Voorwaarden voor bijenbezoek

Terug naar zoek onderwerp Terug naar vragen over bijen

Milieufactoren

Als je er op gaat letten, lijkt het  alsof alle bloemen bijen aantrekken. Toch zijn bijen vaak afwezig en kijken de bijen naar sommige goede nectarplanten nauwelijks om. Zowel voor de imker, als voor iedereen die planten aanplant voor wilde bijen en honingbijen en gebieden beheert, is het de vraag in welke mate bijenplanten de bijen ook werkelijk aantrekken. Het is niet uitgesloten dat in een particuliere tuin of in een park bijenplanten volop aanwezig zijn, maar dat de bijen het grotendeels of zelfs volledig laten afweten. De aanwezigheid van bijen is afhankelijk van de aanwezigheid van voedsel (stuifmeel en nectar), nestgelegenheid (zie Levenswijze bijen) en de afstand tussen nestplaats en de voedingsbron. Als in een gebied nestgelegenheid en voedsel optimaal aanwezig zijn, maar de afstand tussen beide factoren voor bijen onoverbrugbaar is, zullen beide componenten niet door bijen worden benut. De omstandigheden zijn zelden zo extreem, dat er op een plek helemaal geen bijen voorkomen. Het komt echter vaak voor dat bijen schaars zijn op plekken waar wel volop voedsel aanwezig is of lijkt te zijn, want  planten functioneren lang niet altijd optimaal in de productie van nectar en stuifmeel. Er zijn veel factoren die het bezoek van bijen aan planten bepalen:

