| ----- |
|
| Bos en bosachtige begroeiingen worden in relatie tot welzijn en gezondheid van mensen, steeds meer gewaardeerd. Voor deze waardering is de structuur van het bos van grote betekenis. Veel bomen op een plek maken dat een bos wellicht economisch en ecologisch van betekenis is, maar een bos dat bijdraagt aan gezondheid en welzijn van mensen vraagt om een grote structurele diversiteit. Dit is een belangrijk uitgangspunt voor het ontwikkelen van bos- en struweelachtige beplantingen. Deze pagina geeft informatie over de structuur, het karakter van beplantingen en de betekenis van deze groene structuurelementen. Foto boven: Een natuurlijke bos in Oost-Polen. |
| Foto's: Natuurlijkheid bos ----- Structuur bos ----- Doorzicht ----- Randen ----- Zomen |
|
| Inleiding |
Naar top pagina |
| De definities en omschrijvingen die hier worden gegeven zijn geen van alle absoluut, maar zijn meer te zien als een indicatie, een signalering van aandachtspunten die in het ontwerp en beheer een rol kunnen spelen. In de dagelijkse praktijk gebruiken we voor een verzameling groeiende planten in de buitenruimte de volgende begrippen: |
| Beplanting -- Alle planten, zowel kruidachtige als houtige, die op een bepaalde plek zijn aangeplant. |
| Vegetatie -- De ruimtelijke massa van plantenindividuen in samenhang met de plaats waar zij groeien en in een rangschikking die zij uit zichzelf hebben aangenomen. Vrij vertaald: de begroeiing die zich spontaan of natuurlijk heeft ontwikkeld. |
| Begroeiing -- Alle planten op een bepaalde plek, ongeacht de wijze waarop ze op die plek zijn ontstaan. |
|
|
| Natuurlijkheid: natuurlijk/vrijwel natuurlijk |
Naar top pagina |
| Natuurlijke vegetaties -- Vegetaties die zich zonder menselijke invloed ontwikkelen. In Nederland komt dat nauwelijks voor. De stranden van de Waddeneilanden en Waddenzee benaderen het begrip natuurlijk het meest. Vrijwel alle processen verlopen er spontaan, maar de structuur van de Waddenzee en daarmee eigenlijk ook de stranden wordt onder meer bepaald door zeedijken en stuifdijken. Ongerept is het er zeker niet. |
| |
| Vrijwel natuurlijke vegetaties -- Vrijwel natuurlijke vegetaties zijn onder beperkte menselijke invloed spontaan ontstaan. De mens heeft alleen de voorwaarden bewust of onbewust geschapen. De ontwikkeling van de natuur wordt wel beïnvloed door menselijke aanwezigheid, maar in de ontwikkeling van de natuur zelf wordt niet gestuurd. Duingebieden benaderen dit het meest. Tijdelijk is dat ook het geval op braakliggende terreinen zoals dat destijds bij het opgespoten terrein Ruigoord het geval was. Een gebied als de Oostvaardersplassen komt hier ook dichtbij in de buurt, maar hier zijn bewust talloze grote grazers uitgezet om de natuur te beïnvloeden. De mens beïnvloedt duidelijk het natuurlijke proces. |
|
|
|
| Halfnatuurlijke-cultuurlijke vegetaties |
Naar top pagina |
| Halfnatuurlijke – cultuurlijke vegetaties ontwikkelen zich spontaan onder invloed van geregeld menselijk landgebruik. Als dit landgebruik wordt gestaakt zijn speciale beheermaatregelen noodzakelijk om deze vegetaties te handhaven. Heidevelden, rietlanden en kalkgraslanden zijn daar duidelijke voorbeelden van. Zonder regelmatig bewust menselijk ingrijpen verdwijnen deze landschapselementen. Tot in de jaren tachtig werden vrijwel alle loofbossen op de Veluwe en in andere bosgebieden in Nederland cultuurlijk beheerd. Vooral na 1990 ging het bos beheer meer de ecologische kant op. Vooral dood hout mocht blijven liggen en er werd buiten de echte productiebossen meer aan de natuur over gelaten. Een van de gevolgen was dat paddenstoelen en zwammen, die men vroeger (voor 1980) zelden of nooit zag, nu talrijk in deze bossen aanwezig zijn. Vooral de sterke toename van paddenstoelen en zwammen op dood hout komt de belevingswaarde van het bos sterk ten goede. |
