| Onder snoeien verstaat men het inkorten of geheel wegnemen van takken aan bomen en heesters om de vruchtzetting, bloei of groei van andere takken te bevorderen. Ook kan het doel het geheel een bepaalde vorm te geven. Wat men precies onder snoeien verstaat, is afhankelijk van de streek en de vakcultuur. Wat voor de een “afzetten” is, is voor de ander “snoeien”. In de ruime zin van het woord kan men onder snoeien alle handelingen verstaan, die worden verricht om planten in te korten. De voornaamste handelingen zijn: |
| Koppen of toppen: Planten die als struik moeten gaan uitgroeien, worden dan bij de eerste dunning gekopt. |
| Vorm-, dunnings- en verjongingssnoei: Deze snoei dient vooral te worden toegepast bij het beheer van kleinschalig bosplantsoen. Op veel plekken kan men zich uit esthetische motieven geen kaalslag veroorloven. |
| Afzetten of terugzetten:
Hierbij worden planten tot aan de grond of tot op kniehoogte ingekort. Dit wordt gedaan bij hakhout en heggen. |
| Knotten:
Alle jonge takken worden tot aan de stam weg gesnoeid. Bij grienden en knotbomen. |
| Dunnen: Wegsnoeien van jonge bomen en struiken. |
| Alleen het dunnen wordt hier afzonderlijk besproken. De overige snoeivormen worden als bekend verondersteld. |
| |
| Dunnen |
|
|
| Dunning is nodig om binnen een bepaalde tijdslimiet een bepaald effect of beeld te bereiken. Hoeveel er gedund moet worden, hangt van de doelstelling en de plantdichtheid af. In stadsplantsoenen wordt de dunning door twee aspecten bepaald. Het totale beeld van de beplanting/compositie en de onderbegroeiing. |
| Eén aspect is dat voor de beeldvorming bomen en struiken tot hun recht moeten komen. De individuele esthetische, ecologische en functionele kwaliteit van een boom of struik binnen de totale beplanting moet tot uiting komen. Daarnaast moeten ze bijdragen aan de totale compositie van de beplanting. Als er zowel uit esthetische als uit ecologische motieven een kruidlaag of andere bodembedekking gewenst is, moet er voor de realisering hiervan een zekere hoeveelheid licht kunnen doordringen op de bodem. Voor een ruige kruidlaag is dat veel licht, voor een lage en fijn gestructureerde kruidlaag is dat veel minder. |
| De vereiste hoeveelheid licht is niet precies aan te geven. Als het bijvoorbeeld te donker is onder een dicht bladerendek van een beuk dan groeit eronder vrijwel niets of heel weinig. Bij wat meer licht kunnen al wel een aantal planten groeien, maar niet in bloei komen. De aanwezigheid van een tapijt van speenkruid dat nauwelijks in bloei komt, is een teken dat er iets meer licht moet toetreden. Als de vergrassing te sterk toeneemt, moet er meer schaduw komen om de groei van schaduwplanten te bevorderen, die niet met gras kunnen samen groeien. Verder geldt als vuistregel, dat de kruiden in de schaduw op een vochtige, voedselrijke bodem beter groeien dan op een droge, voedselarme bodem. |
| Bij plantafstanden van 1,25 tot 4 meter zullen dunningen vroeg of laat noodzakelijk zijn. Bij plantafstanden van 1-1,5 m is dunning na 4 tot 6 jaar nodig, afhankelijk van de bodemvruchtbaarheid en concurrentie van kruiden. Bij grotere plantafstanden moet men rekening houden met 5 tot 10 jaar voor de eerste dunning. |
| Vuistregels voor dunnen |
| Als algemene vuistregel voor de eerste dunning geldt: dunnen als planten elkaar raken en die planten wegnemen, die de groei van andere belemmeren. Bij een gelijkmatige groei zou dan na verloop van tijd de helft van de planten moeten worden gedund. Wat er gedund moet worden kan het beste in het veld worden vastgesteld. De tweede dunning is al veel meer selectief. Per standplaats moet worden beoordeeld wat er gedund moet worden. |
| Als windworp en natuurlijke sterfte van bomen en struiken uitblijven, zal het dunnen een voortdurend, maar extensief en selectief beheeraspect blijven. Dunnen is niet alleen nodig om de houtigen meer ruimte en de kruidachtigen meer licht te geven, maar in veel gevallen ook om een al dan niet natuurlijke verjonging van de beplanting mogelijk te maken. |
| Bij een relatief dichte plantafstand zal de eerste dunning veel meer volgens een bestek gaan. De concurrentie van de kruiden is dan sneller uitgeschakeld en de planten groeien gelijkmatiger op. Vooral bij de eerste dunning zal er relatief veel moeten worden gedund. In de schema's wordt dat aangeduid met “ integrale dunning ”. Bij relatief ruime plantafstanden kan men per plek bekijken wat er moet worden gedund. |
| |
| Snoeihout |
|
Foto's snoeihout |
| Wat er met snoeihout moet gebeuren, hangt van de omstandigheden af. Op plekken waar geen ruimte is of waar overlast te verwachten is, wordt het snoeihout meestal afgevoerd. Op veel andere plaatsen kan het blijven liggen, waar het dan kan bijdragen aan de esthetische en ecologische kwaliteit van de beplanting. Bij het laten liggen van snoeihout zijn talloze variaties mogelijk. Dit hangt allemaal af van de functie, de plek en de ruimte van de beplanting en het inzicht van de beheerder. Men kan het snoeihout her en der laten liggen en men kan het op allerlei wijzen ordenen, onder meer door het op rillen te stapelen. Een aantal aandachtspunten moet steeds in overweging worden genomen: |
| a. Vooral bij de eerste dunning kan verspreid liggend snoeihout bij later beheer in de weg liggen. Als men na de eerste dunning overgaat op het zogenaamde randenbeheer, hoeft snoeihout geen probleem te zijn. Als kruidenbeheer tussen de beplantingen ook in de jaren direct na de eerste dunning plaatsvindt, kan het snoeihout het eerste of de eerste paar jaar in de weg liggen.
Het snoeihout afvoeren
of op rillen leggen is dan wellicht efficiënter. |
| b. Op plekken waar door te veel schaduw geen kruidengroei mogelijk is kan snoeihout worden versnipperd. De vraag is echter of versnipperen voordeliger is dan afvoeren. Hierover is zeer zeker geen eenduidigheid. Dit is een vraag die iedere beheerder voor zich zelf moet stellen. In het algemeen hebben houtsnippers een verruigend effect. De vermeende voordelen van het versnipperen worden vaak weer te niet gedaan door het extra beheer dat nodig is om verruiging in toom te houden. |
| c. Door planning, ontwerp, aanleg en beheer kan het probleem van snoeihout worden beperkt. |
| d. Op tijd kleinschalig ingrijpen voorkomt stuwing van potentieel groenafval. |
| |
| |