| Watertoevoer |
|
|
| Planten hebben water nodig. De hoeveelheid en de kwaliteit van het water bepalen welke planten op een plaats kunnen groeien, sterker uitgedrukt welke levensgemeenschappen ergens mogelijk zijn. De afkomst en de verschillende eigenschappen van het water drukken hun stempel op het milieu. |
| Regenwater – Regenwater is zwak zuur. De bodem of het milieu verzuurt, als het water uitsluitend in de vorm van neerslag wordt toegevoegd. Dit is vaak het geval op de hogere zandgronden. Het voorkomen van heidevelden zijn daar onder meer een symptoom van. Ook de meeste bossen op de hogere zandgronden hebben een zure bodem. Verzuring is vaak het gevolg van verdroging. Door verlaging van de basenrijke grondwaterstand neemt de invloed van het zwakzure regenwater toe. Een lagere pH is het gevolg. |
| Kwelwater – Dit water is basisch en kalk en/of ijzerrijk en bevat meestal bicarbonaat. Kwelwater is meestal voedselarm. Kalk en ijzer buffert de fosfatenrijkdom in water en in de bodem. Het gevolg hiervan is dat het milieu enerzijds schraler, voedselarmer wordt en niet verzuurt. Op zulke plekken staan meestal bijzondere en karakteristieke vegetaties zoals blauwgraslanden, trilvenen en bronbossen. |
| Grondwater – Dit is het water dat in de grond aanwezig is en al dan niet een fluctuerende grondwaterspiegel heeft. Op plekken waar de grondwaterspiegel regelmatig voldoende stijgt, worden steeds mineralen (ionen) naar de bovengrond verplaatst. Door deze waterbeweging wordt de bodem minder snel zuur. Blijvende verzuring wordt dan tegengegaan. Maar dit proces hangt ook weer van de hoeveelheid neerslag. |
| Oppervlaktewater – Water dat door rivieren, beken en meren wordt aangevoerd. Dit gebeurt als het land overstroomt. De floristische samenstelling van veel bossen en kruidachtige vegetaties is van overstroming afhankelijk. Door het kalkrijke water wordt verzuring tegen gegaan en worden steeds nieuwe mineralen (ionen) aangevoerd. Zodra dat proces stopt, begint de bodem te verzuren en verandert de floristische samenstelling van de vegetatie. |
| Veranderingen in deze waterbronnen kunnen desastreuze gevolgen hebben voor de natuur. Voorbeelden hiervan zijn de gevolgen van zure regen, onttrekking van grondwater, doorsnijden van kwelprofielen door wegaanleg, etc. en inlaat van gebiedsvreemd water. (zie ook bij Waterhardheid). De bron die het water levert, is voor de beheervorm van doorslaggevende aard. Als men dat te veel uit het oog verliest, zijn aanvullende beheer- en onderhoudsmaatregelen zoals watergeven, bijmesten of bekalken steeds noodzakelijk. |
| Foto's: Diepte kwel ---- Effect van kweldruk ----- Locale kwel ---- IJzerhoudende kwel |
| |
| |
 |
| Op deze plek komt kwelwater diep uit de bodem en is mogelijk eeuwen onderweg geweest om hier aan de oppervlakte te komen. (Nuenen 1995) Zie ook effect van kweldruk |
| |
| |
 |
| De kweldruk is hier zeer hoog. De bodem is overbodig waterdicht gemaakt met folie waarop een halve meter zand is opgebracht. Door de sterke kwekdruk is het folie met het daaropliggende zand naar boven gedrukt. (Nuenen 1995) |
| |
| |
 |
| Op deze plek heeft het kwelwater een zeer korte afstand afgelegd; het sijpelt hier onder een dijk door.(Ringvaart Haarlemmermeer bij Osdorp, 2006) |
| |
| |
 |
| Sterk ijzerhoudende kwel. Hier te herkennen aan de roestbruine afzetting van geoxideerd ijzer en het olieachtige vliesje. Als men met een stok in het water roert dan verbrokkelt het vlies. Bij olie sluit het weer tot een geheel. (Borculo 1989) |
| |
| |