  • Stuifmeel en nectar -- Planten moeten in de bloem nectar en/of stuifmeel (pollen) produceren. Planten met extra florale nectariën en honingdauw leverende planten worden hier buiten beschouwing gelaten.
  • Toegang tot de bloem -- De bloemdiepte speelt een belangrijke rol  bijde toegankelijkheid voor bijen tot nectar en stuifmeel. In veel gevallen wordt die bepaald door de tonglengte van de bij (zie: Over bijen). Grotere bijen, hommels en honingbijen zijn in staat om een toegang te forceren door een gat in de zijkant van de bloembuis (kroon) te bijten of de bloem mechanisch te forceren. Vooral hommels zijn daartoe in staat. Honingbijen en andere bijen maken in tweede instantie van deze geforceerde toegang gebruik.
  • Genetische eigenschappen van de plant -- Bij cultivars kunnen eigenschappen van een plant bewust of onbewust verloren zijn gegaan. Meeldraden en nectarklieren kunnen bij te veel doorgekweekte planten ontbreken of onvolledig zijn. Bij dubbelbloemige planten kan nectar en stuifmeel gedeeltelijk of zelfs geheel ontbreken. Doorkweken kan een bloemvorm opleveren die de nectar onbereikbaar maakt. De bloembuis van doorgekweekte soorten kan verlengd of vernauwd zijn.
    Hoe dichter een plant bij zijn oorspronkelijke genetische structuur staat, des te groter is de kans dat de plant volledig functioneert.
  • Bodemvochtigheid -- De nectarafscheiding houdt ook verband met de optimale vochtigheid van de bodem waarin een plant kan groeien.  Struikheide en linden groeien en bloeien onder relatief droge, niet optimale omstandigheden, nog redelijk goed. Op het oog kunnen deze planten er dan wel gezond uitzien, maar door de relatieve droogte vermindert of ontbreekt de nectarafscheiding.
  • Luchtvochtigheid -- Bij veel planten is de nectarafscheiding het meest optimaal bij een hoge luchtvochtigheid. Bij een droge lucht en/of schrale wind  verdampt de nectar vooral in open bloemen, d.w.z. bloemen met een wijde bloemkroon of bloemen waar de nectarafscheidende klieren niet door de bloemkroon tegen zon en wind worden beschermd.
  • Harde wind -- De windkracht speelt vooral een rol bij bomen met hangende bloemen. Bij harde wind zijn deze bloemen  moeilijk bereikbaar of onbereikbaar voor bijen. De bloemen van een robinia in open kustgebieden functioneren daardoor aanzienlijk slechter als nectarleveranciers dan van een robinia in de beschutte en lommerrijke streken in het binnenland.
  • Temperatuur -- De temperatuur is, niet alleen voor het uitvliegen van bijen, maar ook voor de nectarafscheiding zeer bepalend. Dit geldt  zowel bij lage als bij hoge temperaturen. Planten die slap hangen van de warmte worden doorgaans niet door bijen bevlogen, zeker niet midden op de dag.
  • Seizoen -- In het voorjaar en in de zomer gaan de bijen verder weg van de kast dan in het vroege voorjaar of najaar. In het vroege voorjaar en in het najaar vliegen ze minder ver. Daarom is het voor imkers van belang, dat er in het vroege voorjaar of najaar  bijenplanten dicht bij de kasten groeien.
  • De aanwezigheid van andere plantensoorten -- Deze factor speelt vooral bij honingbijen een belangrijke rol. Deze zijn tamelijk soortvast. Ze stappen niet zo maar naar andere plantensoorten over als nectarleverancier ook al bevatten de bloemen daarvan bijvoorbeeld meer nectar. In 2003 werden bij verschillende tuincentra planten van Cuphea hyssopifolia gekocht die daar druk door bijen werden bevlogen. In de eigen tuin geplant, werden de  planten  echter niet bezocht, ondanks het feit dat er een bijenvolk binnen een afstand van 50 m in de buurt was. Een jaar later werd deze soort opnieuw aangeplant.Toen werden de planten wel regelmatig bevlogen terwijl de bijenvolken aanzienlijk verder weg waren. Kennelijk waren de honingbijen toen op zoek naar nieuwe voedselbronnen.
  • Het aantal bijen in de omgeving -- Als bijen schaars aanwezig zijn, is de kans logischerwijs kleiner dat de planten worden bezocht.
  • Clustering planten -- Clustering van drachtplanten speelt vooral bij honingbijen een rol.  In een gebied, waarin honderd kleine planten (=bloemen)  afzonderlijk  over de hele actieradius van de honingbij verspreid staan, zullen de planten aanzienlijk minder door de honingbijen worden bezocht dan op een plek waar deze planten geclusterd (in een grotere groep bij elkaar) voorkomen. Zie: Bijendans bij Levenswijze honingbijen.
  • Afstand planten -- Drachtplanten die te ver van het nest of een bijenkast zijn verwijderd, worden niet bezocht. De meeste wilde bijen hebben een betrekkelijk kleine actieradius. Ze foerageren in de omgeving van het nest. Hommels kunnen een paar kilometer afleggen en honingbijen vliegen bij een goede dracht verder dan 3 km.

 

Vuistregel bezoek honingbijen

Voor de aanwezigheid van honingbijen op plekken waar bijenplanten optimaal groeien, geldt de volgende regel: De bezoekfrequentie van bijen is het product van het aantal bijen binnen een straal van 3 (5)km en het aantal planten van een soort op een plek gedeeld door de afstand (bijv. in meters) die bijen moeten aflegen.

aantal bijen x aantal planten

=bezoekfrekwentie

  afstand

Vooral voor honingbijen geldt: hoe beter de voedselvoorziening op een plek, des te kleiner is de invloed van de afstand. Een voorbeeld uit  de praktijk is een bloeiend veld met Phacelia, dat op een afstand van 3 kilometer nog druk door honingbijen wordt bevlogen, waarschijnlijk wel door alle vliegbijen in de kast. Terwijl enkele bloeiende planten  op dezelfde afstand van de bijenstand waarschijnlijk niet of nauwelijks worden bevlogen. In de directe omgeving van de bijenstand zullen de meeste planten door bijen worden bezocht. Planten waarop in de tuin zelden honingbijen worden waargenomen, kunnen in de omgeving van een bijenstal druk worden bevlogen.

