Watervegetaties en beheer
Water met een goede kwaliteit kan een aanzienlijke bijdrage leveren aan de stedelijke biodiversiteit. Waterplanten zijn onontbeerlijk voor de zuurstofvoorziening van waterorganismen in stilstaande of zwakstromende wateren. Als de watervegetatie op de juiste wijze en het juiste tijdstip goed wordt beheerd, kan deze een teveel aan voedingsstoffen uit het water opnemen waardoor de waterkwaliteit verbetert. Talloze gewervelde en ongewervelde waterdieren zijn van waterplanten afhankelijk. Vissen en salamanders foerageren erop en kunnen zich er tussen schuil houden voor hun predatoren. Waar bloeiende water en moerasplanten talrijk voorkomen kunnen ze voor honingbijen van betekenis zijn. Maar voor wilde bijen kan een klein aantal planten ook al van betekenis zijn.
Hoe moeten water- en oevervegetaties worden beheerd om bijenplanten te bevorderen en/of te behouden?
  Een omschrijving van watervegetaties
  Milieu en maatvoering (ruimte) van watervegetaties
  Wat is de betekenis van watervegetatie voor de natuur/biodiversiteit?
  Wat is de recreatieve betekenis van watervegetaties?
  Wat is de invloed van de waterkwaliteit op watervegetaties?
  Hoe moeten watervegetaties worden beheerd?
Beheermethode Baggeren Gefaseerd beheer
  Verbreding watergangen Beheer door schaduw en vissen
  Frequentie en tijdstip schonen Verbetering van de waterkwaliteit
  Waterstroming en botulisme Bagger
 
 
 
Omschrijving
Watervegetaties bestaan uit in het water zwevende planten of planten, die in de bodem wortelen en op het water drijvende bladeren hebben en eventueel ook ondergedoken bladeren. De structuur van waterplanten is heel gevarieerd. Sommige planten hebben alleen drijfbladeren en wortelen met onvertakte stengels in de bodem (waterlelie) of hebben zwevende wortels in het water (slangekruid, kroos). Sommige planten met drijfbladeren zijn sterk vertakt (watergentiaan). Bij de ondergedoken waterplanten zien we eveneens deze verscheidenheid in structuur van de vertakking. De onderwatervorm van pijlkruid is niet vertakt, maar de meeste andere ondergedoken waterplanten waar we in de praktijk mee te maken hebben zijn tamelijk vertakt. De structuur van een plant heeft invloed op het beheer. Planten met drijfbladen zorgen voor schaduw in het water waardoor minder plantengroei mogelijk is. Andere planten vormen vrij compacte onder water gedoken structuren waardoor de waterafvoer kan worden belemmerd. Waterplanten zorgen onder meer voor zuurstof in het water en dragen bij aan het verlandingsproces.
Foto's Watervegetaties
Waterlelie is een soort van voedselrijke wateren, maar kan ook in vrij voedselarm water goed groeien, de plant blijft dan kleiner. Als deze plant in geïsoleerde, voedselarme wateren voorkomt, is dat meestal een teken van verrijking, dus een achteruitgang van het natte milieu. Door de schaduw van de drijfbladeren wordt de groei van de ondergedoken waterplanten beperkt.
Top pagina
 
Milieu
Waterplanten komen in alle waterige milieus voor onder de voorwaarden, dat er in het water geen sterke stroming, niet te veel golfslag, geen sterke troebelheid, te veel schaduw of een te hoge zuurgraad is. Waterplanten groeien onder meer in boerensloten, wegberm - en spoorsloten, watergangen, kanalen, vijvers, plassen en poelen. In het stedelijk gebied hebben we gewoonlijk te maken met voedselrijk (fosfaat - en nitraatrijk) water, zelden met voedselarm water. De diepte van deze wateren varieert van ca. 0,2 m langs de oevers tot ca. 1,5 -2,0 m in het midden van grotere vijvers. Sloten en veel vijvers zijn meestal minder dan 1 m diep. Waar oeverbeschoeiingen ontbreken, kan er sprake zijn van een geleidelijke overgang van een droog naar een nat milieu. Dit zien we vooral bij natuurtechnisch aangelegde vijvers en andere waterpartijen. De waterstand is nooit hetzelfde, maar fluctueert door natuurlijke omstandigheden. Voor veel water - en oeverplanten is dat niet ongunstig, als de fluctuatie maar tot ca. 30 cm beperkt blijft. Een kunstmatig hoog gehouden zomerpeil en laag gehouden winterpeil zijn voor de ontwikkeling van verschillende plantensoorten minder gunstig en kan er toe leiden dat sommige soorten verdwijnen. Waterplanten zijn zeer indicatief voor de kwaliteit van het water en vervullen een signaalfunctie voor veranderingen in de kwaliteit van het milieu. Ze reageren op de beschikbare hoeveelheid licht, voedselrijkdom en veranderingen in de chemische samenstelling van het water.
Maatvoering
De maatvoering van waterpartijen is arbitrair en hangt, meer dan bij andere milieus, sterk af van allerlei functies voor het water en de wensen van de gebruikers, bijvoorbeeld voor recreatie en natuurontwikkeling. In de eerste plaats is de maat van een watergang of ander waterlichaam afhankelijk van de benodigde waterbergingscapaciteit of de gewenste doorstromingssnelheid in verband met watertransport. Als de aanwezigheid van water - of oeverplanten gewenst is, moet men rekening houden met de remmende werking van deze planten. Dat betekent dat water met een afvoerende functie breder moet worden aangelegd dan voor de pure waterafvoer noodzakelijk zou zijn. De maatvoering hangt ook van andere omstandigheden af. Een sloot van 1 m breed en 0,6 m diep kan er al heel mooi uitzien, maar met een groter oppervlak en meer diepte zal deze sloot ook meer mogelijkheden bieden voor andere functies. Diepere sloten verdienen vooral de voorkeur vanwege de rol in de zuurstofvoorziening van dierlijke en plantaardige waterorganismen. Te ondiepe sloten warmen snel op, waardoor het water minder zuurstof kun bevatten. Een tijdelijk zuurstoftekort kan ernstige gevolgen hebben voor de waterkwaliteit en de daarin aanwezige organismen. De maatvoering hangt ook af van de vorm van de oevers. Flauwe oevers bieden meer mogelijkheden voor waterberging.
Top pagina
 
