Bijen als instrument voor evaluatie ecologisch groenbeheer ---  
- Wat heeft ecologisch groenbeheer voor de fauna tot nu toe betekend?
- Wat zijn de resultaten van onderzoek naar wilde bijen in het stedelijk gebied? ----
- Zorg voor biodiversiteit
- Hangen biodiversiteit en ecologische kwaliteit met elkaar samen?
- Vormen wilde bijen een graadmeter voor ecologische kwaliteit?
- Kan de ecologische Kwaliteit aan de hand van wilde bijen worden beoordeeld?
- Welke kwaliteitskenmerken kunnen daarvoor worden gebruikt?
Wat heeft ecologisch groenbeheer voor de fauna tot nu toe betekend?
Plantensoorten kunnen worden uitgezaaid of aangeplant, maar de ontwikkeling van de fauna is vrijwel geheel een natuurlijk proces. Door aanleg en beheer kunnen voorwaarden worden geschapen om dit proces te stimuleren. Hoe weten we dan of het ecologisch groenbeheer van de afgelopen decennia resultaat heeft gehad? Als we op een bepaald moment een rijke vogelstand noteren, kunnen we dat niet zomaar toeschrijven aan ecologisch beheer. Alle vogels die nu in het park of in de woonwijk aanwezig zijn, waren er mogelijk twintig jaar geleden ook al, maar dat is nooit goed geregistreerd. Het belang van de aanwezigheid van vogels in het verleden wordt door Tinbergen (1967) ondersteund. De auteur schetst een vogelrijke omgeving in een boomrijk dorp op de Noord-Veluwe in een periode dat de term ecologisch groenbeheer nog niet bestond.
Voor de wilde bijen zijn er echter argumenten die aannemelijk maken, dat er voor 1980 en in de meeste gevallen voor 1990 in het openbaar groen  sprake was van een zogenaamde nulsituatie. Dat wil zeggen dat wilde bijen niet of nauwelijks in het openbaar groen voorkwamen; ze werden in ieder geval zeer weinig waargenomen (Koster 2000a). Zoals al eerder is aangegeven werd destijds de aanwezigheid van kruiden niet of nauwelijks getolereerd. Spontane ontwikkeling van planten werd met allerlei methoden en middelen tegengegaan. De kans is groot dat wilde bijen nadelig werden beïnvloed door het veelvuldig gebruik van diverse pesticiden. Dood hout en plantenstengels waren zo goed als afwezig. In de voortdurend omgewoelde bodems kregen grondbewonende bijen nauwelijks kans om te nestelen. In het overgrote deel van de particuliere tuinen heerste vaak dezelfde cultuur. In deze situatie waren wilde bijen afwezig of zo dun verspreid dat ze niet of nauwelijks werden waargenomen. Als er voldoende stuifmeel- en nectarplanten in de omgeving aanwezig waren, werden er soms nestingangen tussen het plaveisel aangetroffen. (zie ook: Historie gebruik chemisch middelen)
In een onderzoek naar wilde bijen in het openbaar groen is aannemelijk gemaakt, dat ecologisch groenbeheer de wilde bijenstand aanzienlijk bevordert. Beplantingen zijn echter wel het meest onderzocht. Voor wilde bijen kunnen de verschillende milieutypen niet los van elkaar worden gezien. (Koster, 2001)
 
 
 
Resultaten onderzoek Terug
- In totaal zijn er exclusief hommels 106 soorten wilde bijen waargenomen (Tabel). Inclusief tuinen en data voor 1997 zijn dat 110 soorten. De soorten zijn als volgt verdeeld: 58 polylectische soorten (zie kader onder bloembezoek); 22 mono- en 2 oligolectische soorten; 28 soorten koekoeksbijen.
- In 26 gemeenten werden er gemiddeld 23 soorten waargenomen .
- In deze gemeenten is op 290 locaties verzameld en dat heeft geleid tot 1471 vangsteenheden (Koster 2000b: bijlage 3); het totaal aantal vangsteenheden bedraagt 1771 (Koster 2000b).
- Op 141 locaties zijn bijen talrijk waargenomen (Koster 2000b).
- Op 27 locaties komen 10 of meer soorten voor (Koster 2000b)).
- De bijen zijn op 181 plantensoorten verzameld (alle vangsteenheden); op 38 soorten zijn minstens tien maal bijen verzameld.
- Indien er stuifmeel- en nectarplanten aanwezig zijn en nestgelegenheid in de naaste omgeving, komen wilde bijen in vrijwel alle stedelijke milieutypen voor (Koster 2000b).
- Op plaatsen waar stuifmeel- en nectarplanten ontbreken, zijn bijen afwezig (Koster 2000b: bijlage 1). Op plaatsen waar vroeg wordt gemaaid, loopt de bijenstand sterk terug of verdwijnt volledig. Op plekken waar de bloei ononderbroken doorgaat, zijn de bijen ook in de zomer talrijk (Koster 2000b).
   
