Voedselrijk – voedselarm    
De voornaamste componenten die de bodemvruchtbaarheid bepalen zijn nitraat en fosfaat. Uiteraard zijn voor de totale groei nog veel meer stoffen nodig zoals kalium, magnesium, ijzer, calcium en koper. De vruchtbaarheid wordt uitgedrukt in potentiële productie per ha. De vruchtbaarheid heeft een sterke invloed op de soortensamenstelling van vegetaties. Voor de begrippen voedselarm en voedselrijk worden maatstaven aangehouden, die ingeburgerd zijn bij het graslandbeheer.
Voedselarm: lager dan 4 ton per jaar
Matig voedselrijk: tussen 4 en 8 ton per jaar
Voedselrijk - zeer voedselrijk: tussen de 8 en 12 ton; ruigte op vochtige tot natte voedselrijke bodems: tot 15-20 (30) ton per jaar

Het begrip "schraal" wordt hier gebruikt voor bodems tussen voedselarm en matig voedselrijk.

Men moet rekening houden dat nat maaisel tweemaal zo zwaar weegt als het drooggewicht.
Vooral bij de ontwikkeling van levensgemeenschappen die gebonden zijn aan voedselarme gronden vormen stikstof en fosfaat een knelpunt. Voor de planten goed opneembare stikstof komt door depositie vooral uit de lucht. Door uitspoeling en het oogsten van gewas (maaien en afvoeren) verdwijnt de stikstof gedeeltelijk uit de bodem. Als de depositie ophoudt worden de bodem zelfs relatief snel stikstofarm. Doordat stikstof zich bindt aan organische stoffen, die in hoofdzaak in de bouwvoor of in de bovenste bodemlaag voorkomen, verdwijnt deze stikstof als organische stof wordt afgebroken of op de een of andere wijze wordt verwijderd (plaggen, afgraven). Dit geldt ook voor kali.
Fosfaat dat vooral door mest in de bodem komt, bindt zich ook aan de minerale bodemdeeltjes en kan daardoor ook veel dieper in de bodem voorkomen. Omdat het nauwelijks uitspoelt hoopt het zich op (fosfaataccumulatie). Dit maakt verschraling van de bodem tot een lastig proces. Zeker als de stikstoftoevoer via de atmosfeer te hoog blijft. Als het fosfaatgehalte beperkt is (meevalt), leidt een toevoer van stikstof maar vooral kali er wel toe dat door plantengroei en het oogsten daarvan, fosfaat geleidelijk tot het normale niveau afneemt. Bij natuurbeheer en verschillende vormen van ecologisch groenbeheer gaat het vaak om verschraling van de bodem. Door het oogsten van de groene delen wordt vooral stikstof en kali afgevoerd. Als het fosfaatgehalte te hoog is en de stikstoftoevoer blijft doorgaan is verschraling een proces dat langzaam verloopt. (zie vooral Chardon, 2003; Eekeren, 2007, Kemmers et al., 2006)
 
Foto's:
Maïsakkers worden doorgaans zeer zwaar bemest. Voor natuurontwikkeling wordt de voedselrijke bovenlaag meestal afgegraven. (Zie ook Kemmers et al., 2006)
 
De voedselrijke bovenlaag van een maïsakker die wordt afgegraven (Zie ook Kemmers et al., 2006)
 
Ontgraven is een zeer kostbare manier om natuur te bevorderen. De vraag is steeds wat wil men precies bereiken en op welke termijn moet er resultaat zijn. Op welke wijze kunnen traditionele methoden daarvoor worden in gezet. (Zie ook Kemmers et al., 2006)
 
Resultaat ontgraven. (Zie ook Kemmers et al., 2006)
 
 
Chopperen is een methode om de bodem kaal te maken waarbij de vegetatie en de humuslaag tot ca. 2 cm dik worden verwijderd. Het is een compromis tussen maaien en plaggen. Door een te dichte vegetatie en strooisellaag kunnen zaden van planten niet meer ontkiemen. Omdat de wortels van de overblijvende soorten gespaard zijn lopen deze planten weer uit en zaden krijgen weer een kans te ontkiemen.. Deze methode werkt vooral op lichte minerale, veelal verzurende bodems; wordt gebruikt voor heidevegetaies die vaak worden gedomineerd door kraaiheide. (Vlieland 2008)