| Waterhardheid en bicarbonaat | ||||||
| Hardheid is een maat voor de concentratie van magnesium- en calciumcarbonaat, bicarbonaten en sulfaten. Als er te veel kalkionen in het water aanwezig zijn, noemen we het water hard. Een kenmerk van hard water is, dat zeep slecht schuimt, als men die erin oplost. In water hebben we vooral te maken met bicarbonaat. Een stijging van het bicarbonaatgehalte wordt ook waterverharding of alkalinisering genoemd. Bicarbonaten en sulfaten, die worden aangevoerd door gebiedsvreemd water (vaak afkomstig van het Rijnsysteem en/of het IJsselmeer), breken de veenbodem versneld af en maken fosfaten die in deze bodem liggen opgeslagen vrij, waardoor het water wordt verrijkt. (eutrofiering) | ||||||
| Doordat bicarbonaat de pH verhoogt (buffering van de pH) verdwijnt het zure milieu, dat een belangrijke voorwaarde is voor veenvorming en het in stand houden van veen. | ||||||
| Wat gebeurt er namelijk? Water dat veel sulfaat en bicarbonaat bevat, stroomt over en langs de veenbodem. Het sulfaatgehalte vermindert door zwavelreductie. Dit is, het tegengestelde proces van oxidatie. Hierbij spelen bacteriën een belangrijke rol. Er wordt dan een sulfide gevormd, dat een verbinding aangaat met ijzer (in de ijzer-fosfaatcomplexen). Hierbij komen fosfaten vrij (verrijking) en het sulfide wordt als pyriet (FeS2) opgeslagen. Bij dit proces ontstaat ook kooldioxide dat in sterk gebufferd water (pH=7,5) met water (H2O) reageert. Er ontstaat bicarbonaat en waterstofionen. Niet alleen wordt het water verrijkt, maar ook wordt het water door het afbraakproces troebel en ontstaat er een versnelde aangroei van de baggerlaag. Een ander zeer ongunstig effect is het sterk teruglopen van het zuurstofgehalte, met alle kwalijke effecten hiervan. Zie hiervoor Bloemendaal (1988, p. 152) | ||||||
| Reactie kooldioxide met water --- | ||||||
| --- | ||||||