Biodiversiteit Terug
Biodiversiteit brengt men in de praktijk het meest in verband met het aantal soorten plantaardige en dierlijke organismen in het landschap en in ruime zin ook met de variatie in het landschap. Men spreekt ook wel van biologische verscheidenheid. De natuur is echter een groot, tot op heden ondoorgrondelijk dynamisch proces. Wat als een soort wordt gezien, is de grootste gemene deler van een groep individuen met genetische verscheidenheid. Deze variatie vergroot de kans dat soorten zich kunnen aanpassen als de situatie zich ten nadele van deze soorten wijzigt. Waar de genetische variatie te beperkt is, vaak ten gevolge van isolatie, kan een soort achteruitgaan of verdwijnen. Voor het soortbehoud en de soortvorming is genetische variatie van essentieel belang. Biodiversiteit kan daardoor niet worden beperkt tot organismen die als soort, ondersoort of variëteit kunnen worden onderscheiden, maar moet noodzakelijkerwijs betrekking hebben op het hele genetische spectrum. Hiervan weten we echter nog zeer weinig. Als we de biodiversiteit willen bevorderen, kunnen we eigenlijk niet meer doen dan ruimte geven aan natuurlijke processen. In de gebieden waar de mens ontbreekt, is dat geen enkel probleem want daar regelt de natuur alles zelf. De mens is wel onderdeel van de natuur, maar neemt in grote delen van de wereld een uitzonderlijk dominante positie in. Processen die deze dominantie enigszins kunnen inperken, verlopen zeer langzaam. De natuur dreigt daardoor voortdurend onder de voet te worden gelopen, waardoor de biodiversiteit afneemt en de kans op uitsterven toeneemt. Daarvan worden we ons steeds meer bewust. Om dit proces te voorkomen, probeert men steeds vaker zo te handelen dat andere mede-organismen zo min mogelijk worden uitgesloten. Dat houdt in dat bij zoveel mogelijk handelingen rekening wordt gehouden met natuurlijke processen. De aanleg en het beheer van bermen, recreatieterreinen, bossen en openbaar groen zijn hiervan voorbeelden, die we dicht bij huis vinden. Deze terreinen moeten niet alleen functioneel en mooi zijn, maar ook bijdragen aan de biodiversiteit. Voor praktijkvoorbeelden hiervan wordt verwezen naar Koster 1994. Samenvattingen en literatuuroverzichten over de aspecten “biodiversiteit” en “genetische verscheidenheid in relatie tot menselijk handelen” zijn onder meer te vinden in Bal et al. 1995, Van Dorp et al. 1999, Hermy & De Blust 1997, Koster 1988d, Van Nieukerken & Van Loon 1995 en Van Zoest 1998a.
 
Ecologische kwaliteit Terug
Ecologische kwaliteit kan vanuit verschillende invalshoeken worden gedefinieerd (Van Zoest 1994), maar wordt vanuit de biologische invalshoek het meest in verband gebracht met biologische verscheidenheid en variatie in het landschap (Bal et al. 1995; Van Dorp et al. 1999; Hermy & De Blust 1997; Koster 1986b, 1988d; Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 1991; Sýkora 1998; Zonderwijk 1986). Bij verscheidenheid (biodiversiteit) gaat het niet alleen om het aantal soorten, maar ook om de onderlinge relaties tussen de soorten (levensgemeenschappen) en de relaties met verschillende landschapselementen (Van Dorp et al. 1999; Hermy & De Blust 1997); door beheermaatregelen kan dat verder worden beïnvloed. In het algemeen wordt aan een grote diversiteit een hogere betekenis toegekend dan aan een kleine. Een kalkgrasland met 30 soorten per m2 wordt doorgaans hoger gewaardeerd dan zo’n grasland met 15 soorten per m2. Als we alleen uitgaan van de plantensoorten, heeft het eerste grasland een betere ecologische kwaliteit dan het tweede.
In sommige situaties is een (te) grote biodiversiteit niet gewenst. (Webb & Hopkins 1984)Vergroting van de biodiversiteit kan gepaard gaan met concurrentie, waardoor soorten die aan voedselarme, schaduwrijke of zonnige plaatsen gebonden zijn, kunnen verdwijnen. Ook nieuwe predatoren kunnen voor sommige soorten een bedreiging vormen. In het stedelijk gebied speelt het probleem van deze vorm van concurrentie nauwelijks. In het algemeen gaat het hier om relatief kleinschalige elementen: randen, linten, kleine oppervlakten. Grotere groengebieden worden gewoonlijk doorsneden door een relatief dicht netwerk van paden. Dit hangt samen met de functies van het stedelijk groen. Hier kunnen we dus zonder al te veel terughoudendheid stellen dat een grote biodiversiteit een aanwijzing is voor een goede ecologische kwaliteit.
 
