlaag, maar ook om zoomvegetaties, inhammen en lichtinval.
Bij gesloten begroeiingen of begroeiingen met te weinig lichtinval wordt de bloei altijd beperkt. Als de beplanting te smal is, leidt dit tot meer snoeien. Beplantingen hebben jaren, zo niet decennia, nodig om de functies te krijgen die ze zijn toebedacht.
Nectar en stuifmeel producerende struiken enm bomen kunnen na 3 tot 10 jaar na aanplant al functioneren. Afhankelijk van het beheer wordt de structuur complexer en kan het aantal kruidachtige soorten toenemen.
In het ontwerp moet voor alle aspecten een bewuste keuze worden gemaakt. In de aanlegfase kunnen open beplantingen worden ingezaaid met bijenplanten zoals phacelia, herik, klaproos en zwarte mosterd. Na  7 tot 10 jaar kunnen er bossoorten worden geïntroduceerd.
 
 
 
 
 
 
 
Checklist ontwerp bijenvriendelijke beplantingen
- Zijn de bodemeigenschappen/groeiplaatsfactoren voldoende bekend?
- Wijkt de keuze van het sortiment niet te veel af van de potentieel natuurlijke vegetatie?
- Is er voldoende rekening gehouden met stuifmeel- en nectarproducerende (dracht)planten?
- Is er voldoende rekening gehouden met gebruik van autochtoon plantmateriaal?
- Is er voldoende rekening gehouden met ruimtelijke verscheidenheid en structuur op termijn?
- Is er voldoende aandacht besteed aan de spreiding van de bloeiperiode?
- Is er voldoende rekening gehouden met de maatvoering?
- Is er voldoende overleg geweest met personen of instanties die verantwoordelijk zijn voor het beheer?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bestuurlijk draagvlak
Veel zaken kunnen alleen maar worden gerealiseerd als daar bestuurlijk draagvlak voor is. Dit draagvlak ontstaat meestal niet spontaan, maar moet vaak worden bevochten.
Zeer essentieel is dat  de betekenissen en functies van een beplanting als een samenhangend geheel aan elkaar worden gekoppeld. Als we het dan over drachtplanten hebben, houden we  ook rekening met  recreatie, esthetische kwaliteit van de woon en leefomgeving,  natuurervaringen van kinderen,  het welzijn van ouderen, de biodiversiteit.
Van groot belang is ook dat de bewoners op straat-, buurt- en wijkniveau zich hiervan bewust worden. Investeren in groen is investeren in de kwaliteit van de samenleving. Een bloemrijke omgeving met een grote biodiversiteit verhogen de belevingswaarde en daarmee ook de leefbaarheid. Het is dan een bijkomend positief effect dat ook de bijen hiervan kunnen profiteren.
Om de leefomgeving ook voor imkers interessant te maken, moeten er ook voldoende kleinschalige standplaatsen voor bijenvolken worden gecreëerd. Dit vermindert bovendien het risico van besmetting van bijenvolken.
Bestuurlijk draagvlak winnen lukt het beste via een platform waarin groene organisaties zijn verenigd. Een dergelijk platform zou niet alleen de nadruk moeten leggen op biodiversiteit, maar ook op het algemeen maatschappelijk belang van de groene buitenruimte.
 
 
 
 
 
 
Verantwoording
Deze pagina is een bewerking van twee artikelen:
Koster, A., 2009. Help de bijen een handje. Tuin en Landschap 31 (8): 38-89.
Koster, A., 2009. Volop mogelijkheden om bijen te ondersteunen. Groen, 65 (6): 6-9.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
s