| Cultuurlijke vegetaties en beplantingen -- Cultuurlijke vegetaties worden sterk door de mens bepaald. Dit geldt voor het overgrote deel van het stedelijk groen en het cultuurlandschap. Omdat soorten selectief worden geïntroduceerd of juist geweerd, selectief worden bevorderd of bestreden, is de mens de dominante factor. Het gaat hierbij niet alleen om de planten en vegetaties maar ook om de transformatie van het landschap en de sterke beïnvloeding van de bodemeigenschappen. Processen in beplantingen en cultuurlijke vegetaties worden dus meervoudig gestuurd. Bij halfnatuurlijke landschappen (bijvoorbeeld veenwinningsgebieden zoals de Weerribben) geldt dat in principe ook, maar daar is aanzienlijk meer ruimte voor natuurlijke processen. De handelingen leiden bewust of onbewust tot processen die het halfnatuurlijke landschap in stand houdt. Er is dus een overlap van natuur en cultuur. |
|
| |
| Natuurlijkheid van bossen |
Naar top pagina |
| Bossen die niet direct of indirect door menselijk handelen zijn beïnvloed komen in Nederland niet of nauwelijks voor. De bossen in de duinen worden kunstmatig op hun plek gehouden, broekbossen zijn onder sterke invloed van mensen ontstaan en zelfs de bosjes in onze laatste hoogveenrestanten zijn niet vrij van menselijke invloed. Zoetwatergetijdenbossen zijn grotendeels
geëxploiteerd of de samenstelling van de vegetaties is door bewuste menselijke invloed sterk veranderd. Op de hogere gronden zijn bijna alle bossen zijn aangelegd. Aanvankelijk zijn deze bossen cultuurlijk, maar door hun lange ontwikkelingstijd worden ze steeds natuurlijker. Een naaldbos van een halve eeuw oud is meestal nog erg cultuurlijk, daarna verandert dat geleidelijk en de mate van natuurlijkheid zal sterk bepaald worden door de intensiteit van het beheer en de exploitatie. Vooral oude bossen die lang met rust zijn gelaten zien er vrijwel natuurlijk uit. Broekbossen die spontaan door laagveenontwikkeling zijn ontstaan zou men vrijwel natuurlijk kunnen noemen. |
| De meeste stedelijke beplantingen zijn cultuurlijk. Dit alles neemt niet weg dat vooral de oudere bossen een hoge natuurwaarde kunnen hebben die te vergelijken is met natuurbossen. Spontane bossen of bosachtige begroeiingen in de stedelijke omgeving zou men halfnatuurlijk tot vrijwel natuurlijk kunnen noemen, maar de bodem van deze bossen is vaak extreem cultuurlijk. Een waterdichte indeling is niet goed mogelijk. Ontwerpers en beheerders moeten vaak in een extreem cultuurlijke situatie bos en bosachtige begroeiingen ontwikkelen. Dat sluit echter ontwikkeling van spontane natuur niet uit. Het kan op termijn leiden tot een hoge natuurlijkheid(sgraad) en op middellange termijn zelfs tot een hoge belevingswaarde. Kortom de Nederlandse bossen zijn van cultuurlijke oorspong, maar in de loop der tijd van decennia tot eeuwen kunnen ze toch een vrijwel natuurlijke status krijgen. |
|
|
| Gelaagdheid/verticale en horizontale structuur |
Naar top pagina |
| In een bos kunnen afhankelijk van de bodem, de dominerende boomsoorten, het actuele beheer en de historie van het beheer verschillende vegetatielagen worden onderscheiden: boomlaag, struiklaag, kruidlaag, moslaag en schimmellaag. Bij het middenbos (Eiken-haagbeukenbos als hakhout beheerd) zijn de bovengrondse lagen goed ontwikkeld, Bij het berken-eikenbos en eiken-beukenbos is er bovengronds vaak slechts één laag te onderscheiden, maar ook de schimmellaag is zeer goed ontwikkeld en vaak zeer divers. De verticale structuur kan grote invloed hebben op de biodiversiteit en de belevingswaarde. |
| Boomlaag -- De begroeiing die door opgaande bomen (min. 6m hoog) wordt bepaald. |
| Struiklaag -- De begroeiing die door struiken wordt bepaald. |
| Kruidlaag -- De begroeiing die door kruiden wordt bepaald. |
| Moslaag -- De vegetatie die door mossen wordt bepaald. |
