| Op alle kale en omgewoelde bodems waar houtige gewassen kunnen groeien, ontstaat in de aanlegfase zonder enige uitzondering een kruidachtige, veelal lichtminnende vegetatie. Hoe voedselrijker de bodem is en hoe meer de bodem is omgewoeld, des te weelderiger zal die vegetatie zich ontwikkelen. In de directe woonomgeving wordt de ontwikkeling van deze vegetatie door schoffelen vaak tegengegaan of door maaien binnen de perken gehouden. |
| Groei van kruiden bij dunning |
| In de eerste plaats ondervindt de beplanting in mindere of meerdere mate concurrentie van de kruidachtige vegetatie. Maar als de beplanting eenmaal aan de groei is, worden de rollen omgedraaid en is het de beplanting die de kruiden beconcurreert. Bij het sluiten van de beplanting verdwijnen onder het jonge kronendak binnen enkele jaren vrijwel alle kruidachtige planten. Alleen langs de randen blijven de kruiden aanwezig. Het kruidenbeheer van de kruiden langs deze randen wordt randenbeheer genoemd. |
| Onder jonge, gesloten beplantingen van 6-15 jaar oud is de bodem vaak volledig kaal. Plantengroei treedt pas weer op als er licht toetreedt. Dat gebeurt zonder uitzondering na dunning. Onder invloed van het licht ontkiemen dan zaden van allerlei planten. Vooral op voedselrijke en gestoorde bodems kan deze vegetatie wel twee meter hoog worden. Bij het opnieuw sluiten van de beplanting verdwijnt deze vegetatie weer. Een herhaling van dit proces vindt plaats bij de tweede dunning en zal zich blijven herhalen bij alle grotere ingrepen in de beplanting. |
| Het is hetzelfde proces dat we bij hakhout op voedselrijke bodems zien: een steeds wisselende dominantie van kruiden of houtigen. In bossen, parken en grotere plantsoenen is het uit faunistisch oogpunt zeer interessant om verschillende van deze fasen naast elkaar te hebben. Op de ene plek domineert een onstuimige ontwikkeling van kruidachtigen, tweehonderd meter verder heerst een schijnbare stabiele situatie en daar tussenin bestaat een geleidelijke overgang. |
| Groei van kruiden zonder dunning |
| Als er niet wordt gedund, blijft bij sluiting van de beplanting, de groei van kruiden in de eerste 5 tot 10 jaar tot de randen beperkt. Bij struiken en struweelbegroeiingen zal dat veel meer van blijvende aard zijn. Indien de beplanting bestaat uit opgaande bomen of een combinatie van bomen en struiken zal de sluiting van de kroonlaag na 10 tot 15 jaar geleidelijk wat verminderen. Er zal meer licht op de bodem vallen. Op een voedselrijkere bodem zal dat vrij snel gepaard gaan met de ontwikkeling van een kruidlaag. |
| Op een voedselarme bodem kan die ontwikkeling nog enige jaren op zich laten wachten. Dit hele proces wordt versterkt naarmate de bomen hoger worden. Na 15 tot 30 jaar zijn de kruinen van de bomen zo hoog dat de bodem volledig door een kruidlaag kan worden bedekt. Bij niets doen ontstaat er onder de aangeplante bomen op den duur vaak een struiklaag en zelfs een jonge boomlaag. Op grotere oppervlakten kan er op deze wijze zelfs een geheel nieuw bos ontstaan. |
| Hoe snel dat proces zich voltrekt, hangt af van de bodem en de soorten in de beplanting. Bij een aanplant van beuken op relatief arme bodem zal dit proces enige eeuwen kunnen duren. Bij populieren en wilgen op een voedselrijke bodem kan dat een kwestie zijn van 30 of 50 jaar. |
| Beheer kruiden |
| Of we nu wel of niet dunnen er komt een moment dat de kruidlaag zich sterk gaat ontwikkelen. We hebben al gezien en de meeste beheerders zijn er ook al meer mee geconfronteerd dat hun lief is, dat de kroonsluiting het voornaamste natuurlijke mechanisme is om de kruidachtige vegetatie te regelen. Een open kroon betekent een maximale productie, een gesloten kroon een minimale productie. |
