Jaar van de wilde bijen: hebben bijen op het platteland nog een toekomst? Terug naar overzicht
Vroeger was het houden van bijen in hoofdzaak een agrarische activiteit. Het was een bezigheid van beroepsimkers en een nevenactiviteit van boeren en monniken. Tegenwoordig hebben de meeste boeren hier geen tijd meer voor en komen beroepimkers nog sporadisch voor. Het houden van bijen is in hoofdzaak een activiteit van hobby-imkers geworden; heel vaak zijn dat stedelingen. In Jaar van de wilde bijen, moet het platteland ook weer geschikt worden gemaakt voor bijen. Drachtverbetering is hard nodig niet alleen voor honingbijen maar ook voor wilde bijen die op het platteland steeds zeldzamer worden.
Tot in de eerste helft van de vorige eeuw was het houden van bijen nog weinig problematisch. Vergeleken met nu was er een overvloed aan nectar- en stuifmeelproducerende planten in bonte weilanden en kruidenrijke akkers, kleinschalige landschappen en betrekkelijk veel natuurgebieden. In het algemeen was de bodem veel vochtiger of natter dan nu het geval is. Voor een goede nectarproductie is dat meestal noodzakelijk. Als de bijen met paard en wagen door de modder naar de hei moesten worden gebracht en in het stof werden terug gehaald, stond dat garant voor een goede honingopbrengst. Dit geeft de betekenis van een vochtige bodem duidelijk aan. Op de meeste plekken was het vochtig en nat en dat ging gewoonlijk gepaard met de groei en bloei van plantensoorten die de bron vormden voor de honingproductie. In de meeste streken van het land kon men onbekommerd bijen houden. Door de modernisering van de landbouw, de verstedelijking, de industrialisatie, de toename van de infrastructuur en de ontwatering van de bodem die daar mee samenhangt, is het aantal nectar- en stuifmeelproducerende planten op het platteland de vorige eeuw drastisch verminderd.
Er is een tegenovergestelde situatie ontstaan. In de stad komen sinds de jaren 60 van de vorige eeuw meer dracht/bijenplanten voor dan op het platteland. Terwijl in veel steden bijen talrijk voorkomen, kunnen ze op het platteland op grote schaal ontbreken. Er is echter geen sprake van en hopeloze situatie. Op het platteland, in plattelandsdorpen en plattelandsgemeenten komt een groot aantal landschapselementen voor die een bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van de bijenstand.
Op veel plekken komen nog vegetaties voor die plantensoorten bevatten die een duidelijk signaal afgeven dat ecologische verbetering goed mogelijk is. De sleutelbegrippen hierbij zijn: landschapsbeheer en vooral langs perceelranden terughoudendheid in het gebruik van pesticiden en meststoffen.  Als dit principe op grote schaal wordt doorgevoerd, is  er  zowel voor wilde bijen als honingbijen zeer zeker een toekomst.
Alle bloemrijke begroeiingen zoals grasland, ruigten, pioniervegetaties, natte vegetaties en houtige beplantingen, die op deze website worden getoond, zijn in principe ook te realiseren in grootschalige agrarische landschappen. Als honingbijenvolken in zulke landschappen in het groeiseizoen kunnen overleven, kunnen wilde bijen, vlinders, vogels en veel andere soorten dieren dat ook. Drachtverbetering voor bijen wordt dan synoniem met landschapsverbetering, toename van biodiversiteit en recreatieve waarden.