| Schimmellaag -- Het mycelium levend in de bodem in het strooisel. (als paddestoelen zichtbaar) |
| Bodembedekkers -- Bodembedekkende soorten worden vaak gebruikt voor het beteugelen van ongewenste kruiden, maar kunnen ook spontaan tot dominantie komen. Bodembedekkers spelen alleen een rol in sterk cultuurlijke beplantingen , die meestal in de directe woonomgeving zijn aangelegd. Voor de belevingswaarde kunnen ze van grote betekenis zijn. |
|
|
| Horizontale structuur/bosranden |
| Onder natuurlijke omstandigheden hebben bosranden vaak in horizontale richting een gedifferentieerde structuur. Dat wil zeggen dat er een mantel en zoom te onderscheiden is. Deze structuur komt ondermeer tot stand door klimatologische invloeden (bijvoorbeeld zeewind), begrazing, beheerinvloeden en bosbranden. In het cultuurlandschap en bij productiebossen ontbreken mantel en zoom meestal. Mantel en zoom zijn als leefgebied voor de fauna van zeer grote betekenis. Gedifferentieerde bosranden kunnen een hoge belevingswaarde hebben. |
| Bos en beplantingskern -- De binnenkant van een opgaand bos bestaat uit opgaande bomen. In stedelijke beplantingen wordt dat ook wel de kern genoemd. |
| Mantel / bosrand -- Een mantel is een struik- of struweelachtige begroeiing langs de rand van een bos. Deze kan zo dicht zijn dat ze ondoordringbaar is voor mensen en grotere dieren. Veel landschappelijke en stedelijke beplantingen (bijvoorbeeld doornhagen en struikbeplantingen) zijn hiervan afgeleid. De mantel kan door de wind of door begrazing strak geschoren zijn of al dan niet onder invloed van begrazing los en onregelmatig. 7 |
| Zoom -- De zoom is de ruige, kruidachtige begroeiing aan de buitenkant van de mantel of direct aansluitend aan het bos of struweel. Aan de buitenkant grenst de zoom gewoonlijk aan gras, maar in natte milieus kan de mantel of zoom van het bos aan open water grenzen. |
|
|
| Bedekking en kronensluiting |
Naar top pagina |
| De bedekking van een bosachtige begroeiing is de mate waarin de bodem wordt bedekt. Deze bedekking heeft een enorme invloed op de vegetatiestructuur en de floristische samenstelling. Bedekkingsgraad van boom- en struiklaag is van belang voor de ontwikkeling van de kruidlaag. Naar mate de bedekking hoger is, is er meer schaduw. De structuur en samenstelling van de kruidlaag hangt daar nauw mee samen. Zie verder bij beheer (via de startpagina) |
| Schema kronensluiting (CBS, 1985). (herhaling van omschrijving verschillende beplantingstypen) |
| Kronensluiting -- De mate waarin de kronen van bomen en struiken de lucht bedekken. In de praktijk is dat de meest eenvoudige wijze om de bedekking te schatten. Dit wordt ook uitgedrukt in: |
| Kronenprojectie -- Loodrechte projectie van de omtrek van de kruinen van bomen en struiken op de bodem. |
| Open en gesloten beplantingen -- Wat open en gesloten inhoudt is voor bossen duidelijk gedefinieerd; voor de overige beplantingen nauwelijks. Volgens de Bosstatistiek van 1985 heeft een gesloten bos een kronenprojectie (kroonsluiting) groter dan 60% en een open bos een kronenprojectie van 20 tot 60%. |
|
|
| Bosverjonging |
Naar top pagina |
| Tot enkele decennia geleden hadden de meeste Nederlandse bossen het uiterlijk van traditionele productiebossen. Zulke bossen worden gekenmerkt door bomen van een bepaalde leeftijdsklasse. Alle bomen zijn op hetzelfde moment geplant, vaak onder gelijke omstandigheden en met plantmateriaal van ongeveer gelijke kwaliteit. Dood hout mocht vaak niet blijven liggen. Omdat de meeste staatsbossen, stadsparken en recreatieterreinen destijds volgens traditionele bosbouwkundige principes werden aangeplant, waren zulke bosachtige beelden ook in de stedelijke omgeving te zien. Ook door natuurlijke omstandigheden kan een bos er vrij monotoon uitzien, bijvoorbeeld een beukenbos als eindstadium van de successie. Voor biodiversiteit, recreatie en een vitaal zelf regulerend bos is een aanzienlijk grotere variatie gewenst. |
