Als de ruimte te klein is, is extra beheer vaak noodzakelijk. Dat werkt niet alleen verstorend, maar gaat ook vaak gepaard met een afname van de esthetische en veelal de ecologische kwaliteit. Deze tabel bevat geen absolute waarde, maar geeft een indicatie van de breedte van landschapselementen. Alleen bos geeft officiële maten. De overige maten en omschrijvingen zijn afkomstig van de auteur (Koster 1998, 2001).
Omschrijving Minimale afmeting
Bos Volgens de Nederlandse bosstatistiek een met boom- of struikvormende soorten begroeid terrein. De oppervlakte is tenminste 0,5 ha en 30 m breed  
Gesloten bos Bosterrein met een kronenprojectie groter dan 60%. In de praktijk een vrij schaduwrijk tot vrij donker bos. De oppervlakte is tenminste minimaal 0,5 ha en 30 m breed
Open bos Bosterrein met een kronenprojectie tussen de 20 en 60 %. In de praktijk een vrij zonnig tot schaduwrijk bos. De oppervlakte is tenminste minimaal 0,5 ha en 30 m breed
Bosachtige begroeiingen Terreinen die met bomen en struiken zijn begroeid, maar te klein of te smal zijn om volgens de bosstatistiek tot bos gerekend te kunnen worden, maar wel een bosachtig beeld hebben. Kleiner dan 0,5 ha
Bosjes met opgaande bomen Kleine, niet langgerekte, met bomen en struiken begroeide terreinen en met een kronenprojectie van minimaal 50%. Afhankelijk van de soorten en het beheer minimaal 10 x 10m tot 30 x 50 m
Bossingel Een langwerpig gevormd terrein met opgaande bomen en struiken begroeid. En met een kronenprojectie van tenminste 50%. Minimaal 60 tot 100m lang in het algemeen. Breder dan 15-20m Smaller dan 30 meter.
Hakhout- en geriefhoutbosjes Bosjes die periodiek (7-15 jaar) worden afgezet. Op de zandgronden bestaat hakhout voornamelijk uit Zomereik en op de meer natte bodems uit Zwarte els en Es. Hoewel op een terrein van 10 x 10 m een hakhoutbosje mogelijk is, is het met het oog op gefaseerd beheer een groter oppervlak wenselijk bijvoorbeeld 10 x 30 m.
Grienden Wilgenbossen die als hakhout worden beheerd. De stronken staan ca. 1 m uit elkaar. In verband met gefaseerd beheer niet te klein oppervlak 10 x 10 m tot 10 x 30 m.
Houtsingels Houtsingels worden gekenmerkt door opgaande bomen met niet te zware kroonsluiting; als onderbegroeiing zijn struiken aanwezig; boom en struiklaag zijn vaak niet scherp te onder­scheiden. Bij zeer extensief beheer: 8-15 m breed
Matig extensief beheer: 4 - 8 m breed
Intensief jaarlijks snoeien: 2 - 4 m breed
Houtwallen Hakhout of middenbos op een aarde wal. Als voormalige veekering: 2-4 m breed.
Als voormalige wildwal: 4-15 m breed
Elzensingels Elzensingels groeien oorspronkelijk langs waterkanten en greppelkantjes. Eenrijige singel als hakhout beheerd: 2 m op kniehoogte
Tweerijige singel; de kruin wordt vaak dubbel zo breed: hoogte 3 m op kniehoogte
Kleinschalig bosplantsoen   In principe alle beplantingen met kenmerken van bosplantsoen. Breedte is afhankelijk van beheer, bodem en soorten oppervlak <100m2
Opslagbos en derivaten Bos en begroeiing dat spontaan door natuurlijke aanzaaiing zijn ontstaan. Zie ook spontane bosvorming. Singelachtige begroeiingen vanaf 2 m breed
Bosachtige begroeiingen vanaf 15-30m breed.
Struweel 1 tot 6 m hoge begroeiingen; in hoofdzaak samengesteld uit struikvormende soorten; met hier en daar lage, 6 tot 10 meter hoogte, bomen. 15 m breed
Gesloten struweel In hoofdzaak aaneengesloten vegetaties bestaande uit 1 tot 6 meter hoge struikvormende soorten met weinig open ruimte voor kruidachtige begroeiing. 15 m breed
Open struweel 1 tot 6 meter hoge vegetaties; bestaande groepen struikvormende soorten die geregeld door open plekken met kruidachtige begroeiingen worden afgewisseld. 15 m breed
Grazig struweel Is een variant op het open struweel, maar de open plekken bestaan in hoofdzaak uit een grazige begroeiing . 15 m breed
Randstruweel Struweel langs of rond bosachtige begroeiingen (in de vegetatiekunde wordt dat ook wel mantelvegetatie genoemd). 8-15 m breed
Struweelachtige begroeiingen Beplantingen met kenmerken van struweel of van struweel zijn afgeleid.  
Losse doornhaag Een losse doornhaag is een haag die in hoofdzaak uit struikvormende soorten bestaat die doorns en stekels bezitten. (o.m. meidoorn, sleedoorn en hondsroos) Eenrijige losse meidoorn hagen moeten om de ca 10-15 jaar worden afgezet. Zonder beheer kunnen deze hagen tot 8-10 m breed uitgroeien. Voor eenrijige heggen is met het oog op de fauna een kleinere afmeting wenselijk. 4 (3- 6) m breed
Scheerhaag Zeer dichte, strakke beplanting die minimaal een maal per jaar wordt geschoren. Groeit bij staken van het beheer tot brede losse haag uit. In geschoren vorm: 0,5-1,0 m breed en 0,8-2,0 m hoog. Rond de langste dag ongeveer één meter bij optellen.
Randbeplanting met struiken en struikenrij  Stroken met struiken langs een bos, bosachtige beplanting of als afscheiding. Afhankelijk van de soorten en plantverband.
zelfregulerend: 8 - 15 m breed
met extensief beheer: 8 m breed
met intensief beheer: 2-4(6) m breed
Gesloten struikbeplanting planting Een struikbeplanting met een kroonsluiting groter dan 60% en vooral in het voorjaar met een kruidlaag of met bodembedekkers. Idem
Open struiken beplanting Een struikbeplanting met een kroonsluiting tussen de 20 en 60% met onder de struiken een grazige tot kruidachtige onderbegroeiing of bodembedekkers; tussen de struiken een grazige tot ruige vegetatie. Idem
Kleinschalig bosplantsoen In principe alle beplantingen met kenmerken van bosplantsoen. Breedte is afhankelijk van beheer, bodem en soorten: <100m2
Koster, A. (1998). Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-Rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 349.
Koster, A. (2001). Openbaar groen op ecologische grondslag. Proefschrift Wageningen universiteit, pp. 264.

 

Typologie en afmetingen voor bos en bosachtige beplantingen Sluit deze pag. met kruisje rechts boven!