Betekenis voor de natuur
Water met een goede kwaliteit kan een aanzienlijke bijdrage leveren aan de stedelijke biodiversiteit. Waterplanten zijn onontbeerlijk voor de zuurstofvoorziening van waterorganismen in stilstaande of zwakstromende wateren. Als de watervegetatie op de juiste wijze en het juiste tijdstip goed wordt beheerd, kan deze een teveel aan voedingsstoffen uit het water opnemen waardoor de waterkwaliteit verbetert. Talloze gewervelde en ongewervelde waterdieren zijn van waterplanten afhankelijk. Vissen en salamanders foerageren erop en kunnen zich er op hun beurt tussen schuil houden voor hun predatoren.
Variatie in de vegetatiestructuur is van groot belang voor de verscheidenheid van de zoetwaterfauna. Tussen vegetaties met krabbescheer en sterrenkroos leeft een grote verscheidenheid aan faunistische elementen als slakken, kleine kreeftachtigen, waterkevers, waterspinnen, waterwantsen en larven van libellen, waterjuffers en waterkevers. Veel van deze dieren hebben een specifieke relatie met bepaalde waterplanten. De stekelbaars is geen spectaculaire vissoort, maar verlangt wel water van een redelijke kwaliteit om zich te kunnen handhaven. Waar dit visje voorkomt, trekt het opvallende vogelsoorten aan als dodaars en ijsvogel, omdat de stekelbaars voor deze vogelsoorten een belangrijke voedselbron is. In heldere wateren kan de snoek voorkomen, die kan worden gezien als een indicator voor een complex soortenrijk ecosysteem. Bloeiende waterplanten worden vaak bezocht door honingbijen en hommels. Behalve de genoemde dieren komen in en bij het water nog vele tientallen andere diersoorten voor, zoals de groene kikker, fuut, blauwe reiger en lepelaar, die voor de beleving van de stadsmensen een belangrijke rol spelen.
Top pagina
 
Recraetieve betekenis van watervegetaties
Waterpartijen dragen bij aan de esthetische kwaliteit van het landschap en de woonomgeving. Ze zijn van groot belang voor de recreatie, niet alleen als viswater maar ook voor andere vormen van natuurbeleving en natuureducatie. Waterplanten, vogels, amfibieën en andere kleine, met het blote oog nog goed zichtbare waterdieren spelen hierbij een belangrijke rol. In Apeldoorn kregen oude beeklopen weer een plaats in het stedelijk gebied. Dezelfde beken die 10 jaar geleden nog door een rioolpijp werden geleid, stromen nu zichtbaar door de stad en dragen bij aan de kwaliteit van het stedelijke landschap. Ook de afronding van het project “Water Werkt” in Beek en Ubbergen heeft vanaf 2002 de loop van het water in deze plaatsen fundamenteel veranderd. Schoon regen - en bronwater vloeit nu niet langer naar de riolering, maar komt ten goede aan natuur, milieu en woonomgeving. Het water is in de stad en in recreatieparken een plaats waar met rubberboten en kano's gevaren kan worden of waarop in een winter met vorst geschaatst kan worden.
Waterpartijen, zeker als ook de oevers hierin bijdragen, verfraaien het stedelijke landschap en kunnen bijdragen aan aantrekkelijke wandel - en fietsroutes. Met de laatste vormen van gebruik levert water ook een bijdrage aan de volksgezondheid. Omdat het water voor de leefbaarheid in het stedelijk gebied zo'n belangrijke rol speelt, is een goede waterkwaliteit van groot belang. De natuur en de gebruikerskwaliteit van water zal, alleen al door kwaliteitsverbetering, met forse schreden vooruitgaan. Vooral sinds 1990 krijgt dit aspect steeds meer aandacht van de waterschappen en locale overheden. Belevingswaarde en gebruikerskwaliteit worden steeds meer geïntegreerd in integraal waterbeheer.
Top pagina
 
Waterkwaliteit
Voor vrijwel alle functies is de waterkwaliteit van doorslaggevende betekenis. Op plekken waar de waterkwaliteit slecht is, is stadswater voor de flora en fauna van weinig betekenis. Dit water is hier meestal te voedselrijk en vaak verontreinigd. Er komen gelukkig steeds meer voorbeelden die laten zien welke betekenis een goede waterkwaliteit kan hebben voor flora en fauna. Vooral op plaatsen die sterk onder invloed staan van kwelwater en regenwater wordt een goed ontwikkelde waterflora aangetroffen. Bij planning, ontwerp en aanleg is het daarom van groot belang om kwelwaterstromen niet te verstoren en grond - en regenwater niet te veel te vermengen met water van mindere kwaliteit.
In Den Bosch waar veel vijvers (in ieder geval tot en met 1998) onder invloed van kwelwater stonden, kwamen tientallen waterplanten voor, die zowel faunistisch als esthetisch een belangrijke rol spelen. Watergentiaan, waterviolier, zwanebloem, krabbenscheer, waterranonkel en waterlelie zijn hier aangetroffen (Koster, 1991). Deze plantensoorten zijn, met uitzondering van de waterviolier, niet van kwelwater afhankelijk, maar kwelwater schept wel een gunstige voorwaarde voor hun voorkomen. Inmiddels zijn er veel gemeenten waar, door verbetering van de waterkwaliteit, de natuurwaarden in verschillende woonwijken aanzienlijk zijn toegenomen. Door op steeds grotere schaal gescheiden waterafvoer (gescheiden rioolstelsel voor regenwater en huishoudelijk water) toe te passen, zal deze kwaliteitsverbetering verder toenemen.
 