| Vooral rond 1990 is op veel plaatsen in ons land het bosbeeld drastisch veranderd. Er worden open gaten gemaakt met een diameter die 1,5 tot 3 maal zo groot zijn als de hoogte van de omringende bomen. Door lichtinval kunnen nieuwe bomen zich dan ontwikkelen. Na een storm laat men het dode hout meestal liggen en in veel bossen zijn grote grazers (paarden en runderen) ingezet om het bos open te maken. Dit alles heeft geleid tot een grotere structuurvariatie, een betere spreiding in de leeftijdsklassen, een grotere biodiversiteit en een grotere belevingswaarde. Ook in stadsbossen is dit meer natuurlijke beheer in de loop van de jaren tachtig en negentig steeds meer ingevoerd. Begrazing van stadsbossen, stadsparken en recreatieterreinen is thans een min of meer ingeburgerde beheermethode geworden. |
| |
| |
| Doorzicht |
Naar top pagina |
| De belevingswaarde van een bos wordt in hoge mate bepaald door de mate van doorzicht. Als een beplanting of een bos alleen maar een groene buitenkant heeft of de bomen en struiken zo dicht op elkaar staan dat er geen doorzicht is, gaat dat ten koste van de ruimtelijke beleving van het bos. Ook voor het gevoel van sociale veiligheid is een zekere mate van openheid van belang. Verschillende gradaties van openheid kunnen de belevingswaarde van een bos of bosachtige beplanting bevorderen. Verscheidenheid in dit structuuraspect zal ook de flora en fauna ten goede komen. Het gaat hier om het doorzicht op ooghoogte vanaf een weg of pad. In een eerder stadium zijn globale criteria voorgesteld voor doorzicht ( Koster, 2001) die gekoppeld waren aan de maatvoering van de kronensluiting (CBS, 1985), maar die worden hier buiten beschouwing gelaten. Ontwerpers en beheerders moeten er wel rekening mee houden dat beplantingen om verschillende redenen meer of minder doorzichtig moeten zijn. Voorlopig wordt hier volstaan met voorbeelden van doorzichtigheid. 7 |
| Doorzicht -- De mate van doorzicht op ooghoogte (tussen 1 en 2m ) in de zomer |
| Weinig of ondoorzichtig -- Een doorzicht kleiner dan 40% |
| Matig tot goed doorzichtig -- Met een doorzicht tussen 40% en 80% |
| Volledig doorzichtig -- De struik- en kruidlaag is lager dan 1m en de kronen van de bomen zijn (veel) hoger dan 2m |
|
|
| Mantels en randen |
Naar top pagina |
| Een mantel is een struik- of struweelachtige begroeiing langs de rand van een bos. Veel landschappelijke en stedelijke beplantingen (bijvoorbeeld doornhagen) zijn hiervan afgeleid. De structuur van mantels en bosranden is van betekenis voor de fauna. Onregelmatige structuren met inhammen bieden luwte en aan de zonkant extra warmte voor veel soorten insecten. Een grillige rand straalt bovendien meer natuurlijkheid uit. Bossen en beplantingen kunnen uiteraard ook een open rand hebben. Voor de beleving kunnen randen van houtige begroeiingen van grote betekenis zijn. |
| Vrij uitgroeiend --
Bosranden kunnen zich lange tijd (15 - 25 jaar) zonder beheer ontwikkelen. Ze vertonen een struweelachtig beeld. De randen zijn dan onregelmatig. |
| Strak en dicht -- Komt onder normale omstandigheden alleen bij scheerheggen (te zien als een afgeleide van een begraasde bosrand) voor. Door deze dichte structuur vormen ze een goede nestgelegenheid voor vogels en bieden vogels bovendien bescherming tegen katten en roofvogels. |
| Los en vrij regelmatig -- Als een losse heg of een singel met min of meer vrij uitgroeiende struiken. Per struik is de rand onregelmatig gesnoeid, maar voor de totale beplanting tamelijk uniform. |
| Los en onregelmatig (gesnoeid) en met inhammen -- Voor een inham zijn geen duidelijke maten te geven. De zon moet er het grootste deel van de dag kunnen schijnen en de wind moet worden getemperd.
