Humus    
"Humus is een toestand in de bovenste 40 cm van de bodem die de balans weergeeft tussen strooiselaanvoer en strooiselafbraak en die wordt gekenmerkt door een karakteristieke combinatie van organische horizonten die van elkaar verschillen in verteringsgraad" (Kemmers, 1996). Verschillende milieus hebben verschillende humusvormen. Hier worden alleen enkele hoofdgroepen genoemd. Verder wordt verwezen naar Van Delft (2001), Kemmers et al. (2001), Stortelder el al. (1998), Wolf et al. (2001).
Ruwe humus (of mor) -- Dit is een 5 tot 30 cm dikke laag strooisel, die op voedselarme zandige grond voorkomt en onder begroeiingen, die slecht afbreekbaar strooisel produceren. (struikhei, naaldhoutbos, beuken-eikenbos, berken-eikenbos). Er is een min of meer scherpe grens tussen de minerale bodem en de humuslaag. Er kunnen drie lagen in worden onderscheiden:
De litterlaag waarin nog geen omzetting heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld de bovenste bruine bladlaag in beukenbossen.
De fermentatielaag waarin plantenresten al grotendeels zijn verteerd.
De humificatielaag, die geheel in organische stof is omgezet.
Moder -- Humus gevormd door uitwerpselen van kleine ongewervelde bodemdieren (invertebraten) die niet met mineralen zijn vermengd. Een ca. 5 tot 10 cm dikke laag organisch materiaal.
Mull -- Het organisch materiaal is grotendeels of geheel in de bovenste minerale bodemlaag ( de A-horizont) s opgenomen. Deze humus is niet meer zichtbaar en is een component geworden van het klei - humuscomplex. Deze vorm komt voor op rijkere en niet zure, veelal kalkhoudende gronden onder een begroeiing die gemakkelijk verteerbaar strooisel produceert. Ondermeer op vochtige al dan niet venige kleigronden. Zandgronden die met al dan niet volledig verteerde tuincompost zijn bemest, kunnen op den duur redelijk rijk aan regenwormen zijn. Processen van mullvorming zijn vooral in het najaar goed zichtbaar, vooral aan de wormenhoopjes. Regenwormen trekken dan massaal afgevallen blad, maar soms ook ander materiaal zoals papier en vogelveren de grond in.
Amorfe humus -- Dit is humus, die nog niet volledig is verteerd, maar in de bovengrond uiteenvalt (dispergeert) en vervolgens in deze disperse vorm uitspoelt en in de B-horizont neerslaat. Dit proces voltrekt zich in hoofdzaak op zure, voedselarme zandgronden. Het is dus een podzoleringsproces.
 
Humusgehalte en vruchtbaarheid
Het humusgehalte van de bodem is een belangrijke factor voor de vruchtbaarheid. Naar mate meer humus in de grond aanwezig is, des te voedselrijker, vochthoudender en luchtiger is de bodem doorgaans. Dat komt voornamelijk door het feit dat humus voedingsstoffen en water kan vasthouden en de bodemdeeltjes aan elkaar bindt. Vooral door het laatste feit draagt humus bij aan een structuur van de bodem, die gunstig is voor de plantengroei.
Praktisch humusloze bodems komen voor in stuifzanden. Humusarme bodems (voor zand 1-3%, voor klei 2-4%) zijn vaak goede uitgangssituaties voor kruidachtige begroeiingen, die kenmerkend zijn voor schrale bodems. Sterk humushoudende bodems (rond de 10%) zijn meestal zwart tot donkerbruin gekleurd. Humeuze bodems bevatten 4 tot 10% humus en zijn eveneens donker gekleurd. Bodems met een typische zandkleur zijn meestal humusarm. Uiteraard komen er aanzienlijke hogere humusgehaltes voor. In dalgronden kan dit oplopen tot boven de 15%, maar dan kan de grond al venig genoemd worden.
 
Literatuur
Delft, S.P.J. van (2001). Ecologische typering van bodems. Deel 2. Humusvormtypology voor korte vegetaties. Alterra-rapport 286, Alterra, Wageningen, pp. 176.
Kemmers, R.H. (1996). Bodemkartering voor ecologische toepassing. In: R.H. Kemmers (red.). De dynamiek van strooisellagen. DLO-Staring Centrum, Wageningen, pp. 56.
Kemmers, R.H., R.W. de Waal & S.P.J. van Delft (2001). Ecologische typering van bodems: van typering naar kartering. Alterra-rapport 352., Alttera, Wageningen. pp. 45 + bijlagen.
Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. & R.W. de Waal (red.) (1998). Broekbossen. KNNV, Utrecht, pp. 216.
Wolf, R.J.A.M., A.H.F. Stortelder & R.W. de Waal (red.) (2001). Ooibossen. KNNV, Utrecht, pp. 200.