| Als we met een beplanting geen bepaald doel of functie beogen en de beplanting met rust laten komt alles vanzelf wel goed. Zonder uitzondering regelt de natuur de meest perfecte situatie die denkbaar is. Op de ene plek een brandnetelbos met kans op een zeer interessante fauna, op de andere plek een idyllisch bos met bosanemonen en primula's of hoge varens. In de praktijk van alledag zijn er redenen waarom we ons er mee willen of moeten bemoeien. Zie tabel motieven beheer. |
| |
| Lichtregulatie met foto's lichtinval |
|
|
|
| In een blijvende kruidlaag met zo min mogelijk storingssoorten zullen in de loop der jaren tientallen plantensoorten zich spontaan vestigen. Veel van deze soorten kunnen zich goed uitbreiden en standhouden in licht beschaduwde situaties. Enerzijds wil men deze soorten bevorderen, anderzijds wil men storingssoorten tegengaan. Het recept is: zoveel licht in het plantsoen brengen dat gewenste soorten zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen en ongewenste soorten veel minder kansen krijgen. In de praktijk betekent dit, dat men de beplanting na de eerste dunning of oudere beplantingen voortdurend selectief en zeer geleidelijk moet dunnen. |
| Omdat er talloze factoren zijn die hierbij een rol spelen, zijn er geen criteria voor het bestek te geven. De maatregelen hangen af van de ontwikkeling van de kruidlaag. In gesloten beplantingen met een redelijke lichtdoorlatendheid, kan zich in de meeste gevallen nog een redelijke voorjaarsflora ontwikkelen, bijvoorbeeld speenkruid, bosanemoon of daslook. Maar als het kronendak te veel gesloten is, zoals vooral onder struiken en struweel het geval is, zal in het late voorjaar en in de zomer de bodem kaal zijn. Soorten die meer aan het late voorjaar zijn gebonden, als robertskruid en stinkende gouwe, krijgen geen kans om tot bloei te komen en sterven pleksgewijs uit. |
|
| Tabel Richtlijnen lichtregulatie --------------------- Foto's lichtinval en kruidlaag |
| a |
Een kale bodem in de maand april betekent dat de beplanting voor bijna alle soorten te donker is. Dit is een sterk signaal om licht in te brengen. |
| b |
De voorjaarsflora is wel aanwezig maar komt weinig tot bloei of verminderd. Als a. Dus ook een sterk signaal om licht in te brengen. |
| c |
De voorjaarsflora is goed ontwikkeld, maar in het late voorjaar en in de zomer is de bodem kaal. Een signaal om licht in te brengen maar dat dient voorzichtig te gebeuren. |
| d |
Bomen met een vrij dichte kroon laten bij een volledige kroonsluiting nauwelijks voldoende licht door voor plantengroei. (beuk, linde, esdoorn, zwarte els, tamme kastanje) |
| e |
Bomen met een open kroon laten bij volledige kroonsluiting vaak nog voldoende licht door voor minstens een voorjaarsflora (es, berk, robinia) |
| f |
De meeste struiken zijn te donker. Onder struweel is vaak weinig of geen groei van kruiden. |
| |
Wijze van lichtregulatie |
| g |
Lichtregulatie wordt in de eerste plaats gecreëerd door zeer geleidelijke dunning (bijvoorbeeld 10%) van de planten. Maar als dit een integrale dunning is ten gevolge van achterstallig onderhoud leidt dit tot verruiging. |
| h |
Het bevorderen van zijwaartse lichtinval is gunstig voor de ontwikkeling van de kruidlaag. In smalle beplantingsstroken en kleine plantvakken kan men vaak volstaan door de zijkant van de beplantingen opener te maken. Aan de noordkant kan dat wat royaler dan aan de zuidkant. Dit kan door dunnen van de buitenste rij planten, maar in kleinere plantsoenen ook door snoeien. Dit zijn alle handelingen die er op gericht zijn planten in te korten of uit te dunnen, al dan niet machinaal knippen, kappen of zagen. |
| i |
In brede beplantingen is het ook mogelijk om bomen te ringen of te lieren. Bij de laatste werkwijze zal op de meest open plek een zekere ruigte ontstaan, maar onder de omringende beplanting kan dan licht toetreden voor de minder ruige bos- en schaduwplanten. Bij ringen sterven bomen geleidelijk aan af. De kruidlaag ontwikkelt zich dan minder explosief. |
| |
| Foto's lichtinval en kruidlaag |
|
| |
| |