Bodemvruchtbaarheid    
De bodemvruchtbaarheid wordt door een reeks van factoren bepaald, onder meer: grondsoort, voedselrijkdom, zuurgraad (pH), bodemstructuur, waterhuishouding, klimaat, humus en bodemleven.
a.Zand - klei
Van grof- en leemarm zand naar zware klei neemt de vruchtbaarheid toe en ook het vermogen om water vast te houden. Op grove zandgronden treffen we daardoor onder natuurlijke omstandigheden weinig of geen begroeiing aan. Op leemrijke en zware kleibodems daarentegen ontwikkelen zich ruige vegetaties en hoog opgaande zware bomen.
b.Zuurgraad/pH
De zuurgraad van de bodem (concentratie waterstofdeeltjes of waterstofionen aangegeven in pH-schaal 1 t/m 14) is bepalend voor de plantengroei. Rond pH 7 is het milieu neutraal; lager dan pH 7 zuur en hoger dan pH 7 basisch.
De grenzen waarbinnen de meeste soorten kunnen groeien liggen tussen pH 4 en 8. Daarbuiten kunnen alleen specialisten groeien. Omdat bij zure bodems verschillende nutriënten aan de bodem gebonden blijven, leveren zure bodems vaak een lagere plantaardige productie dan basische bodems, maar als de zuurgraad te hoog is, treedt het zelfde verschijnsel op.
Behalve veengronden hebben ook veel zandgronden en sommige kleigronden een pH lager dan 7. In kalkhoudende gronden is de pH doorgaans hoger dan 7. Het effect van de pH is niet op alle bodemtypen gelijk. Op zandgronden ligt de optimale vruchtbaarheid in het zwak zure gebied (rond de pH 6), op klei meer in het neutrale gebied (rond pH 7) en leembodems zitten daar tussen in.