Bijen als graadmeter voor de kwaliteit van het groen Terug
Bloeiende planten en bijen vormen levensgemeenschappen, planten leveren voedingstoffen en bijen dragen bij aan de bestuiving (Kwak 1994; Kwak & Becker 1999; Proctor et al. 1996; Westrich 1989). Er is hier sprake van een vorm van symbiose. Bijen dragen niet alleen bij aan de bevruchting, maar door de overdracht van stuifmeel leveren ze een bijdrage aan genetische variatie en daardoor aan de vitaliteit van de plantenpopulaties. Voor het voortbestaan op korte of lange termijn is bestuiving voor de meeste planten noodzakelijk, vooral voor soorten die van kruisbestuiving afhankelijk zijn en ook nog eens kampen met een geringe zaadverspreiding. Net zoals dat bij honingbijen het geval is, lijkt het zeer aannemelijk dat naarmate er meer wilde bijen zijn de bestuiving effectiever kan plaatsvinden (Hensels 1981). Dit geldt niet alleen voor land- en tuinbouw, maar ook voor de wilde flora. De ecologische kwaliteit van de begroeiing wordt mede bepaald door de relatie met andere organismen: spinnen, vlinders, kevers, vliegen. Doordat bijen echter het meest van alle insecten op stuifmeel zijn aangewezen en belangrijke bestuivers zijn, hebben bloemrijke begroeiingen voor deze diergroep een bijzondere betekenis. Verscheidenheid in de bijenpopulatie kan daarom worden gezien als een kenmerk van ecologische kwaliteit.
De aanwezigheid van bloemrijke begroeiingen betekent niet dat men verzekerd is van een gevarieerde bijenstand. Als bijen ontbreken, kan dat gevolgen hebben voor de bestuiving en daardoor indirect op de diversiteit van de flora. Het ontbreken van bijen houdt ook in dat een ecologische niche onbenut is. Een bloemrijke begroeiing waarin bijen ontbreken, is te vergelijken met een bos zonder vogels. Dat is een teken dat er wat aan de hand kan zijn. Dit kan verschillende oorzaken hebben: bijvoorbeeld het contact met pesticiden die in het stedelijk groen, inclusief tuinen, nog steeds worden gebruikt; onregelmatigheden in het maaibeheer of te weinig variatie in het milieu, waardoor nestgelegenheid ontbreekt. Als de omstandigheden in of bij bloemrijke begroeiingen zo ongunstig zijn, dat bijen er niet kunnen leven, moet men zich op z’n minst afvragen hoe het met de ecologische kwaliteit van het milieu is gesteld. In jonge begroeiingen die nog maar kort (één tot drie jaar) in ontwikkeling zijn, kunnen bijen aanvankelijk nog ontbreken of zeer dun verspreid zijn. In het stedelijk gebied is dat een natuurlijk verschijnsel.
 
