Zaaidichtheid
Herstel autochtone akkerflora (Max. 1 gram per m2)
Als herstel van de autochtone (regionaal inheemse) akkerflora het doel is moet dat altijd gepaard gaan met onderzoek. Als er geen deskundigen kunnen worden ingeschakeld. Is het beter om niet direct in te zaaien maar eerst een aantal jaren (5-10 soms 20) af te wachten en de akkerrand te beheren zoals is aan gegeven. Als dit niets oplevert kan inzaaien worden overwogen. Voor andere terreinen zoals volkstuinen is dat niet nodig omdat de doelstellingen anders zijn.
Zaadbank
Hoe langer de periode van intensieve landbouw (inclusief bemesting en gebruik van pesticiden) is geweest des te kleiner de kans dat er nog zaden van typische akkeronkruiden in de bodem (zaadbank) voorkomen. Toch is het lastig om dat met zekerheid te bepalen. Op de Emminkhuizerberg (tussen Renswouden en Veenendaal) wordt zeker al sinds 1972 zeer intensief maïs geteeld die soms pleksgewijs wordt afgewisseld met bieten of graan. Dit ging gepaard met zware overbemesting. Toen ca, 2005 een nieuwe voederkuil voor maïs werd gegraven groeide op de relatief humusarme zandige afdeklaag tientallen planten van korensla! Het lemige zand was naast de kuilplaats uitgegraven en lag in de akker op ca. 50 m van de weg.
De hoogste graad van voorzichtigheid
De hoogste graad van voorzichtigheid is geboden op akkers die in oude cultuurlandschappen of in de buurt van akkerreservaten liggen. Verder moet men zeer kritisch zijn voor locaties die binnen de ecologische hoofdstructuur liggen. Het inzaaien van allerlei exotische planten kan leiden tot bastaardering met inheemse soorten. Dat kan ook weer gevolgen hebben voor de fauna. Lokale natuurbeheerders van Staatsbosbeheer, de Provinciale landschappen en Natuurmonumenten zijn zeer zeker in staat om een betrouwbaar advies te geven.
Zaai op andere plekken zo weinig in als je durft
Een regel voor bermen en taluds bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer (1980-1990) was: zaai zo weinig in als je durft. Dit geldt ook voor akkerranden. In die periode werden bermen en taluds ingezaaid met 30 tot 100 kg graszaad per ha terwijl de Adviesgroep Vegetatiebeheer een maximum van 15-20 kg graszaad per ha aanhield en voor akkeronkruiden 10 kg /ha. Deze regel geldt nog steeds: alles wat je zelf uitzaait belemmert in principe de ontwikkeling van andere planten die van nature in de bodem voorkomen. Toch zijn er aanleidingen om in te zaaien. De hoeveelheid zaad hangt af van de doelstelling.
Herstel akkerfauna en flora (Max. 1 gram per m2)
Een ouderwetse bloemrijke akkerrand is goed voor de fauna onder meer voor vogels, zoogdieren, vlinders en bijen. Als dat samen gaat met punt 1, is bovenstaande van toepassing. Als dat niet zo is, is er wat meer speling voor de beheerder om sneller in te zaaien. Om ook andere plantensoorten toch nog kansen te geven niet meer dan 1 gr/m2. Als het bevorderen van biodiversiteit het doel is, moet er eveneens zaden worden gebruikt die van echte lokale inheemse planten afkomstig zijn. Als dat niet lukt dat is de biologische zaadteler het beste.
