Historie gebruik chemische middelen (voor volledige tekst proefschrit onder index) |
|
| Nog voordat chemische middelen op grote schaal in het openbaar groen werden toegepast, was het al duidelijk dat aan deze middelen ecologische bezwaren kleefden, niet alleen aan herbiciden, maar aan pesticiden in het algemeen. De ecologische gevolgen openbaarden zich het eerste in de landbouw, maar ook buiten deze terreinen waren ze schadelijk voor natuur en milieu (Carson 1963; Chant 1956; Dritschlo & Wanner 1980; Van Genderen 1970; Lanjouw 1970; Vermij 1988; Westhoff 1964; Westhoff & Zonderwijk 1961; Zonderwijk 1960-1991). Vooral de inspanningen van prof. dr. P. Zonderwijk die sinds begin jaren zestig voortdurend heeft gepleit voor een zo kritisch mogelijk en afnemend gebruik en zo mogelijk afschaffing van herbiciden buiten de landbouwgebieden, hebben geleid tot meer aandacht voor alternatieve beheervormen. Daarbij speelde ook de milieubeweging, die sinds het Europees Natuurbeschermingsjaar 1970 aan invloed won, een belangrijke rol. Deze beweging heeft zich steeds fel gekant tegen het gebruik van pesticiden. | |
| Halverwege de jaren tachtig kwam voor het openbaar groen de discussie binnen de plantsoenendiensten zelf pas goed op gang (onder andere: Nederlandse Vereniging van Hoofden van Gemeentelijke Beplantingen 1986; Kamerman 1986). Er werd geëxperimenteerd met alternatieven voor chemische onkruidbestrijding, onder meer door de bodem te bedekken met een laag boomschors of houtsnippers afkomstig van snoeihout. Het probleem van de grote hoeveelheden snoeihout ontstaan door achterstallig onderhoud en een verkeerd ontwerp, zou hierdoor tegelijk kunnen worden opgelost. De resultaten van deze methode waren meestal van korte duur en hadden vaak een averechtse uitwerking. Door mineralisatieprocessen ontstond er vaak een begroeiing waarin Grote brandnetel en Kleefkruid domineerden. De beelden die hierdoor ontstonden, wekten vaak de indruk van verloedering en verpaupering, maar dat was de prijs die betaald moest worden voor een beter milieu, een milieu zonder of met minder chemische middelen. Een andere methode was het aanplanten van Klimop die wat beeldvorming betreft tot meer succes leidde, maar niet geheel vrij was van problemen. | |
| Samengevat de bodems van houtige begroeiingen tot en met de jaren tachtig en een gedeelte van de jaren negentig kaal of met houtsnippers of met boomschors bedekt. En bijna alle grazige begroeiingen werden vrijwel wekelijks gemaaid. De planten die onder deze omstandigheden konden groeien of tot bloei konden komen, waren te verwaarlozen. Het was al heel bijzonder als er in houtige begroeiingen een kruidlaag met Kruipende boterbloem of Speenkruid aanwezig was. Aangezien in de jaren zeventig het aanplanten van krokussen en narcissen in zwang begon te raken, kon men op deze plekken het gras de eerste weken van het groeiseizoen niet maaien. Op deze plekken konden Paardebloemen en Madeliefjes bloeien. Dit fenomeen is in de gemeente Vlaardingen al reeds in de jaren zeventig aanleiding geweest om met een hooilandbeheer te beginnen. Begin van de jaren tachtig waren er enkele gemeenten waar ecologisch groenbeheer of kruidenbeheer duidelijk zichtbaar was. In een tiental gemeenten gaven groenbeheerders heel plaatselijk of uit het zicht van het publiek de eerste aanzetten voor ecologisch groenbeheer. In 1990 is dat al aanzienlijk toegenomen: minstens 55% van de ruim 300 geënquêteerde gemeenten experimenteerde met ecologisch of milieuvriendelijk groenbeheer (Koster 1990c), maar herbiciden werden toen ook nog veel toegepast. | |
| Om de resultaten van het groenbeheer zoals dat nu in tientallen gemeenten te zien is op hun juiste betekenis te kunnen beoordelen, zal men zich moeten realiseren hoe het openbaar groen er in het recente verleden uitzag. Vanuit deze situatie moeten de resultaten van het hedendaagse groenbeheer worden geëvalueerd. Vrijwel iedere kruidachtige plant die er nu groeit en bloeit, is te zien als een ecologische winst ten opzichte van het begin van de jaren tachtig en de decennia daarvoor. Voor wilde bijen was er nagenoeg sprake van een ‘nulsituatie’. Met uitzondering van hommels die vooral op de bloeiende houtige soorten en in tuinen vlogen, kwamen wilde bijen niet of nauwelijks in houtige begroeiingen voor (hoofdstuk 7). | |
| De geschiedenis van de natuur in de woonomgeving zal, afhankelijk van de interpretatie van het begrip natuur, waarschijnlijk teruggaan naar de vorige eeuwen en zelfs naar vorige millennia. De wortels van het huidige openbaar groenbeheer zijn echter van recentere datum. De invloed van Jac. P. Thijsse is te zien als een eerste aanzet van openbaar groen met een meer natuurlijk uiterlijk (Haighton et al. 1965; Thijsse 1941; Verkaik 1995). | |