Voor beplantingen die breed genoeg zijn, is de minimale diepte 3 meter en de minimale lengte 6 meter. Dat is de ruimte, die een halve uitgegroeide struik inneemt. Waar de ruimte het toelaat is het dubbel aan te bevelen. 7 |
|
|
| Lianen en klimplanten |
Naar top pagina |
| Lianen en klimplanten zijn planten met slappe, klimmende of windende stengels die in hoofdzaak via bomen en struiken naar het licht toe groeien. Dit zijn onder meer hop, wilde kamperfoelie, bosrank, heggenrank en klimop. Lianen komen zowel aan bosranden als in het bos zelf voor. Lianen zijn van betekenis voor de fauna, onder meer als nestgelegenheid voor vogels en als voedselbron voor bloembezoekende insecten. |
| Lianen kunnen klimmend, overhangend en bodembedekkend zijn. Bij klimop is de groeivorm sterk afhankelijk van de vruchtbaarheid van de bodem. Op arme grond blijft klimop bodembedekkend, op voedselrijke grond groeit klimop tot in de toppen van bomen en kan bij vrijstaande bomen een soort groenblijvende kruin vormen. Lianen en klimplanten hebben grote invloed op het bos - en beplantingsbeeld. Voor de belevingswaarde kunnen klimplanten van grote betekenis zijn. |
| Klik op link voor foto: bosrank nazomerbeeld --- bosrank winterbeeld --- hop |
|
|
| Zomen |
Naar top pagina |
| Zomen zijn min of meer ruige, kruidachtige vegetaties van ca. 0,8 tot 1,8 m hoog en 1 tot 3 m breed, die de overgang vormen tussen gesloten houtige begroeiingen (bos, struweel en bosachtige beplantingen) en grasland. Zomen bestaan in hoofdzaak uit overblijvende planten die net als bos min of meer karakteristiek zijn voor bepaalde bodems. Zomen kunnen vegetatiekundig worden ingedeeld (Zie Stortelder et al. , 1996). Hier wordt slechts volstaan met globale beeldkenmerken. Voor ontwerpers en beheerder kan het van belang zijn om zomen op de een op andere manier te benoemen. Doordat zomen in een overgangsgebied groeien, bevatten ze vaak zowel bosplanten als graslandplanten. |
| Zomen ontstaan op plekken waar de vegetatie met rust wordt gelaten, waar dus niet wordt gemaaid of gegraasd. Maar als er niets gebeurt, ontwikkelen deze zomen zich tot struweelrand of bos. In die gevallen breiden bos en struweel zich dus uit. In de natuur wordt dat door begrazing vaak verhinderd. |
| Voor de fauna zijn zomen van groot belang, vooral voor insecten en andere kleine dieren. Bloemrijke zomen worden ondermeer veel bezocht door vlinders, hommels, bijen, zweefvliegen en kevers. Voor diverse vlindersoorten zijn ze voor de reproductie van belang. Voor zangvogels dienen ze vooral als nestgelegenheid; veel kleine dieren gebruiken zomen ook als foerageergebied. Zomen zijn daardoor ook van betekenis voor natuurbeleving (recreatie) en natuureducatie. |
|
| Globaal overzicht zomen |
| De zoom kan een aantal aspecten hebben. |
| Bloemrijk en divers --
De zoom is bloemrijk en divers, als ze voor een groot gedeelte uit verschillende opvallende bloeiende planten bestaat, die niet gerekend kunnen worden tot de grassen en storingssoorten zoals grote brandnetel, akkerdistel, kleefkruid en ridderzuring. |