Dracht (voedsel voor honingbijen) (Max. 2 gram per m2)
Onder ideale omstandigheden zijn ouderwetse bloemakkers aanwezig. Dit is alleen nog het geval in akkers die als natuurreservaat worden beheerd. Als er geen herstel van de akkerflora wordt beoogd, is er meer speling voor inzaaien. Maar ook hier verdient echt inheems materiaal steeds de voorkeur. Indien gekoppeld aan natuurdoelstellingen niet meer dan 1gr/m2. Als die geen rol spelen tot max. 2 gr/m2. Als drachtplanten als landbouwgewas worden ingezaaid - bijvoorbeeld Phaceliaranden, zonnebloemen etc.- gelden andere uitgangspunten. Het maakt dan niet uit of men bieten teelt of wat anders. Maar het risico van genetische vervuiling blijft wel aanwezig als er zogenaamde inheemse akkeronkruiden worden ingezaaid waarvan de zaden afkomstig zijn van niet inheems plantmateriaal of cultivars. Dichte Phaceliaranden of akkerranden met andere niet invasieve exoten kunnen het beste worden aangelegd langs akkers waar op het gebied van biodiversiteit geen enkele eer meer te halen valt.
Biologische bestrijding van plaagdieren (Max. 2 gram per m2)
Bloemrijke kruidenranden zijn goed voor predatoren die een rolspelen bij de biologische bestrijding. Als boven genoemde punten geen rol spelen kan er iets dichter worden ingezaaid, vooral als dat gepaard gaat met recreatieve doelstellingen en/of drachtverbetering.
Recreatie (Max. 2 gram per m2)
Doelstellingen van recreatie kunnen samengaan met punten 1-4. Maar ook als die geen rol zouden spelen moet er toch kritisch worden ingezaaid. Exotische soorten en cultivars moeten in het buitengebied zoveel mogelijk worden geweerd. In lokaal situaties waar de autochtone akkerflora vrijwel geen kansen meer heeft is er iets meer speling. Deskundigen zullen hierbij moeten worden ingeschakeld omdat te bevestigen. Op invasieve soorten heerst een taboe in het buitengebied.
Mee zaaien van graan (Max. 0,1-1,0 gram per m2 of 50-80kg/ha)
Afhankelijk van de doelstelling van punt 1-5 ca 2gr/m2 graan en 0.1-1,0 gr akkerkruiden mengsel.
Als het om laag productieve akkers of akkerranden gaat wordt er voor winterrogge 60 kg/ha, voor wintertarwe 80 kg/ha en voor zomergraan 50 kg/ha aanbevolen. Dit geldt dus het meest voor punt 1( herstelbeheer van de autochtone akkerflora). Zie: Bakker, P. & A. van der Berg (2000). Beschermingsplan akkerplanten. Directie Natuurbeheer, Ministerie van Landbouw en Visserij, Den Haag, pag. 71.
Vergrassing en jaarlijks inzaaien
Als vast staat dat akkerranden niet op een wijze beheerd kunnen worden die gunstig is voor de akkerflora is het de vraag of men hier aan moet beginnen. Grazige of ruige stroken kunnen ook een hoge biodiversiteit herbergen. Meestal treedt zonder het juiste beheer binnen enkele jaren een sterke vergrassing of verruiging op. Het ontwikkelen van bloemrijke akkerranden is meer dan inzaaien en eenmaal per jaar ploegen.
Inzaaien na de eerste ploeg-, of spitbeurt?
Als er een zaadvoorraad met de gewenst soorten in de grond aanwezig is hoeft er niet te worden ingezaaid. In principe zou een keer zaaien voldoende moeten zijn. Op de meeste plekken ontbreken de gewenste soorten en bij de eerste ploegbeurt kunnen de zaden van de eerste generatie planten te diep in de grond komen waardoor ze niet ontkiemen. Bij een volgende ploegbeurt komen die weer gedeeltelijk aan de oppervlakte. Als je daar niet op wilt wachten, kan een extra zaaibeurt (met minder zaad) een uitkomst bieden Kleine oppervlakte zouden met een riek of een greep nog een keer omgewoeld kunnen worden zodat er ook zaden aan de oppervlakte komen. De beste garantie voor een diverse akkerbegroeiing is jaarlijks de grond omwoelen en wortelstokken van overjarige planten verwijderen. Afhankelijk van de doelstelling kan er altijd worden bij gezaaid.