|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Inleiding | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Houtige begroeiingen worden gewoonlijk als vanzelfsprekend aangelegd. Dat wil zeggen, de bodem wordt meestal bewerkt (omgewoeld, gespit, geploegd of gefreesd) om er volgens een bepaald beplantingsplan of ontwerp bomen en struiken aan te planten. Indien op zo'n plek in meer of mindere mate natuurontwikkeling wordt beoogd, is het de vraag of het groen altijd tot in de details moet worden ontworpen en/of bodembewerking en aanplanten van houtige gewassen steeds noodzakelijk zijn. Als het om natuurontwikkeling gaat, is dit de eerste vraag die men zich moet stellen. Het antwoord hangt sterk af van de andere doelstellingen en functies die men met de begroeiing beoogt. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In dit hoofdstuk zal aan de hand van een groot aantal voorbeelden aannemelijk worden gemaakt dat aanplanten niet altijd noodzakelijk is of dat men eventueel kan volstaan met gedeeltelijk aanplanten. Er blijft dan meer ruimte over voor natuurlijke ontwikkeling. Er komen zowel in als buiten het stedelijk gebied veel plekken voor waar natuurontwikkeling een belangrijke rol speelt of moet gaan spelen of waar een snelle realisering van een houtige begroeiing geen noodzaak is. Bijvoorbeeld in recreatieterreinen op plekken waar natuurontwikkeling of waterbuffering is gepland of langs lintvormige elementen. In al die gevallen is het te overwegen om deze plekken door de natuur zelf te laten invullen (zie: Koster 2001). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voor gezondheid en welzijn kunnen spontane houtige begroeiingen van enorme betekenis zijn. Ze kunnen gelegenheid bieden, voor struinen, avontuur en natuurbeleving niet alleen bij volwassenen, maar ook bij kinderen. Voor kinderen is in verband met sociale veiligheid, kleinschalig groen vaak al voldoende. Zie verder via home: "betekenis groene ruimte voor welzijn en gezondheid". |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Volwassen grootschalig | Kinderen kleinschalig | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In het overzicht staan de terreintypen genoemd die zijn geïnventariseerd op houtige opslag (Koster 1998, 2001). Deze inventarisatie is alleen verricht om aannemelijk te kunnen maken dat in veel, misschien wel de meeste situaties, houtige begroeiingen door natuurlijke processen vanzelf ontstaan. Daarnaast zijn er ook gegevens verzameld van opslag van houtige soorten in bestaande begroeiingen. Wat hierbij opvalt, is dat er ook exoten voorkomen, vooral op ruderale terreinen in de stedelijke omgeving: witte kornoelje, Vlinderstruik, bergroos, cotoneaster, hanenspoormeidoorn en meelbes. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Op spoorwegemplacementen komen deze soorten en tientallen andere regelmatig voor (Koster 1987), maar tot nu toe zijn deze in het algemeen niet aspectbepalend op ruderale terreinen. Er is slechts één voorbeeld van een emplacement dat grotendeels met vlinderstruik is overgroeid. In Berlijn zijn er emplacementgedeelten die grotendeels met hemelboom zijn begroeid. Deze soort wordt ook steeds meer in Nederland waargenomen en de kans is niet uitgesloten dat hij in de voetsporen treedt van robinia, oorspronkelijk een exoot die sinds jaar en dag in Nederland is ingeburgerd. In ieder geval moeten we er rekening mee houden dat in het verstedelijkte gebied exoten, die talrijk in tuinen en parken zijn aangeplant, zaailingen zullen hebben in begroeiingen die zich spontaan ontwikkelen of zijn aangelegd en extensief worden beheerd. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Voor een uitvoerige studie over uitheemse houtige soorten wordt verwezen naar Henke & Sukopp (1986); Kowarik (1982-1993); Kronenberg & Kowarik (1989); Meyer (1935); Sachse (1989) en Sachse et al. (1990). