|
||||
Het inzaaien van akkerranden moet per locale situatie altijd met deskundigen worden overlegd. Onderstaande tekst geeft alleen aan waar men aan moet denken als men van plan is om akkerranden kunstmatig bloemrijker te maken. |
||||
Akkerranden worden de laatste decennia en vooral de laatste jaren veel ingezaaid. Met welk doel en met welke zaaidichtheid? Een regel voor bermen en taluds bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer (1980-1990) was: zaai zo weinig in als je durft. Dit geldt ook voor akkerranden. In die periode werd er met gemak 100 kg graszaad per ha uitgezaaid terwijl de Adviesgroep Vegetatiebeheer een maximum van 15-20 kg graszaad per ha aanhield en voor akkeronkruiden 10 kg /ha. Deze stelregel geldt nog steeds: alles wat je zelf uitzaait belemmert in principe de ontwikkeling van andere planten die van nature in de bodem voorkomen. Toch zijn er aanleidingen om in te zaaien. De hoeveelheid zaad hangt af van de doelstelling. |
||||
| 1. Herstel autochtone akkerflora (Max. 1 gram per m2) | ||||
Als herstel van de autochtone (regionaal inheemse) akkerflora het doel is moet dat altijd gepaard gaan met onderzoek. Als er geen deskundigen kunnen worden ingeschakeld. Is het beter om niet direct in te zaaien maar eerst een aantal jaren (5-10 soms 20) af te wachten en de akkerrand te beheren zoals is aan gegeven. Als dit niets oplevert kan inzaaien worden overwogen. Bij voorkeur moet het zaad gewonen zijn van een plek uit de omgeving of worden afgenomen van bedrijven die gespecialiseerd zijn in het kweken van autochtoon plantmateriaal en het winnen van zaden daarvan. Als daar een mogelijkheid voor is, kan men in de jaren die men moet afwachten zelf zaad telen van eigen gewonnen materiaal. Als het milieu geschikt is en het beheer optimaal kan met weinig zaad een begin wordt gemaakt. 0,5 -1,0 gr/ha. Is in dit geval voldoende. |
||||
Hoe langer de periode van intensieve landbouw (inclusief bemesting en gebruik van pesticiden) is geweest des te kleiner de kans dat er nog zaden van typische akkeronkruiden in de bodem voorkomen. Toch is het lastig om dat met zekerheid te bepalen. Op de Emminkhuizerberg (tussen Renswouden en Veenendaal) wordt zeker al sinds 1972 zeer intensief maïs geteeld die soms pleksgewijs wordt afgewisseld met bieten of graan. Toen ca, 2005 een nieuwe voederkuil voor maïs werd gegraven groeide op de relatief humusarme zandige afdeklaag tientallen planten van korensla! Het lemige zand was naast de kuilplaats uitgegraven en lag in de akker op ca. 50 m van de weg. |
||||
De hoogste graad van voorzichtigheid is geboden op akkers die in oude cultuurlandschappen of in de buurt van akkerreservaten liggen. Verder moet men zeer kritisch zijn voor locaties die binnen de ecologische hoofdstructuur liggen. Locale natuurbeheerdes van Staatsbosbeheer, de Provinciale landschappen en Natuurmonumenten zijn zeer zeker in staat om een betrouwbaar advies te geven. |
||||
| 2. Herstel akkerfauna (Max. 1 gram per m2) | ||||
Een ouderwetse bloemrijke akkerrand is goed voor de fauna onder meer voor vogels, zoogdieren, vlinders en bijen. Als dat samen gaat met punt 1. Is bovenstaande van toepassing. Als dat niet zo is, is er wat meer speling voor de beheerder om sneller in te zaaien. Om ook andere plantensoorten toch nog kansen te geven niet meer dan 1 gr/m2. Als het bevorderen van biodiversiteit het doel is. Moet er eveneens zaden worden gebruikt die van echte locale inheemse planten afkomstig zijn. |
||||
| 3. Dracht (voedsel voor honingbijen) (Max. 2 gram per m2) | ||||
Onder ideale omstandigheden zijn ouderwetse bloemakkers aanwezig. Dit is alleen nog het geval in akkers die als natuurreservaat worden beheerd. Als er geen herstel van de akkerflora wordt beoogd, is er meer speling voor inzaaien. Maar ook hier verdient echt inheems materiaal de voorkeur. Indien gekoppeld aan natuurdoelstellingen niet meer dan 1gr/m2. Als die geen rol spelen tot max. 2 gr/m2. Als drachtplanten als landbouwgewas worden ingezaaid - bijvoorbeeld Phaceliaranden, zonnebloemen etc.- gelden andere uitgangspunten. Het maakt dan niet uit of men bieten teelt of wat anders. Maar het risico van genetische vervuiling blijft wel aanwezig als er zogenaamde inheemse akkeronkruiden worden ingezaaid waarvan de zaden afkomstig zijn van niet inheems plantmateriaal of cultivars. |
||||
| 4. Biologische bestrijding van plaagdieren (Max. 2 gram per m2) | ||||
Bloemrijke kruidenranden zijn goed voor predatoren die en rolspelen bij de biologische bestrijding. Als boven genoemde punten geen rol spelen kan er iets dichter worden ingezaaid, vooral als dat gepaard gaat met recreatieve doelstellingen en/of drachtverbetering. |
||||
| 5. Recreatie (Max. 2 gram per m2) | ||||
Doelstellingen van recreatie kunnen samengaan met punten 1-4. Maar ook als die geen rol zouden spelen moet er toch kritisch worden ingezaaid. Exotische soorten en cultivars moeten in het buitengebied zoveel mogelijk worden geweerd. In lokaal situaties waar de autochtone akkerflora vrijwel geen kansen meer heeft is er iets meer speling. Deskundigen zullen hierbij moeten worden ingeschakeld omdat te bevestigen. Op invasieve soorten heerst een taboe in het buitengebied. |
||||
| Meezaaien van graan (Max. 0,1-1,0 gram per m2 of 50-80kg/ha) | ||||
Afhankelijk van de doelstelling van punt 1-5 ca 2gr/m2 graan en 0.1-1,0 gr akkerkruiden mengsel. |
||||
| Vergrassing | ||||
Als vast staat dat akkerranden niet op een wijze beheerd kunnen worden die gunstig is voor de akkerflora kan men afvragen of men er aan moet beginnen. Grazige of ruige stroken kunnen ook een hoge biodiversiteit herbergen. Meestal treedt zonder het juiste beheer een sterke vergrassing of verruiging op. Het ontwikkelen van bloemrijke akkerranden is meer aan inzaaien en eenmaal per jaar ploegen. |
||||