Waterkwaliteit kan aan de hand van de planten worden afgelezen
De waterkwaliteit is van essentieel belang voor de biodiversiteit en de belevingswaarde van water. Biodiversiteit en belevingswaarde hangen vaak nauw met elkaar samen. Waar het water verontreinigd is of sterk vervuild kan het afbreuk doen aan de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Vooral op warme zomerdagen, waarbij algenbloei ook de visuele kwaliteit sterk onder druk kan zetten. (Amsterdam 1999)
 
Kranswier groeit alleen in helder water.
 
Waterviolier groeit alleen in kwelwater: is meestal van goede kwaliteit
Top pagina
 
Inleiding beheer
Indien sloten en ondiepe vijvers volledig met rust worden gelaten, kunnen ze afhankelijk van de diepte en de dynamiek van het water in een periode van 5-20 jaar dichtgroeien (verlanden). Bij een grote toevoer van water moet het overtollige water snel kunnen worden afgevoerd. Sloten en vijvers mogen daarom niet te veel dichtgroeien met waterplanten, omdat dan een te grote stromingsweerstand wordt veroorzaakt en stagnatie in de waterafvoer kan ontstaan. Vooral in de lage en natte gedeelten van Nederland kan dit problemen veroorzaken. Waterlopen worden daarom regelmatig geschoond: planten worden uit het water verwijderd. De gewenste snelheid van de waterafvoer zou echter opnieuw kritisch moeten worden bekeken. Steeds vaker blijkt dat een te snelle waterafvoer op hogere plekken, wateroverlast kan bezorgen op lagere plekken. Naast het schonen moet er ook met een zekere regelmaat om de 3 tot 20 jaar worden gebaggerd. Schonen en baggeren mogen met het oog op de fauna niet in het groeiseizoen plaatsvinden. Op deze pagina wordt alleen op hoofdlijnen van het beheer ingegaan. Voor meer informatie wordt verwezen naar de literatuur.
Foto's waterbeheer
Duiker (klein) -- De waterafvoer kan in sommige situaties van groot belang zijn. Aan de grootte van de duiker is vaak al te zien of er in een korte tijd veel water afgevoerd moet worden (piekafvoer). Hier gaat het om een relatief smalle duiker in verhouding tot een vrij grote wateroppervlakte. In zo'n situatie is ruimte voor de groei van waterplanten.
 
Duiker (groot) -- Hier is sprake van een sterke waterstroming. Door de stroming wordt de groei van verstoppende waterplanten al beperkt. De duiker is hier bijna net zo breed als de beek. Waar dat bij stilstaande wateren het geval is, kan er sprake zijn van een geregelde sterke piekafvoer. In zulke situaties kunnen waterplanten de waterafvoer te veel belemmeren.
 
Maaisel -- Bij het beheer van natte vegetaties kunnen grote hoeveelheden maaisel worden geproduceerd. Vooral in te smalle watergangen belemmeren water en moerasvegetaties de doorstroming.
 
Beheer door schaduw -- Op plekken waar het water met een redelijke snelheid stroomt, kunnen schaduwvormers als bomen en struiken de groei van waterplanten op een effectieve manier tegen gaan. Bij stilstaand water is dat ook het geval. Maar doordat het afgevallen blad niet wordt weggespoeld, raakt de watergang op den duur verstopt met modderlaag van heel of halfverteerd blad.
 
Baggeren -- Afhankelijk van de baggeraanwas zal er ca. om de 15 tot 20 jaar moeten worden gebaggerd. Bagger mag vaak niet zomaar worden afgevoerd. Omdat de verwerking van bagger vrij kostbaar is (in verband met chemische verontreiniging) werd en wordt het vaak naast het waterlichaam opgeslagen. Een bloemrijk en enigszins gevarieerd grasland is dan niet meer mogelijk. Maar in het voorjaar kunnen hier nog wel bollen groeien (narcissen en krokussen). (Hoogeveen 2002)
 
Exoten -- Grotewaternavel Leidt tot ernstige economisch en ecologisch problemen. Doordat deze plant het water van het licht afsluit verdwijnen de meeste planten- en diersoorten. Daarnaast raakt de waterafvoer in veel smallere wateren door deze plant verstopt. Het kost de waterschappen vele tonnen in de toekomst wellicht miljoenen euro's om deze plant in toom te houden. Thans is grote waternavel een streng verboden soort (Zonderwijk, M. (2008). Grote waternavel. Natura 105 (4): 100-101.). (Amersfoort 2001)
 
Soms moet water worden in gelaten. Vooral al de kwaliteit van het in te laten water minder is dan op de plek waar het naar toe moet, moet de weg er naar toe zo lang mogelijk zijn. Door de opname van nutrienten kan de waterkwaliteit verbeteren.
Top pagina
 
