Voorwaarden voor bijenbezoek |
Terug naar zoek onderwerp | Terug naar vragen over bijen | |||
Milieufactoren |
|||||
Als je er op gaat letten, lijkt het alsof alle bloemen bijen aantrekken. Toch zijn bijen vaak afwezig en kijken de bijen naar sommige goede nectarplanten nauwelijks om. Zowel voor de imker, als voor iedereen die planten aanplant voor wilde bijen en honingbijen en gebieden beheert, is het de vraag in welke mate bijenplanten de bijen ook werkelijk aantrekken. Het is niet uitgesloten dat in een particuliere tuin of in een park bijenplanten volop aanwezig zijn, maar dat de bijen het grotendeels of zelfs volledig laten afweten. De aanwezigheid van bijen is afhankelijk van de aanwezigheid van voedsel (stuifmeel en nectar), nestgelegenheid (zie Levenswijze bijen) en de afstand tussen nestplaats en de voedingsbron. Als in een gebied nestgelegenheid en voedsel optimaal aanwezig zijn, maar de afstand tussen beide factoren voor bijen onoverbrugbaar is, zullen beide componenten niet door bijen worden benut. De omstandigheden zijn zelden zo extreem, dat er op een plek helemaal geen bijen voorkomen. Het komt echter vaak voor dat bijen schaars zijn op plekken waar wel volop voedsel aanwezig is of lijkt te zijn, want planten functioneren lang niet altijd optimaal in de productie van nectar en stuifmeel. Er zijn veel factoren die het bezoek van bijen aan planten bepalen: |
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
|
|||||
Vuistregel bezoek honingbijen |
|||||
Voor de aanwezigheid van honingbijen op plekken waar bijenplanten optimaal groeien, geldt de volgende regel: De bezoekfrequentie van bijen is het product van het aantal bijen binnen een straal van 3 (5)km en het aantal planten van een soort op een plek gedeeld door de afstand (bijv. in meters) die bijen moeten aflegen. |
|||||
|
|||||
Vooral voor honingbijen geldt: hoe beter de voedselvoorziening op een plek, des te kleiner is de invloed van de afstand. Een voorbeeld uit de praktijk is een bloeiend veld met Phacelia, dat op een afstand van 3 kilometer nog druk door honingbijen wordt bevlogen, waarschijnlijk wel door alle vliegbijen in de kast. Terwijl enkele bloeiende planten op dezelfde afstand van de bijenstand waarschijnlijk niet of nauwelijks worden bevlogen. In de directe omgeving van de bijenstand zullen de meeste planten door bijen worden bezocht. Planten waarop in de tuin zelden honingbijen worden waargenomen, kunnen in de omgeving van een bijenstal druk worden bevlogen. |
|||||
De vraag is nu: Wat is het nut van kleine groepen bijenplanten voor imkers? Je kunt de tuin toch niet helemaal volzetten met één plantensoort. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we naar het type imkeren kijken. Globaal kunnen imkers in twee typen worden ingedeeld: imkers die reizen met bijen voor bestuivingsdoeleinden of voor specifieke honingwinning (bijv. heide- of robiniahoning) en imkers die standvastig op één plek blijven. De laatste groep wint vrijwel uitsluitend gemengde honing (bloemenhoning). Deze imkers zitten voornamelijk in het stedelijk gebied, op volkstuinen, begraafplaatsen, in educatieve tuinen of houden hun bijen in hun eigen tuin, op het balkon of op het platte dak. Deze imkers zijn gebaat met vrijwel iedere bloeiende bijenplant in de omgeving. Dit geldt ook voor imkers die met bijen reizen, maar tussentijds hun volken in de bewoonde omgeving plaatsen. |
|||||
De sleutelformule van de aanwezigheid van bijen is: verscheidenheid in het assortiment gecombineerd met een natuurvriendelijk beheer en onderhoud. Als er geen imkers in de buurt aanwezig zijn, zijn er vrijwel altijd hommels en meestal andere wilde bijen op de bloemen te vinden als aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Ook de vlinders, kevers, zweefvliegen en vele andere insecten moeten we niet vergeten. Kortom bijenplanten, van welke aard ook, dragen vrijwel altijd bij aan de aanwezigheid van bloembezoekende insecten. |
|||||
| Waardering van nectar- en stuifmeelleverende planten: opmerking bij de codes hb1-5 | |||||
In de plantendatabase wordt er voor de fauna in de meeste gevallen een code opgegeven. Die is beperkt tot vlinders, hommels, wilde bijen en honingbijen het cijfer heeft betrekking op de intensiteit en de frequentie van het bijenbezoek van honingbijen (hb1-5). (zie: legenda bij database en de afzonderlijke plantenlijsten). De codering is gebaseerd op eigen waarnemingen. De meeste waarnemingen zijn verricht in stedelijk gebied, industriële terreinen en langs lintvormige landschapselementen. Bedoeling van de code is een indicatie te geven hoe planten functioneren t.a.v. honingbijen. De code heeft geen betrekking op de overige fauna. Als vuistregel mag men aannemen dat het overgrote deel van de planten die door honingbijen worden bezocht ook door hommels en solitaire bijen worden bevlogen. Voor dit onderzoek is dat niet steeds genoteerd; de vuistregel wordt wel door literatuur gegevens ondersteund. Hiervan is echter geen gebruik van gemaakt, omdat de betrouwbaarheid van de plantendeterminaties vaak niet is te controleren. |
|||||
| De codes 1-5 zijn relatief. Een goede nectar- en stuifmeelleverende plant hoeft niet altijd door bijen te worden bezocht. Zo is Hamamelis mollis in principe een goede bijenplant, maar door zijn vroege bloei is het nog vaak te koud voor bijen. Hamamelis mollis wordt alleen in een zachte winter of voorjaar goed bevlogen. In de database op deze website scoort deze struik laag (hb1) terwijl deze soort in regio’s met constant zachte winters een hoge scoren zou krijgen. De Boswilg die gemiddeld rond half maart bloeit, is een soort die vrijwel altijd door bijen wordt bezocht deze boom scoort dus hoog. | |||||
Bij literatuurgegevens vindt men vaak andere waardering voor nectar en stuifmeel producerende planten bijvoorbeeld voor Acer negundo. In het Alterrarapport (Blitterswijk et al. 2209) krijgt deze boom de hoogste waardering N5 P5. Misschien is dat juist voor de productiecapaciteit, maar zelf heb ik zeer weinig waarnemingen van bijenbezoek op bloemen van de Vederesdoorn, terwijl in de bloeiperiode in Nederland jaren achtereen veel bomen zijn geïnspecteerd. Veel planten die in tuinen niet of weinig door bijen worden bezocht kunnen in de tuinbouw (zaadteelt) goede bijenplanten zijn. Daarnaast zijn er ook vaak grote schommelingen per jaar. Dit is onder meer het geval bij Hibiscus. In Veenendaal worden het ene jaar (soms enkele jaren achtereen) maar enkele planten druk door bijen bezocht, in het andere jaar de meeste planten (zie onder heesters in de plantendatabase). |
|||||