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voordelen: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Ontwerpers overbodig? | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Uit deze pagina zou men kunnen afleiden dat ontwerpers (waar andere functies dan pure natuurontwikkeling ontbreken) bij spontane bosachtige begroeiingen overbodig zijn. In gevallen waar andere functies geen rol spelen is dat het geval. Maar in ons sterk verstedelijkte landschap komt dat zelden voor. De meeste bossen en andere begroeiingen hebben een belangrijke sociale functie (Oostvaarders plassen, Brettezone, Surfmeer Veenendaal). De ontwerper ontwerpt dan in relatie met sociale functies (en stadsecologische functies). Er verandert dus niets aan de principiële taak van de ontwerper. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De ontwerper is voorwaardenscheppend bezig en zoekt naar kansrijke plekken voor bepaalde vormen van spontane natuurontwikkeling (bos, struweel, ruigte, gras, water of moeras). Hij doet dat op een wijze dat natuur zich inderdaad spontaan kan ontwikkelen, maar op een zodanige wijze dat dit de belevingswaarde en andere sociale functies versterkt. Daar komt nog bij dat goede ontwerpers anticiperen op toekomstige ontwikkelingen en daardoor een betere basis voor duurzaamheid kunnen leggen. Dus in de meeste gevallen betekent spontane begroeiing geen beperking maar juist een uitdaging voor ontwerpers. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Houtige soorten in stenige milieus | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Tientallen houtige soorten groeien in stenige milieus. Op kleine schaal kunnen we dit in de Nederlandse steden waarnemen: een berk of vlier die in een dakgoot groeit of een vlinderstruik die 6 m boven de grond in een spleet van een muur of uit een raamkozijn groeit. Minder extreme situaties komen voor op oude ruïnes die niet zijn gerestaureerd. Daar zijn vaak plekken te vinden die sterk zijn verweerd en een goed contact hebben met het grondwater waardoor de stenen altijd iets vochtig zijn. Verder zijn hier meestal plekken waar een mengsel aanwezig is van verweerde steen, stof, vuil en grond. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De meeste ruïnes zouden sterk begroeid raken als ze niet zouden worden gerestaureerd of geconsolideerd. In de Europese bergen zien we eveneens dat in - voor Nederlandse begrippen extreme - stenige situaties bossen en struwelen kunnen groeien. De meest voorkomende stenige milieus in Nederland waar houtige soorten een redelijke kans van slagen hebben, zijn verhardingen die bestaan uit losse klinkers, kinderhoofdjes en tegels. Klik op links voor foto's: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Natuurlijke stenige milieus | Bomen op stenen trap | Begroeiing loswal binnenkant | Begroeiing loswal buitenkant | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bij een inventarisatie van het plaveisel in 1988-1989 in Veenendaal werden de volgende soorten genoteerd: gewone esdoorn, zwarte els, goudenregen, azijnboom, ruwe berk, Cotoneaster horizontalis, robinia, boswilg, gewone vlier en vijg. In Arnhem vond Van Dort (1990) tijdens een wandeling van ca. vier uur de volgende houtige soorten: appel, balsempopulier, bosrank, boswilg, es, gewone esdoorn, gewone vlier, goudenregen, hollandse iep, hollandse linde, japanse appel (Choenomeles japonica), mahonie, Noorse esdoorn, robinia, ruwe berk, Spaanse aak, Taxus, zoete kers en zomereik. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De soorten die zowel in Veenendaal als Arnhem werden aangetroffen, waren nog in een jong stadium van ontwikkeling. Op plekken die lange tijd met rust worden gelaten, kunnen deze houtige soorten behoorlijk uitgroeien en zelfs tot volledige wasdom komen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Op plekken met verhardingen die volledig aan hun lot zijn overgelaten, kan op den duur zelfs een compleet bosje ontstaan. In Nederland zagen we dit op verlaten loswallen van de Nederlandse Spoorwegen tot het einde van de vorige eeuw, zoals op het spoorwegemplacement van Oldenzaal