Beheermethode
Vroeger verwijderde men waterplanten met handkracht. Voor de levende natuur was en is dat de beste methode. Tegenwoordig worden de planten meestal met een maaikorf uit het water verwijderd of met een maaiboot onder water afgemaaid. In sommige delen van ons land vindt men de plantengroei zo overweldigend, dat de maai - of veegboot meerdere malen per jaar wordt ingezet. Een intensief beheer is vaak niet noodzakelijk, vooral niet op plekken waar de waterkolom breder en/of dieper is dan voor de waterafvoer en -toevoer noodzakelijk is. De noodzaak van schonen is ook afhankelijk van de groeivormen van de waterplanten. Grof hoornblad, sterrenkroos en waterpest bijvoorbeeld zijn sterk verstoppende soorten. In mindere mate geldt dit voor andere ondergedoken waterplanten als vederkruid en sommige fonteinkruiden.
Het voordeel van de maaikorf is, dat die goed kan worden afgesteld. Er komt weinig bagger op de kant en veel waterdieren krijgen de kans om te ontsnappen. Voor de natuur is handkracht het beste, maar een maaikorf bediend door een vakman, die ook oog en hart voor de natuur heeft, is een redelijk alternatief voor grootschalig onderhoud. Als er een maaiboot wordt ingezet, is het vaak voldoende om alleen in het midden te maaien en de zijkanten van de waterkolom met rust te laten.
Afvoer schoningsmateriaal -- Om verrijking van de bodem en verstikking van de vegetatie op de oever te voorkomen moet het maaisel zo snel mogelijk worden afgevoerd. Het maaisel kan eventueel tijdelijk op een hoop worden gezet. Op plekken waar een bijzondere vegetatie ontbreekt, kan het maaisel enige dagen blijven liggen. Een gedeelte van de waterdieren die op de kant terecht zijn gekomen, kunnen dan naar het water terugkruipen.
Stoppelhoogte -- In tegenstelling tot de inzichten van ruim tien jaar geleden, moeten de waterplanten bij het schonen ruim boven de bodem, tot ca. 10 cm stoppelhoogte, worden gemaaid. Dit vraagt een hoge mate van vakbekwaamheid van de machinist.
In watergangen is slechts een klein gedeelte van de voedingsstoffen voor plantengroei in de open waterkolom aanwezig. Het overgrote deel van deze stoffen is op de bodem opgeslagen. Bij het schonen werd en wordt daarom ook wel het bovenste bodemlaagje verwijderd, maar dat heeft ook weer zijn nadelen. Verschillende soorten planten en dieren overwinteren in de weke bodem en sommige plantensoorten, onder andere waterlelie, hebben een baggerlaag nodig om te kunnen groeien. Er kunnen redenen zijn om toch een gedeelte van de baggerlaag mee te nemen, bijvoorbeeld het uitstellen van onderhoud. In dat geval is het wel van belang om het onderhoud gefaseerd uit te voeren. (zie Gefaseerd beheer).
Top pagina
 
Bagger en baggeren
Bagger bestaat grotendeels uit verteerde en halfverteerde resten van water- en oeverplanten. Op plekken waar bomen en struiken aanwezig zijn, kan de baggerlaag vrijwel volledig door afgevallen blad zijn ontstaan. In het stedelijk gebied kan ook afval een bijdrage aan de baggerlaag leveren. Met de aanvoer van water, inclusief de aanvoer via het aangrenzende land waaronder verhardingen/plaveisel, worden er ook gronddeeltjes aangevoerd die in de waterkolom bezinken.
Vroeger werden sloten en andere kleine watergangen met handkracht uitgebaggerd. De bagger werd met baggeremmers uit de sloot geschept en langs de slootkant te drogen gelegd. Hierna werd de bagger gewoonlijk gebruikt om de aangrenzende landbouwpercelen te bemesten. Deze methode is thans in de meeste gevallen om financiële redenen niet meer haalbaar. Bovendien is bagger vaak chemisch verontreinigd. Grootschalige baggerwerkzaamheden kunnen, net als de kleinschalige, in de tweede helft van september of de eerste helft van oktober plaatsvinden. Als de bagger niet te veel is vervuild of verontreinigd, is het aan te bevelen met het oog op bescherming van de fauna ca. 10% van de bagger ongemoeid te laten. Dit is bijvoorbeeld mogelijk langs oevers of op andere plekken waar baggeren minder urgent is.
Het gebruik van een krachtige (rijdende) baggerzuigpomp, waaraan een buizenstelsel is verbonden, is een goede baggermethode. De bagger kan dan buiten het gebied in containers worden verzameld en (eventueel na reiniging) worden afgevoerd. Als men voorzichtig werkt, veroorzaakt deze methode de minste schade aan de eventueel aanwezige bomen die langs de oever staan. Bovendien kan deze methode eventueel geheel vanuit het water worden uitgevoerd. Op plaatsen waar wel moet worden gebaggerd en de bagger wegens verontreiniging niet mag worden afgevoerd, moet de bagger in de buurt van het betreffende water worden opgeslagen. In principe is deze opslag van tijdelijke aard.
Verder is er vooral in Nederland met zijn zachte bodems ook sprake van oevererosie. Daarnaast kan bagger allerlei chemische en organische stoffen bevatten. Niet verontreinigde slootbagger kan een zeer positief effect hebben op natte, verzurende en te veel verschraalde schraalgraslanden. Soorten als dotterbloem en rietorchis profiteren hiervan. Slootbagger voegt meststoffen toe en verhoogt de pH van het water. Soorten die aan zure of verzurende bodems gebonden zijn, nemen uiteraard af. Zie Piek et al. (1997). Voor meer informatie over bagger en baggeren.
Top pagina
 