Kwaliteitsbeoordeling Terug
Voor de kwaliteitsbeoordeling kunnen we uitgaan van de levenswijze van poly-, mono- en oligolectische en parasitaire soorten (7.6).
Groep a.Voor de polylectische soorten is het alleen van belang ervoor te zorgen dat er van half maart tot begin oktober bloeiende planten aanwezig zijn. Als er nestgelegenheid in de directe omgeving aanwezig is, kan dat een grote verscheidenheid aan polylectische bijen opleveren.
Groep b. De mono- en oligolectische soorten stellen hogere eisen aan het milieu. Planten waarop de bijen zijn gespecialiseerd moeten aanwezig zijn, in stand worden gehouden en mogen niet voor of tijdens de bloei in hun ontwikkeling worden gestoord. De bijen zullen zich dan niet vestigen of, als ze gevestigd zijn, abrupt verdwijnen. De ecologische relatie in deze groep is dus kwetsbaarder dan die van de eerste groep bijen. Voor de ecologische kwaliteit zouden deze bijen hoger gewaardeerd moeten worden.
Groep c.De parasitaire (koekoeks)bijen zijn niet voor hun directe levensbehoefte van stuifmeel afhankelijk, maar completeren in belangrijke mate de levensgemeenschap. Schematisch voorgesteld komen er eerst bloeiende planten tot ontwikkeling, in veel gevallen wordt dat gevolgd door de vestiging van bijen en daarna volgen de koekoeksbijen. De koekoeksbijen kunnen pas tot ontwikkeling komen als de bijen waarvan ze afhankelijk zijn, in voldoende mate voorkomen. Men gaat ervan uit dat er eerst een aantal nesten aanwezig moet zijn voordat er koekoeksbijen kunnen leven. Dit lijkt aannemelijk maar het sluit niet uit dat beide geslachten tegelijkertijd aanwezig zijn. Hommels en koekoekshommels worden tegenwoordig tot hetzelfde geslacht gerekend. In Veenendaal werden op verschillende plekken pas wespbijen gezien, nadat er een aantal jaren zandbijen werden waargenomen. (Koster 2001c) De aanwezigheid van deze bijen is dus te zien als een gevorderde ontwikkeling van de levensgemeenschap, vooral als ze talrijk voorkomen. Aan de hand van een momentopname is dat echter niet altijd vast te stellen. Gastvrouw en koekoeksbij variëren ten opzichte van elkaar. Als de koekoeksbij talrijk voorkomt, kan de gastvrouw zo sterk verminderen dat in het daaropvolgende jaar de koekoeksbij sterk afneemt of zelfs verdwijnt. Als de gastvrouw dan weer in aantal toeneemt, kan de koekoeksbij ook weer toenemen. De afwezigheid of het in kleine aantallen voorkomen van bijen zegt nog niet alles over de geschiktheid van het milieu en over de kwaliteit van het beheer.
 
Kwaliteitskenmerken Terug
In het groenbeheer kan aan iedere fase ecologische kwaliteit worden toegekend. Het begint met de diversiteit van de flora (Koster 2000c), daarna volgen de bijen. Behalve de aanwezigheid van een soort speelt ook de frequentie een rol. Als maar enkele bijen aanwezig zijn, is de soort in dat milieu tamelijk kwetsbaar; grote populaties geven in ieder geval aan dat het milieu voor die bijensoort gunstig is. Een grote populatie moet dus in het algemeen meer gewaardeerd worden dan een kleine; ook vanwege de feiten dat grote populaties de kans op de aanwezigheid van koekoeksbijen vergroten en de bestuivingscapaciteit toeneemt. Als vuistregel kan men stellen dat de ecologische kwaliteit van het milieu toeneemt naarmate:
a. De bijen uit de bovengenoemde groepen a, b en c beter vertegenwoordigd zijn;
b. Er meer oligo- en monolectische soorten zijn;
c. Er meer koekoeksbijen van oligolectische soorten zijn;
d. Er meer zeldzame soorten aanwezig zijn;
e. De populaties groter zijn;
f. Nestgelegenheid en foerageergebied minstens een gedeelte van het vliegseizoen op hetzelfde terrein liggen.
 
Volledig onderzoek Terug
n de periode 1995-2000 is een uitgebreid onderzoek verricht naar naar ecologisch groenbeheer en het voorkomen van wilde bijen in stedelijk groen. (Koster 1998-2001) . Dit onder zoek bouwde deels voort op eerder onderzoek en adviezen die meestal resulteerde in artikelen in de groene vakbladen en tijdschriften (Koster 1980-2001). Feiten en ervaringen zijn zo veel mogelijk op deze bijenhelpdesk verwerkt
  Koster, A. (1998). Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 349.
  Koster, A. (1998). Van tegeltuin tot lusthof. Een verkenning van de mogelijkheden voor groen en natuur in groenarme straten, buurten en compacte woonwijken of Vinex-locaties. IBN-rapport 391. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 391, pp. 42.
  Koster, A. (1999). Honingwinning in relatie tot maatschappelijke aspecten. IBN-rapport 438. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 86.+ bijlage.
  Koster, A. (2000). Wilde bijen in het stedelijk groen, een evaluatie van ecologisch groenbeheer. Alterra-rapport 48. Alterra, Wageningen, pp. 220 p. Alterra Rapport 48.wilde bijen pdf;
  Koster, A. (2001). Ecologisch groenbeheer. Schuyt, Haarlem, pp. 208.
  Koster, A. 2001. Openbaar groen op ecologische grondslag. Proefschrift Wageningen Universiteit, pp. 264.
Overige literatuur: zie bovenstaand proefschrift.