De vraag is nu: Wat is het nut van kleine groepen bijenplanten voor imkers? Je kunt de tuin toch niet helemaal volzetten met één plantensoort. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we naar het type imkeren kijken. Globaal kunnen imkers in twee typen worden ingedeeld: imkers die reizen met bijen voor bestuivingsdoeleinden of voor specifieke honingwinning (bijv. heide- of robiniahoning) en imkers die standvastig op één plek blijven. De laatste groep wint vrijwel uitsluitend gemengde honing (bloemenhoning). Deze imkers zitten voornamelijk in het stedelijk gebied, op volkstuinen, begraafplaatsen, in educatieve tuinen of houden hun bijen in hun eigen tuin, op het balkon of op het platte dak. Deze imkers zijn gebaat met vrijwel iedere bloeiende bijenplant in de omgeving. Dit geldt ook voor imkers die met bijen reizen, maar tussentijds hun volken in de bewoonde omgeving plaatsen.

De sleutelformule  van de aanwezigheid van bijen is: verscheidenheid in het assortiment gecombineerd met een natuurvriendelijk beheer en onderhoud. Als er geen imkers in de buurt aanwezig zijn, zijn er vrijwel altijd hommels en meestal andere wilde bijen op de bloemen te vinden als aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Ook de vlinders, kevers, zweefvliegen en vele andere insecten moeten we niet vergeten. Kortom bijenplanten, van welke aard ook, dragen vrijwel altijd bij aan de aanwezigheid van bloembezoekende insecten.

 
Waardering van nectar- en stuifmeelleverende planten: opmerking bij de codes hb1-5

In de plantendatabase wordt er voor de fauna in de meeste gevallen een code opgegeven. Die is beperkt tot vlinders, hommels, wilde bijen en honingbijen het cijfer heeft betrekking op de intensiteit en de frequentie van het bijenbezoek van honingbijen (hb1-5). (zie: legenda bij database en de afzonderlijke plantenlijsten). De codering is gebaseerd op eigen waarnemingen. De meeste waarnemingen zijn verricht in stedelijk gebied, industriële terreinen en langs lintvormige landschapselementen. Bedoeling van de code is een indicatie te geven hoe planten functioneren t.a.v. honingbijen. De code heeft geen betrekking op de overige fauna. Als vuistregel mag men aannemen dat het overgrote deel van de planten die door honingbijen worden bezocht ook door hommels en solitaire bijen worden bevlogen. Voor dit onderzoek is dat niet steeds genoteerd; de vuistregel wordt wel door literatuur gegevens ondersteund. Hiervan is echter geen gebruik van gemaakt, omdat de betrouwbaarheid van de plantendeterminaties vaak niet is te controleren.

De codes 1-5 zijn relatief. Een goede nectar- en stuifmeelleverende plant hoeft niet altijd door bijen te worden bezocht. Zo is Hamamelis mollis in principe een goede bijenplant, maar door zijn vroege bloei is het nog vaak te koud voor bijen. Hamamelis mollis wordt alleen in een zachte winter of voorjaar goed bevlogen. In de database op deze website scoort deze struik laag (hb1) terwijl deze soort in regio’s met constant zachte winters een hoge scoren zou krijgen. De Boswilg die gemiddeld rond half maart bloeit, is een soort die vrijwel altijd door bijen wordt bezocht deze boom scoort dus hoog.

Bij literatuurgegevens vindt men vaak andere waardering voor  nectar en stuifmeel producerende planten bijvoorbeeld voor  Acer negundo. In het Alterrarapport (Blitterswijk et al. 2209) krijgt deze boom de hoogste waardering N5 P5. Misschien is dat juist voor de productiecapaciteit, maar zelf heb ik zeer weinig waarnemingen van bijenbezoek op bloemen van de Vederesdoorn, terwijl in de bloeiperiode in Nederland jaren achtereen veel bomen zijn geïnspecteerd. Veel planten die in tuinen niet of weinig door bijen worden bezocht kunnen in de tuinbouw (zaadteelt) goede bijenplanten zijn. Daarnaast zijn er ook vaak grote schommelingen per jaar. Dit is onder meer het geval bij Hibiscus. In Veenendaal worden het ene jaar (soms enkele jaren achtereen) maar enkele planten druk door bijen bezocht, in het andere jaar de meeste planten (zie onder heesters in de plantendatabase).