Gefaseerd beheer
Het schonen wordt gewoonlijk integraal uitgevoerd. In verband met bescherming van de aanwezige fauna is een gefaseerd beheer noodzakelijk; bij voorkeur steeds een gedeelte van 10 tot 30%. Als dat niet mogelijk is, kunnen de oevers ook bij toerbeurt worden geschoond. Als minimale ecologische beheermaatregel zou bij toerbeurt steeds ca. 10% (maar liefst meer) van het natte oevergedeelte ongemaaid moeten blijven. Dezelfde principes van fasering gelden nog sterker voor baggeren dat éénmaal in de 5 tot 20 jaar moet gebeuren. Integraal baggeren is zeer ingrijpend en funest voor de locale levensgemeenschappen, die aan kleine wateren zijn gebonden. Een nadeel van gefaseerd beheer is dat het de beheerkosten aanzienlijk kan verhogen. In de praktijk kan dit beheer slechts selectief en op kansrijke plekken voor de natuur worden toegepast.
Top pagina
 
Frequentie en tijdstip van schonen
Het schonen van sloten kan in verband met de overwinterende fauna, onder meer amfibieën, het beste van half september – half oktober plaatsvinden. Na die tijd mogen de dieren niet meer in hun winterrust worden gestoord. Stilstaande of zeer zwakstromende wateren, waar sprake is van een sterke baggeraanwas of een sterke verlanding door het afsterven van oeverplanten, kunnen beter in de tweede helft van september of begin oktober worden geschoond. Oevervegetaties die een te sterke, ongewenste verlanding veroorzaken, kunnen dan in één arbeidsgang worden meegemaaid.
De frequentie van schonen hangt sterk af van de functie, de diepte en de breedte van het water en de groeivorm van de aanwezige planten. Gewoonlijk zou schonen niet meer dan maximaal éénmaal per jaar mogen plaatsvinden. Vaker dan éénmaal per jaar schonen stimuleert juist de groei van de ondergedoken waterplanten en heeft vaak een averechts effect.
Frequentie en tijdstip baggeren
De frequentie van baggeren hangt sterk af van de aangroeisnelheid van de baggerlaag en de diepte, de stroomsterkte, het beheer en de functies van het water. In laagveengebieden kan de aangroeisnelheid variëren van ca. 5 tot 10 cm per jaar, op minerale bodems ligt deze rond de 1 cm per jaar. Het is duidelijk dat er in ondiepe wateren kritischer naar de baggerlaag gekeken moet worden dan in diepe wateren. Bagger vermindert door het verteren van de organische stof de zuurstofconcentratie in het water. Daarnaast wordt de waterkolom voedselrijker naar mate de baggerlaag dikker wordt. Dit kan weer leiden tot een kroosdek en/of een extreme groei van alg. De biodiversiteit en de belevingswaarde van zulke wateren nemen dan sterk af. Net als het schonen kan het baggeren het beste rond de tweede helft van september of begin oktober plaatsvinden. Waar jaarlijks een rijke aanwas van bagger is, moeten ondiepe wateren (in het bijzonder water af- en toevoerende sloten) om de 3 tot 5 jaar worden gebaggerd. Voor minerale bodems ligt de frequentie rond de 10 tot 15 jaar. Afhankelijk van de waterdiepte en andere factoren kan dat uitlopen tot ongeveer 20 jaar. De frequentie is niet alleen een kwestie van meten en weten, maar vooral ook van ervaring in een bepaald gebied. In ondiepe sloten en andere wateren minder dan 50-60 cm diep mag de baggerlaag niet dikker zijn van 10 cm. Als dat meer wordt, moet baggeren worden overwogen.
Top pagina
 
Verbreding watergangen
Door sloten, vijvers en andere watergangen breder aan te leggen dan voor de afwatering noodzakelijk is, kan de beheerfrequentie afnemen. De natuurwaarde en recreatieve betekenis van het water kunnen daardoor juist sterk toenemen. Door minder frequent beheer vindt er ook minder verstoring plaats, waardoor de planten ook minder hard groeien. Voor het aanleggen van overgedimensioneerde wateren, vooral als extra capaciteit in de diepte wordt gezocht, moet wel het effect op het grondwater in de omgeving worden onderzocht. Te diepe sloten die het kwelwater wegvangen, zijn nadelig voor de ecologische kwaliteit elders in het landschap. Dit effect moet dus in ieder geval worden voorkomen. Brede watergangen hebben bovendien het voordeel dat ze meer water kunnen bergen en daardoor kunnen bijdragen aan een vermindering van wateroverlast verder stroomafwaarts.
Een verbrede watergangen
Top pagina
 