| ‘Wanneer ge openbare plantsoenen eens op de keper bekijkt, vooral in onze groote steden, dan zult ge er vele aantreffen van keurige architectonische aanleg. Zorgvuldig voorzien van fraaie planten, dag aan dag goed onderhouden, maar zonder waarde voor hen, die niet tevreden zijn met een min of meer schilderachtig geheel, met kleur en ruimte, doch ook wat willen beseffen van het tierig leven op onze aarde. Dergelijke plantsoenen zijn niet meer dan vervulling voor pleinen en breede straaten. Ik ken er die afgeheind zijn met ijzer hekwerk en daarin alleen één zorgvuldig gesloten poortje voor den plantsoenarbeider. Veel goede ruimte en brave arbeid gaat op deze wijze verloren. Dat kon wel anders. Ik droom van plantsoenen, waar het publiek, oud en jong, onwetend en ingewijd, het heele jaar door gemakkelijk getuige kan zijn van wat in den loop der seizoenen, te beginnen met 1 januari en te eindigen met 31 december op het gebied van onze inheemse planten en dierenwereld te beleven valt.’ (Thijsse 1941) | |
| De aanleg van Thijsse’s Hof te Bloemendaal in 1925 zou gezien kunnen worden als een eerste aanzet voor het ecologisch groenbeheer. Dit voorbeeld werd gevolgd door Den Haag en Amstelveen. Rond 1950 waren er ca. tien heemtuinen in ons land aanwezig, rond 1970 waren dat er ca. twintig en in 1992 waren dat er meer dan 150 (Leufgen & Van Lier 1990, 1992). Veel groenbeheerders zagen deze tuinen als plaatsen waar ervaring opgedaan kon worden met natuurlijk of ecologisch groenbeheer. Om praktijkervaringen en kennis uit te wisselen werd, op initiatief van de gemeente Amstelveen, de ‘Werkgroep Heemparken’ opgericht die in het begin van de jaren zeventig overging in de werkgroep Toepassing Inheemse Flora (TIF). Ervaringen die in deze parken werden opgedaan, zouden ook daarbuiten kunnen worden toegepast (Galjaard 1996). In de jaren zeventig en begin tachtig gebeurde dat al in verschillende gemeenten, onder meer in Amstelveen, Ede, Leeuwarden, Vlaardingen en Zwolle. In Heerenveen en in Groningen was Le Roy (1973) actief. Met zijn werk heeft hij het denken over de groene omgeving substantieel beïnvloed. | |
| Toch kwam het ecologisch groenbeheer slechts moeizaam van de grond. Ondanks het feit dat heemtuinen in aantal toenamen, veranderde dat tot rond 1990 weinig aan het algemene principe. Het beheer was er nog steeds op gericht om de bodem zo schoon mogelijk te houden, maar door de bezuinigingen in de jaren tachtig en door het verminderde gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen was dat een vrijwel onmogelijke opgave. Daar kwam nog bij dat de opleidingen tot in de jaren negentig nauwelijks of zelfs geheel niet waren ingesteld op ecologisch groenbeheer. Het Consulentschap in Algemene Dienst voor het Stedelijk Groen breidde zich in het begin van de jaren tachtig sterk uit, maar werkte op het gebied van ecologisch groenbeheer met vrijwel ongeschoold en onervaren personeel. Pas vanaf 1990 zou men van een zekere doorbraak kunnen spreken: in tientallen gemeenten werd begonnen met ecologisch groenbeheer terwijl nog meer gemeenten zich daarop gingen voorbereiden. Aan het eind van de jaren tachtig werd het ‘Platform Stadsecologie’ opgericht, dat zich richtte op de ecologische aspecten van de stad. Vanaf deze periode werden ook de eerste stadsecologen aangesteld. Het ecologisch groenbeheer werd hierdoor gunstig beïnvloed. Ook in het onderzoek wist ecologisch groenbeheer een volwaardige plaats te veroveren. In 1990 was dat nog beperkt tot een kleine afdeling op De Dorschkamp dat via het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) is opgegaan in Alterra, maar tegenwoordig houden zich daar tientallen onderzoekers met aspecten van ecologisch groenbeheer bezig. | |
| Tussen 1991 en 1995 worden in vele tientallen gemeenten (maar ook andere instellingen) op grotere schaal dan voorheen resultaten zichtbaar. Een bloemlezing hiervan is te vinden in ‘De groene omgeving’ (Koster 1994). Een van de voornaamste zaken is echter dat de opleidingen sinds het begin van de jaren negentig versneld hun programma’s hebben aangepast. De vakinspecteur IBGR Carolien van Hattem stelde in 1991 dat de inrichting van de groene ruimte binnen het onderwijs meer vanuit natuurlijke processen moet worden benaderd. Voortaan zullen (semi-)natuurlijke vegetaties uitgangspunt zijn. Hiermee werd een begin gemaakt om een ernstig knelpunt in de groene vakwereld op te heffen (Koster 1991a). Dit leidde onder meer tot de praktijk- en vakboeken Ecologisch groenbeheer in de praktijk (De Boer & Schils 1993) en Vademecum Wilde Planten (Koster 1993). Ook de gemeenten zelf zaten niet stil en namen via de Vereniging Stadswerk het initiatief tot het samenstellen van een handleiding voor het ecologisch groenbeheer (Koster 2001c). Het zou te ver voeren om alle andere instanties te noemen die bij het totstandkomen van het ecologisch groenbeheer betrokken zijn geweest. Kort samengevat komt het erop neer dat de aandacht voor ecologisch groenbeheer en natuur in de stedelijke omgeving sinds 1990 sterk is toegenomen en is uitgegroeid tot een belangrijke markt binnen de groene sector. | |