| Terug naar vragen bos en struweel | |
Kruidlaag
|
kruidlagen ingedeeld naar beheer en structuur: beschrijving en enkele soorten die kunnen voorkomen |
Cultuurlijk |
Begroeiingen waarin soorten zijn geïntroduceerd of zich spontaan hebben gevestigd, maar die alleen met bijzondere beheermaatregelen in stand kunnen worden gehouden; dus door wieden, schoffelen of uitmaaien. |
Halfcultuurlijk/ Halfnatuurlijk
|
Begroeiingen waarin soorten zijn geïntroduceerd en/of spontaan zijn gevestigd die zich zonder extra of bijzondere beheermaatregelen kunnen handhaven en uitbreiden. Van oorsprong kan deze kruidlaag cultuurlijk zijn, maar in de loop der jaren kan deze zich ontwikkeld hebben tot een natuurlijk ogende begroeiing. Afhankelijk van de intensiteit van het beheer en de geïntroduceerde soorten zal het accent op halfcultuurlijk of halfnatuurlijk liggen. |
Natuurlijk |
Begroeiingen die zich zonder menselijk ingrijpen ontwikkelen. |
Lage voorjaars-bloeiende kruidlaag. (Kruidlaag met bloeiaccent in het voorjaar (heeft overeenkomsten met stinzenflora / Middenbosflora) |
Cultuurlijke tot natuurlijke begroeiingen van overwegend vroeg bloeiende en laagblijvende (tot 0,5m) soorten. Meestal spontaan: speenkruid. Zowel spontaan als ingezaaid: geel nagelkruid, robertskruid, stinkende gouwe etc. Meestal aangeplant: bosaardbei, bosanemoon, boshyacint, bosvergeetmijnietje, daslook, donkere ooievaarsbek, gevlekte aronskelk, groot heksenkruid, gulden boterbloem, holwortel, lievevrouwebedstro, maagdenpalm, maartsviooltje, muskuskruid, vingerhelmbloem, gewoon sneeuwklokje, boeren krokus, wilde narcis en winteraconiet. Beplanting en kruidlaag vragen in het begin veel begeleiding. Selectief wieden en uitmaaien. Na verloop van jaren kan worden volstaan met extensief beheer. |
Grazig |
Meestal halfnatuurlijke begroeiingen waarin de grassen de overhand hebben met of zonder bloeiende graslandplanten (paardenbloem, pinksterbloem, stinzenplanten, etc.). Afhankelijk van de lichtinval en de dichtheid van de zode kunnen ook planten van de andere groepen aanwezig zijn. Er kan worden volstaan met uitmaaien. |
Zomergroene, halfhoge kruidlaag |
Meestal halfcultuurlijke tot halfnatuurlijke ca 0,30-0,8 m hoge, veelal gesloten begroeiingen. Voorkomende soorten zijn: echte koekoeksbloem, kleine springbalsemien, groot heksenkruid, brede stekelvaren etc. Deze begroeiing kan eventueel worden uitgemaaid. Varens moeten met rust gelaten worden. |
Ruig |
Halfcultuurlijke tot natuurlijke, halfhoge tot hoge (0,6-1,5m), al dan niet zomergroene begroeiingen. Voorkomende soorten zijn: fluitenkruid, grote brandnetel, groot hoefblad. Indien nodig deze begroeiing uitmaaien. |
Heterogeen |
Halfcultuurlijke tot natuurlijke begroeiingen die uit verschillende van de bovengenoemde aspecten is samengesteld. Deze begroeiing kan sterk in hoogte verschillen. Indien nodig uitmaaien. |
Bodembedekkend |
Meestal halfcultuurlijke / halfnatuurlijke (zelden natuurlijke), gesloten, zomergroene, halfhoge begroeiingen die door één of enkele soorten wordt gedomineerd; onder meer door zevenblad, gele en gevlekte dovenetel. Deze begroeiing wordt nogal eens aangeplant om ongewenste kruidachtige soorten tegen te gaan. In dit verband dient ook klimop te worden genoemd. Meestal zeer selectief wieden en uitsteken van houtopslag. |