Beheer door schaduw
Waterplanten met drijfbladeren zoals waterlelie, watergentiaan en drijvend fonteinkruid hebben een veel minder remmende werking op de waterstroming. Het voordeel van deze planten is dat ze door hun schaduwwerking de groei van de ondergedoken waterplanten onderdrukken zonder de kwaliteit van het water te verminderen. Onder een massief dek van kleine drijfbladplanten, zoals kroos, is nauwelijks plantengroei mogelijk. Als men de grote drijfbladplanten in een te vroeg stadium maait, bereikt men een averechts effect. Net als bij het kappen van bomen kan door de toename van invallend zonlicht juist een snelle plantengroei optreden. Vooral door het gebruik van de veegboot wordt een extreme storing van de waterkolom veroorzaakt. De werking van de schroef en het losschoffelen van de planten woelen de weke bovenlaag van de bodem om. Hierdoor komen extra voedingsstoffen in de waterkolom en wordt het water roebel. De schaduwwerking van houtige beplantingen langs waterkanten kan eveneens de groei van waterplanten onderdrukken. Een nadeel is dat bladval in stilstaande wateren kan leiden tot een snelle aanwas van de modderlaag. Rottend blad onttrekt bovendien zuurstof aan het water. Schaduw verhindert niet alleen de groei van planten, maar als neveneffect wordt daardoor ook het zuurstofgehalte verminderd dat door waterplanten wordt verhoogd.
Brasem en graskarpers
Brasem heeft de gewoonte de bodem om te woelen, waardoor het water sterk vertroebelt en de lichtbehoevende flora en fauna verdwijnt. In sommige gemeenten heeft men graskarpers ingeschakeld ter bestrijding van waterplanten. Doordat graskarper vrijwel alles wegvreet, worden de wateren (meestal vijvers) waarin ze zijn uitgezet, gekenmerkt door weinig natuur - en belevingswaarde. Dit beheersysteem moet echter worden ontraden met het oog op verschillende neveneffecten, als mineralisatie van het water door slecht verteerde uitwerpselen. Kleine wateren die door middel van graskarpers worden beheerd, zijn wel geschoond van waterplanten, maar in de meeste opzichten niet bijster interessant. Door deze vissen weg te vangen kan het water weer helder worden en ook de diversiteit in de soorten van de visstand toenemen. Gelukkig beginnen ook hengelsportverenigingen dat steeds meer te beseffen. Omdat bij veel hengelsportverenigingen een aanzienlijke kennis over waterkwaliteit en voorwaarden voor een diverse visstand aanwezig is, is het raadzaam deze bij planning, ontwerp en beheer te betrekken. Hengelsportverenigingen beginnen zich steeds meer te realiseren dat oevers ook voor andere gebruikers van belang zijn en dat de oeverbegroeiing daarom niet overal vertrapt dient te worden.
Top pagina
 
Verbetering van de waterkwaliteit
Het verbeteren van de waterkwaliteit is de beste methode om de groei van waterplanten te beperken en de biologische verscheidenheid te bevorderen. Dat proces begint uiteraard bij de bron van de vervuiling.
Riooloverstort tegengaan door invoering van een gescheiden rioleringstelsel, bovengrondse regenwaterafvoer, of gebruik te maken van een bergingbassin.
Geen gebiedsvreemd water van mindere kwaliteit binnen laten.
Regen - en grondwater vast houden is meestal beter dan gebiedsvreemd water inlaten. Eventueel in de winter een hoger waterpeil tolereren en in de zomer een lager peil.
Water van schoon naar vuil laten stromen of van matig voedselrijk naar voedselrijk.
Bemesting voorkomen van wateren die grenzen aan landbouwpercelen.
De brasemstand zo laag mogelijk te houden. Dat betekent het uitzetten van deze vissoort tegengaan en het te veel aan brasem van tijd tot tijd wegvangen.
Helofytenfilters aanleggen op plaatsen waar water van mindere kwaliteit binnen stroomt. (Voor beheer: zie Verlanding en Oevervegetaties).
Van tijd tot tijd verontreinigde bagger verwijderen.
Waterstroming bevorderen en vergroten van het wateroppervlak in verband met de zuurstofvoorziening.
Top pagina
 
Waterstroming en Botulisme
Waterstroming -- In gesloten systemen kan het water langzaam worden rond gepompt, uiteraard met wind - of zonne-energie. Doorgaans is het zo dat hoe langzamer het water door het helofytenfilter stroomt, des te groter het zuiverend effect is. Op plaatsen waar gebiedsvreemd water moet worden binnengelaten, bijvoorbeeld in een park, zou men de toevoerende waterloop kunnen verlengen door hem te laten slingeren. Hoe langer de weg die het water moet afleggen, des te groter is de verbetering van de waterkwaliteit. Vooral als de voorgaande maatregel samengaat met de aanwezigheid van een helofytenfilter en ondergedoken waterplanten. Door de aanleg van verbrede sloten of vijvergedeelten, die door een duiker met het hoofdaan - of afvoersysteem worden verbonden, zou men gebiedseigen water (kwel - en regenwater) kunnen vasthouden. Vooral de combinatie van een zuiverende moerasvegetatie, kan zeer effectief zijn. Omdat het water niet direct kan wegstromen, zullen er peilschommelingen optreden. Bij het ontwerp van oevers moet hier rekening mee worden gehouden.
Botulisme -- In warme perioden worden we nu en dan opgeschrikt door botulisme. Botulisme is een ziekte die wordt veroorzaakt door de botulisme-bacterie. Deze bacterie scheidt een gif af waardoor ongewervelde dieren zoals insecten, slakken en mosselen worden gedood. Watervogels die deze dieren eten, raken door het gif verlamd en zijn na enige tijd niet meer in staat om te lopen of te vliegen en zullen daardoor uiteindelijk verhongeren of verdrinken. Dode vogels zijn weer een voedselbron voor vliegen, die er eitjes op af zetten. De maden, die zich eruit ontwikkelen en waarin het gif zit, worden ook weer door vogels gegeten. Door de aanwezigheid van het gif in deze voedselketen kan het botulisme zich snel verbreiden.
Stilstaande ondiepe wateren met een dikke modderlaag zijn het meest vatbaar voor botulisme. Op tijd baggeren, doorspoelen van water en verhoging van het zuurstofgehalte (door middel van stroming of een fontein) verkleinen de kans op deze vergiftiging. Hoe beter de waterkwaliteit is, des te lager is der kans op het optreden van botulisme. Ook het ontmoedigen van het voeren van eenden (vooral in de zomer) is bevorderlijk voor de waterkwaliteit en zal de preventie van botulisme bevorderen. Als botulisme wordt geconstateerd, moet de waterstand worden verlaagd en dode dieren worden verwijderd en verbrand om verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen.
terug naar.
Top pagina
 
