| Achtergronden grondwatertrap |
| Het grondwater heeft een doorslaggevende invloed op de doorworteling van de bodem. Op natte bodems is de doorworteling beperkt terwijl drogere bodems goed tot zeer goed doorworteld worden. Voor de voedselopname is een goede doorworteling noodzakelijk. Op bodem die zeer nat of zeer droog zijn is doorworteling voor veel planten zeer moeilijk of onmogelijk. Natte en droge bodem zijn gewoonlijk minder productief. Voor de biodiversiteit kan dat zeer gunstig zijn, maar voor landbouwkundige productie zeer ongunstig. |
| De grondwatertrap is een maat voor de grondwaterstand. Gewoonlijk worden er 7 grondwaterstanden opgegeven. Een de achtste (VIII) die zeer droog is wordt meestal niet genoemd. |
| Bepaling van de watertrap |
| In waterbuizen wordt voor minimaal acht jaar twee maal per maand de hoogte van de grondwaterstand gemeten. De som van de jaarlijks gemeten hoogste en laagste grondwaterstanden bepalen de waterstrap: |
| de som van drie hoogste/laagste grondwaterstand van het aantal gemeten jaren |
| aantal gemeten jaren |
|
| Omdat de Gemiddelde Voorjaarswaterstand (GVG) sterk bepalend is de bodemvochtigheid in het groeiseizoen, wordt in de ecologie meestal deze GVG gebruikt. |
| Grondwaterkenmerken van de standplaats (zie Van Beusekom e.a., 1990. pag. 30-36. |
| Wegzijgingsgebied -- het grondwater bevindt zicht op een aanzienlijke diepte en bereikt de wortelzone niet. de neerslag zakt voor een belangrijk deel in de bodem weg (infiltratie). Grondwatertrap VII |
| Wegzijgingsgebieid, randzone -- Ook hier zakt het grondwater weg. DE stand van het grondwater is minder diep, waardoor gedurende een korter of langer deel van het jaar capillilaire opstijging naar de wortelzone mogelijk is. Grondwatertrap V-VI |
| Kwelgebied -- Het gaat hier om een continue toestroming van grondwater. De bodem blijft hier meestal nat tot (zeer) vochtig. Grondwatertrap I-III. |
| Kwelgebied gedrainneerd -- min of meer ontwaterde kwelgebieden. Kwelwater wordt via sloten afgevoerd. Grondwatertrap III-V (VI) |
| Geïsoleerd gebied -- Bodems met slecht doorlatende lagen die door regenwater worden gevoed. Alleen door verdamping verdwijnt water. Grondwatertrap I-II |
| Poldergebied -- het grondwater wordt kunstmatig op vast peil gehouden. Grondwatertrap IV (in droge zomers V) |
| |