dat volledig met houtige soorten was overgroeid. De bodem zag er als een bosbodem uit. Er waren plekken met mos, blad en grassen, plekken met min of meer zwarte grond, korstmossen en diverse paddenstoelen. De dikte van de losse grond bedroeg slechts enkele centimeters. Daaronder was het geplaveid met kinderhoofdjes. Aan de hand van de beelden die in de periode 1980-1994 op de meeste spoorwegemplacementen waren te zien, is dat eenvoudig te verklaren. In vrijwel alle voegen van verhardingen kunnen houtige soorten voorkomen. Ondanks het feit dat er vaak niet meer dan 1-3 cm ruimte is voor de wortelhals kunnen stammen wel 10 cm dik worden. (waarnemingen auteur 1980-2000) Klik hier voor foto kinderkopjes |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In natuurterreinen (oude cultuurlandschappen) is de opslag van houtige soorten het duidelijkst. Daar vormt de opslag vaak een groot en jaarlijks terugkerend probleem. Zonder ingrijpen van de mens ontwikkelen de meeste natuurterreinen zich tot bos en struweel. Om dit te voorkomen moeten ze worden gemaaid of begraasd of moet houtige opslag met de hand worden uitgestoken. Op hei, die een aantal jaren met rust wordt gelaten, slaan al vrij snel ruwe berk en grove den op. Op natte terreinen is dat zwarte els, verschillende wilgensoorten of zachte berk en in de Zuid-Limburgse kalkgraslanden zijn dat de doornstruwelen (Rijksinstituut voor Natuurbeheer 1979; Schamineé et al. 1995-1999; Stortelder et al., 1999; Westhoff et al., 1970-1973; Westhoff & Den Held, 1975). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Dit verschijnsel van verbossing komt zo algemeen voor, dat situaties waar dat niet gebeurt grote uitzonderingen zijn. Vandaar dat in nieuwe natuurgebieden langs de grote rivieren al direct grote grazers worden ingezet. Iin andere natuurgebieden zijn in toenemende mate verschillende soorten grazers te vinden, zelfs in stadsparken en recreatieterreinen. Zonder beheermaatregelen is de kans groot dat de meeste natuurterreinen dichtgroeien met bos. Via begrazing kunnen terreinen afhankelijk van de begrazingsdruk in meer of mindere mate worden opengehouden en bosuitbreiding of bosverjonging worden tegengegaan (Hermy et al., 1989; Van der Lans & Poortinga, 1986; Londo, 1991, 1997; Rijksinstituut voor Natuurbeheer, 1979; Thalen, 1984, 1987; Vera, 1997; Van Wieren & Borgesius, 1988). |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klik op links voor foto's: voor een droog terrein ----- voor een nat terrein | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Het meest sprekende voorbeeld van spontane houtige begroeiingen in bermen is te zien langs de Nederlandse spoorwegen. Door te maaien, en tot ca. 1985-1987 door te branden, gaat en ging men de opslag van houtige soorten op veel plaatsen tegen. Op veel plekken waar de veiligheid van treinverkeer, wegverkeer en onderhoudspersoneel niet in het geding is, mogen houtige begroeiingen zich ontwikkelen. Dit heeft geleid tot lintbegroeiingen die qua soortensamenstelling, structuurvariatie en biologische waarden (in ieder geval in de jaren 1980-1990) de concurrentie met andere lijnvormige begroeiingen in beschermde landschappen goed konden doorstaan. Op klasseniveau komen vrijwel alle vegetatietypen voor. Minimaal gaat het om bermgedeelten van 100 m lengte. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gewoonlijk gaat (ging) het om enkele kilometers aaneengesloten begroeiing. Voor de locaties waar deze volledig ontwikkeld zijn aangetroffen, wordt verwezen naar de verspreidingskaartjes (Koster, 1991). Voor een soortgelijk onderzoek in Engeland wordt verwezen naar Sargent, 1984. Langs verschillende kanalen in Nederland is een gelijke ontwikkeling waar te nemen. Onder meer langs het Wilheminakanaal (N-Br), Eindhovens Kanaal (N-Br), Beatrixkanaal (N-Br), Oranjekanaal (Dr), Kanaal van Almelo naar Nordhorn (Ov) en in mindere mate langs het Apeldoorns Kanaal. Daarnaast ontstaan er in allerlei andere soorten greppels interessante