Bagger/Waterverontreiniging    
 
Arseen en zware metalen ---- Polychloorbifenyl en organochloorn ----- Polycyclische aromatische koolwaterstoffen en DTT
Minerale olie
 

Baggeren op vervuilde bodems -- Waar de bodem sterk is vervuild, is het aan te bevelen om ook het water volledig weg te pompen. Het resultaat moet een volledig schoon en “droog” profiel zijn, dat zich geleidelijk aan weer vult met “schoon” bodem - en regenwater. Deze baggermethode is een zeer kostbare aangelegenheid en zal bij kleinschalige objecten daarom in één fase moeten worden uitgevoerd. Een tijdelijke vermindering van de biodiversiteit zal dan moeten worden geaccepteerd. De diersoorten die in het water leven, zullen in elk geval tijdelijk grotendeels verdwijnen. Deze zeer ingrijpende beheermaatregel kan hier het beste buiten het groeiseizoen (late herfst-winter) plaatsvinden. Als er sprake is van bijzondere soorten of andere soorten die men wil behouden, kan men proberen om ruim voor het baggeren plaatsvervangende milieus aan te leggen, gecombineerd met het wegvangen van de meest kwetsbare dieren. In deze gevallen moeten er steeds deskundigen worden geraadpleegd. Het betreft de soorten die in de naaste omgeving niet voorkomen en waarvan het vermoeden bestaat, dat ze zich niet of moeilijk zullen hervestigen. Het is dan raadzaam om de Vogel - en Habitatrichtlijn te raadplegen. Dergelijke grote ingrepen worden meestal al jaren van te voren gepland. Er is dan vaak nog voldoende tijd om voor de meer kwetsbare soorten maatregelen te treffen. Voor het tijdstip van het uitvoeren van de overige baggerwerkzaamheden wordt verwezen naar de eerder genoemde periode in de tweede helft van september. Voor afvoer en verwerking van bagger wordt verwezen naar o.a. de internet pagina: www.waterbodem.nl

Bagger bevat allerlei chemische en organische stoffen. Veel van deze stoffen kunnen tot problemen leiden als ze in te hoge concentraties voorkomen. De voornaamste daarvan zijn: arseen, zware metalen zoals cadmium, chroom, kwik, nikkel, lood, zink, verder polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenyl (PCB), organochloor, minerale olie en DTT.

 
 
 
Arseen

Arseen is een zeer giftige niet-organische stof.

Risico's – Een overdosis arseenverbindingen kan bij waterdieren tot veranderingen in het erfelijk materiaal leiden. Mensen die in contact staan met deze stof hebben een verhoogde kans op huid-, long- en leverkanker.
Zware metalen (1) Tot de zware metalen wordt een groep metalen gerekend, die enigszins vergelijkbare eigenschappen hebben. Het soortelijk gewicht is > 5 gr/cm 3 . Deze stoffen komen in de natuur voor en zijn niet-organisch. De metalen cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink worden bij deze groep ingedeeld. Meestal wordt het metalloïde (halfmetaal) arseen ook tot deze groep gerekend. Risico's -- Het belangrijkste aspect van de giftigheid van zware metalen is dat metaalionen graag een chemische verbinding aangaan met zwavelgroepen in eiwitten. Eiwitten komen in elke cel voor en de structuur van het eiwitmolecuul bepaalt de biologische functie. Een eiwit wordt onherstelbaar beschadigd door de verbinding met metaalionen en kan zijn functie niet meer uitoefenen. Eencellige organismen, zoals bacteriën, gaan dood. Dezelfde eigenschap van zware metalen zorgt er bovendien voor dat ze zich kunnen ophopen in het vetweefsel van dieren en daarin concentraties kunnen bereiken, die tot vergiftiging leiden. Dit bedreigt vooral dieren, die dicht bij of aan de top van een voedselpyramide staan, zoals een meeuw of de zeehond. Bron: www.waterbodem.nl

Zware metalen zijn metalen met een relatief grote dichtheid, zoals lood, kwik, zink, arseen en cadmium. Ze komen in de natuur voor en zijn vaak nodig voor bepaalde natuurlijke processen. In hogere concentraties zijn ze meestal giftig. Zware metalen komen vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen en bij industriële processen in olieraffinaderijen en de metaalindustrie. Ook zitten zware metalen in vuurwerk, verfpigment (cadmium), batterijen (nikkel of cadmium) en dakbedekking (zink). De metalen zijn meestal gebonden aan kleine stofdeeltjes, waardoor ze gemakkelijk ingeademd kunnen worden en in de longen kunnen doordringen. Risico's -- De gevolgen van blootstelling aan te hoge concentraties zware metalen kunnen ernstig zijn. Zware metalen tasten het immuunsysteem, de stofwisseling, het zenuwstelsel en de hormoonhuishouding aan. Als zwangere vrouwen eraan worden blootgesteld, kan dit bij het ongeboren kind leiden tot aangeboren afwijkingen en gedragsstoornissen. Gelukkig dalen de concentraties zware metalen in de lucht. De loodconcentratie is sinds 1984, na de invoering van loodvrije benzine, met meer dan 92% drastisch afgenomen. Bron: www.nsdo.nl/pagina.html?id=10147 (pag. niet meer actief)