| Bloemrijk en weinig divers --
Als de zoom grotendeels bepaald wordt door een bloeiende soort is ze bloemrijk, maar weinig divers. Bijvoorbeeld zomen met fluitenkruid of wilgenroosje. |
| Bloemarm met storingsplanten -- Een bloemarme zoom met storingsplanten bestaat voornamelijk uit bloemloze ruigte, die grotendeels door storingssoorten ( grote brandnetel, akkerdistel, kleefkruid en ridderzuring) wordt bepaald. Er groeien weinig grassen. |
| Grazig -- Een grazige zoom wordt door grassen gedomineerd. |
| Varenrijk --
Een zoom is varenrijk, als varens aspectbepalend zijn. |
| Opmerking:
In eerdere publicaties
is deze indeling anders gedefinieerd (Koster, 2001a p. 72; Koster 2001b p68). |
|
| Milieu |
| Zomen zijn vaak karakteristiek voor bepaalde bostypen. Langs een elzenbroekbos zal onder normale omstandigheden een heel andere zoom aanwezig zijn dan langs een eiken -haagbeukenbos. Een elzenbos op natte grond heeft vaak een totaal ander type zoom dan een elzenbos op vochtige (niet natte) grond. In het eerste geval kan de zoom bloemrijk zijn, in het tweede kan ze worden gedomineerd door grote brandnetel. |
| Op arme gronden is de zoom vaak grazig, op rijke en vooral gestoorde grond is de zoom zeer ruig. Beplantingen in de openbare ruimte worden vaak gedomineerd door storingssoorten, veelal stikstofminnende planten; vooral door grote brandnetel, kleefkruid en akkerdistel. Vaak is zevenblad in de zoom aanwezig. Dit wordt veroorzaakt doordat de bodem verstoord is, meestal omgewoeld of opgebracht. Daarnaast worden de randen continu bemest door het inwaaien van stof ( nutriënten ), nog al te vaak door zowel aangelijnde als loslopende honden en ook vaak door te ruw beheer. Maar ook langs natuurlijke bossen kunnen zomen zeer ruig zijn en vaak met bramen doorweven. |
|
| Beheer en ontwikkeling |
| In Nederland wordt de ontwikkeling van zomen en mantels in de meeste gevallen tegengegaan door gebruik. Bossen grenzen aan landbouwgronden, wegen en paden. In parken en recreatieterreinen werd en wordt meestal geen rekening gehouden met zomen, zodat het gedeelte dat in gebruik is vrijwel altijd grenst aan de beplanting. Door ruimte te reserveren voor zomen en deze zomen door begrazing of door onregelmatig maaien te beheren, kunnen zomen tot ontwikkeling komen en zich handhaven. Het maaien is er op gericht om verhouting te voorkomen. |
| Grazige zomen worden één - of twee maal per jaar gemaaid, ruigere zomen éénmaal per twee of drie (vijf) jaar. Het maaien gebeurt gefaseerd en gedifferentieerd. Dat wil zeggen dat niet alles in één keer wordt gemaaid, maar in fasen en met verschillende intervallen. Dit beheer komt dan het meest overeen met natuurlijke begrazing. Sommige plekken worden nooit begraasd, andere plekken worden intensief begraasd of door grazers gebruikt, met allerlei gradaties daar tussen in. Het resultaat is een rafelige bosrand. Met grotere en kleinere inhammen die micromilieus voor veel kleine diersoorten vormen. |
|
Naar top pagina |
|
| |