Bagger-Waterveronteiniging
 
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) zijn teerachtige stoffen, die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofhoudende materialen als hout, fossiele brandstoffen, tabak of levensmiddelen. Risico's -- Mensen komen in het dagelijks leven regelmatig in contact met PAK's. Het roken van tabakswaren is voor mensen de belangrijkste PAK contactbron. De kankerverwekkende effecten van het roken op het menselijk lichaam zijn dan ook breed bekend. Het extra risico de mens voor dat ontstaat bij een PAK verontreiniging van de waterbodem is daarmee vergeleken relatief laag. De nadelige effecten voor organismen in de watergang zijn veel duidelijker aantoonbaar. Een PAK verontreiniging van de waterbodem kan bij bodemorganismen verminderde vruchtbaarheid en het ontstaan van tumoren tot gevolg hebben. Tevens kunnen PAK's in het lichaam van deze organismen accumuleren. Bron: www.waterbodem.nl

 
DDT

Dichloor-difenyltrichloor- ethaan (DDT) is een zeer moeilijk afbreekbare stof die vooral werd gebruikt voor het doden van insecten. In Nederland werd DDT in land - en tuinbouw en in particuliere tuinen tot in de tweede helft van de vorige eeuw gebruikt. Risico's -- DDT is niet erg giftig voor mensen, maar wel in hoge mate toxisch voor insecten en het is persistent. Het grootste nadeel van DDT is echter dat het goed in vet oplosbaar is. Daardoor accumuleert het in de voedselketen. Het is al lang goed gedocumenteerd dat vooral dieren aan het eind van de voedselketen daardoor grote schade hebben ondervonden. Groeiende publieke bezorgdheid, onder andere gevoed door het boek ‘Silent spring' van Rachel Carson uit 1962, en het beschikbaar komen van andere bestrijdingsmiddelen zorgden ervoor dat het gebruik van DDT steeds meer onder vuur kwam te liggen. Bron: www.rijnland.net (pag. niet meer actief)

Bagger-Waterveronteiniging
Polychloorbifenyl

Polychloorbifenyl is een verzamelnaam voor ca. 200 stoffen. PCB's zijn zeer stabiele en onder natuurlijke omstandigheden zeer moeilijk afbreekbare verbindingen. PCB's blijven daardoor lang in het milieu aanwezig. Risico's -- PCB's kunnen leverschade veroorzaken en het optreden van kanker bevorderen. Ze kunnen geboorteafwijkingen veroorzaken en het afweersysteem aantasten. Ook kunnen PCB's een verstorende invloed uitoefenen op de hormoonhuishouding, zowel van de geslachtshormonen als van de schildklierhormonen. Verminderde vruchtbaarheid kan hiervan het gevolg zijn. Bij verontreiniging van waterbodems met PCB's komen deze stoffen ook veel voor in vis en viseters. Doordat PCB's zo moeilijk afbreekbaar zijn, hopen ze zich op in het vetweefsel van dieren. Schadelijke effecten treden daardoor vaak op bij roofdieren aan het einde van de voedselketen. Zeehonden sterven pas in een periode dat deze dieren hun vetreserves gaan aanspreken bij voedselschaarste of verzwakking door ziekte. De vergiftiging kan zo ernstig zijn dat de dode dieren als chemisch afval moeten worden behandeld.

Verontreinigende stoffen als PCB's krijgt de mens binnen via de voeding en worden opgeslagen in ons lichaamsvet. Al in de baarmoeder wordt een baby blootgesteld aan de PCB's in het vet van de moeder. Ook de moedermelk bevatten PCB's, die in verband worden gebracht met het veroorzaken van verstoring van de ontwikkeling van jonge kinderen.

Bron:http://nl.wikipedia.org/wiki/Polychloorbifenyl
 
Organochloor

Organochloor (OCB) zit in allerlei onkruidbestrijdingsmiddelen zoals lindaan, dieldrin en hexachloorbenzeen. Het zijn persistente verbindingen die jarenlang in de baggerlaag aanwezig blijven. Risico's -- OCB's kunnen zich in het lichaam van dieren ophopen. Dit kan leiden tot sterfte door acute vergiftiging (vissen, vogels), groei - en reproductiestoornissen en tot nadelige effecten op de habitat of verblijfsomstandigheden voor soortgroepen of bepaalde organismen. Directe effecten doen zich voornamelijk voor op de flora bij het gebruik van herbiciden in landbouwgebieden, bermen en openbaar groen. Al dan niet in combinatie met een hoge mestgift heeft dat geleid tot een zeer sterke verarming van de botanische samenstelling van graslanden, wegbermen en akkers. Via atmosferische depositie hebben bestrijdingsmiddelen ook op grotere afstand van landbouwgebieden een impact op de natuur, voornamelijk op de flora. Bron:www.rijnland.net (niet meer actief)

Bagger-Waterveronteiniging
 
Minerale olie

Minerale olie is een mengsel van oplosbare en niet-oplosbare stoffen. De niet-oplosbare stoffen in olie kunnen in water een drijvende laag vormen. Een minerale olieverontreiniging wordt vaak samen aangetroffen met een verontreiniging met aromaten. Risico's -- De milieueffecten van minerale olie zijn sterk afhankelijk van het type olie. Bij de lozing van afvalolie door schepen kan een intensieve menging optreden van de olie met het omliggende water. De olie kan zich hierdoor gemakkelijker hechten aan zwevend materiaal, zoals slibdeeltjes. Deze slibdeeltjes worden vervolgens door bodemdieren opgenomen. Het is nog onduidelijk hoe de giftigheid van minerale olie precies tot stand komt. De nadelige effecten op waterorganismen kunnen veroorzaakt worden door het slecht functioneren van dieren wanneer kieuwen besmeurd raken. Tevens kan de fysiologie van organismen verstoord raken door de opname van minerale olie in het lichaam. Lichte olie zal eerder in de voedselketen worden opgenomen dan de zwaardere olie.Bron: www.waterbodem.nl

Bagger-Waterveronteiniging