singel- en struweellachtige begroeiingen. Klik op links voor foto's: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Greppel langs de Grift | Greppels langs het spoor | Varens langs het spoor | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In wegbermen en taluds komt verhoudingsgewijs de minste spontane houtige opslag voor omdat de meeste bermen integraal worden gemaaid. Op plekken waar dat niet het geval is, slaan vooral op zandige bodems houtige soorten op (Vissers & Verhoek 1987), onder meer in de berm van de N 33 Gieten-Assen. Een uitzondering is dit niet zoals uit een uitvoerig bermonderzoek blijkt, dat in de jaren tachtig in Nederland is verricht: ‘ In een groot aantal bermen vindt voortdurend opslag plaats van houtige plantensoorten. Deze worden door het regelmatige maaibeheer elk jaar weer onderdrukt en wijzen erop dat na staken van het beheer een snelle successie naar struweel of bos kan plaatsvinden.' (Sýkora et al., 1993). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ongeveer de helft van de Nederlandse houtige soorten is in wegbermen aangetroffen. Langs wegen waar plasbermen zijn aangelegd, ontwikkelt zich vrij snel houtopslag (mondelinge mededeling H. Heemsbergen). Dit is totaal anders met bermen van spoorwegen en kanaaloevers. Als die met rust worden gelaten kan er een volwaardige bosbegroeiing ontstaan. Klik op links voor foto's: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Berm en leidingenstrook | Rondweg Veenendaal | Kanaalberm | Spoorwegtalud. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Spoorwegemplacementen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Op alle spoorwegemplacementen slaan houtige soorten vrijwel zonder uitzondering op. Waar geen onkruidbestrijding plaatsvindt, ontwikkelen zich gesloten bosjes. Bij verhardingen is al verwezen naar de begroeiing die op loswallen kan voorkomen. De meeste loswallen, die in de periode 1980-1990 buiten gebruik waren en waar niet werd gespoten met chemische onkruidbestrijdingsmiddelen, hadden meestal wel enige houtopslag. Slechts enkele daarvan, die twintig tot dertig jaar niet meer zijn gebruikt en volledig met rust zijn gelaten, zijn tot bosjes getransformeerd (Oldenzaal, Apeldoorn, Simpelveld en Kerkrade-West). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Verlaten spoorwegemplacementen werden in het verleden vaak tientallen jaren met chemische onkruidbestrijdingsmiddelen bespoten. Nadat deze methode is gestaakt, zijn er geleidelijk bos- en struweelachtige begroeiingen ontstaan, onder meer bij Eibergen, Simpelveld, Kerkrade-West, Nuth, Susteren, Waalwijk, Elst, Tienraij, Eijsden, Maastricht-Boschpoort, Stavoren en Valkenswaard. Er zijn ook situaties waarbij na aanleg van het emplacement overhoeken zijn overgebleven die spontaan mochten begroeien. Een voorbeeld hiervan is te zien op het emplacement van Onnen (Gr) waar in de jaren tachtig in de spontaan ontwikkelde singels bovendien massaal jonge planten van koningsvaren te vinden waren. Het bekendste en meest onderzochte voorbeeld was te vinden in de Spoorwegdriehoek bij de Diergaarde Blijdorp dat met zand is aangelegd afkomstig van de Utrechtse Heuvelrug. Op emplacementen elders in Europa is sprake van een soortgelijke ontwikkeling (Asmus, 1980; Kowarik, 1986; Muller & Waldert, 1981; Rebele, 1988; en eigen waarnemingen). Klik op links voor foto's emplacementen: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Simpelveld | Kerkrade-West | West-Berlijn | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Industriële terreinen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Onder industriële terreinen worden hier terreinen verstaan die ten behoeve van de industrie worden of werden geëxploiteerd. Hierbij zijn ook ontgrondingen inbegrepen die door zand-, grind- en kleiwinning zijn ontstaan. Industriële terreinen die geheel of gedeeltelijk braak liggen, vormen vaak een goede voedingsbodem voor houtige soorten. Veel terreinen die ten gevolge van de zand-, grind- en kleiwinning zijn ontstaan, ontwikkelden zich in Nederland snel tot bos. In ieder geval alle droge en natte plekken die niet te diep zijn of af en toe droogvallen. In het hele rivierengebied zijn daar voorbeelden van te zien. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In zandafgravingen is spontane bosvorming onder meer te zien in de gemeente Rhenen (Grebbeberg en Kwintelooyen), in Maarn (Zanderij NS) en op de Goudsberg bij Lunteren. Op de droge gedeelten slaan er meestal berken op, op de natte delen wilgen. In de loop der jaren worden daar andere soorten aan toegevoegd, zoals zomereik, zwarte els, ratelpopulier en robinia. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Van Leeuwen (1958) heeft al eerder op de processen van bosvorming in ontgrondingen gewezen. Ook in het buitenland is er veel aandacht voor spontane begroeiingen in afgravingen en terreinen voor delfstofwinning. In de meeste gevallen is vroeg of laat sprake van bos- en struweelontwikkeling (Bauer 1970; Bauer & Prautzsch 1973; Bornkamm & Hennig, 1982; Davis, 1979; Dingethal et al., 1985; Hepburn, 1942; Richter 1966; Usher, 1978) maar in sommige gevallen kan dit langzaam gaan (Bradshaw, 1983). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Een wellicht extreem milieu wordt gevormd door de mijnsteenbergen die op nog enkele plaatsen in het grensgebied van Zuid-Limburg en Duitsland voorkomen. Zowel aan de basis als op de top van deze bergen zijn bosachtige begroeiingen met ruwe berk aanwezig. Voor andere soorten is dit milieu wellicht nog te extreem. Ondanks dit milieu kunnen deze berken hier wel 10 m hoog worden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Klik op links voor foto's: Botlekgebied --- Zandafgraving Emmen --- Mijnsteenberg Herzogenrath. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Verlaten fabrieksterreinen vormen weliswaar een tamelijk extreem milieu, maar zijn wat de houtige begroeiingen betreft vaak meer gevarieerd. In het verleden waren daar in het hele land voorbeelden van te zien zoals fabrieksterreinen in Enschede, de voormalige scheepswerf Gusto in Schiedam en de verlaten wolspinnerijen in Veenendaal. Een recent voorbeeld is het fabriekscomplex Emscher Park in het Duitse Ruhrgebied, dat tegenwoordig als publiekspark in gebruik is. Er is hier sprake van een volledige integratie tussen natuur en industriële bouwwerken. Slechts van één Nederlands fabrieksterrein is de houtige begroeiing volledig geïnventariseerd: een klein verlaten terrein van enkele ha dat pal tegen het oude stadscentrum van Zwolle lag en waar 19 soorten bomen en struiken zijn waargenomen. Klik op links voor foto's: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Verlaten fabriek Zwolle | Emscher park Duitsland | Blauwe kamer | Griftpark | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Braakliggende en opgespoten terreinen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bij braakliggende terreinen in de stad gaat het vaak om terreinen, die een aantal jaren volledig met rust zijn gelaten en waar voorheen gebouwen aanwezig waren. In het begin worden deze terreinen gekenmerkt door open minerale grond waar vrij snel houtige soorten opslaan. Op droge gronden vaak berken, op vochtige bodems wilgen. Vooral op de drogere bodems groeien ook soorten als gewone esdoorn, Spaanse aak, vlinderstruik, boswilg en Robinia. Dit zijn beelden die in vrijwel alle steden, maar wel in steeds mindere mate, kunnen worden waargenomen. Nog niet zo lang geleden konden zulke terreinen lang braak liggen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Tegenwoordig is de tijd tussen afbraak en opbouw zo kort, dat houtige soorten nauwelijks nog een kans krijgen om zelfs maar te ontkiemen. Het Griftpark in Utrecht was mede door de bodemverontreiniging één van de bekendste voorbeelden. Waarschijnlijk waren er ook soorten aangeplant of nog aanwezig uit de periode voor de sloop, maar overal op het terrein waren jonge bomen en struiken aanwezig die zich spontaan hadden gevestigd. Gates (1952) laat zien dat voormalig bebouwde terreintjes van het biologisch station van de universiteit van Michigan in twintig jaar tijd in bosschages veranderden. Klik op links voor foto's: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Voormalig slachthuisterrein ------ Restanten van een hotel ------ Onbebouwde opgespoten grond. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Surfmeer Veenendaal | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In 1982 werd voormalig weiland in Veenendaal voor een nieuw recreatieterrein integraal opgehoogd met enkele decimeters zand afkomstig uit een naastgelegen winplaats, die thans als surfmeer wordt gebruikt en omgeven is met een groene parkstrook. Een aantal jaren lag het opgespoten terrein volledig braak, daarna begon de vegetatie zich te ontwikkelen. Na ongeveer vijftien jaar is een gedeelte begroeid met ruwe berk en grove den. Daarnaast komen er de volgende houtige soorten voor: Amerikaans krentenboompje, Amerikaanse vogelkers, boswilg, braam, brem, es, gaspeldoorn, gele kornoelje, geoorde wilg, grauwe wilg, hazelaar, hondsroos, katwilg, schietwilg, viltroos, wilde lijsterbes, witte kornoelje, zoete kers, zwarte els. Op de grazige plaatsen groeien kruiden als blauwe zegge, echte koekoeksbloem, melkviooltje, poelruit; verder veel plantensoorten van de drogere zandgronden. Op verschillende plekken begint zich struikheide te ontwikkelen. Ondanks het relatief korte bestaan van dit terrein zijn er veel soorten paddenstoelen aanwezig zoals vliegenzwam, gewone berkenboleet, gewone franjezwam, gewone fopzwam, vuurzwammetje en gewone krulzoom. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Het terrein wordt veel bezocht door hondenbezitters en door andere personen die er wat rondstruinen. Van dit opgespoten terrein is te leren dat een relatief dunne laag voedselarm zand op een voedselrijke ondergrond (bemest weiland) tot een voor stedelijke begrippen hoge biologische diversiteit kan leiden, en dat deze terreinen al in een vroeg stadium door burgers als recreatieterrein worden gebruikt. Op dit moment (2006) worden de plekken op de natste ondergrond gedomineerd door zwarte els en wilg. Door deze ondergrond zal er een bos ontstaan dat veel gemeen heeft met het essen-iepenbos. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bij het afronden van dit hoofdstuk (2007) is het terrein volledig omgevormd tot sportaccommodaties. Een belangrijk stuk natuur in Veenendaal is hiermee verloren gegaan. Klik op links voor foto's: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Winterbeeld 1994 | Herfstbeeld nat | Vliegenzwammen | Surfmeer zomer 2006 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Winterbeeld | Nazomerbeeld | Struinen | Surfmeer najaar 2007 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Herfstbeeld | Berkenboleten | Zondagswandeling | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Op het voormalige opgespoten terrein van Ruigoord en de huidige Brettenzone was en is een interessante ontwikkeling te zien, die relevant is voor biodiversiteit en recreatie. Deze terreinen zouden als inspiratiebron voor ontwerpers kunnen dienen. Planning en landschapsarchitectuur van moeder natuur staan vaak in schril contrast met dat wat door tuin- en landschapsarchitecten wordt gepresteerd. Op deze plaatsen is er niet alleen een afwisseling in structuur, maar ook diversiteit in tijd en ruimte. De volgende houtige soorten zijn genoteerd: boswilg, braam, duindoornstruweel, es, gewone esdoorn, gewone vlier, gladde iep, grauwe wilg, hondsroos, katwilg, meidoorn, rimpelroos, rode kornoelje, schietwilg, wilde kardinaalsmuts, gewone vlier, wilde liguster, wilde lijsterbes, witte kornoelje en zomereik. De kruidachtige soorten die buiten de bosjes en struwelen voorkomen, zijn onder meer: bijenorchis, hazenpootje, rietorchis, rode ogentroost en wilde kaardenbol. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De fauna is van een kaliber dat niet onderdoet voor vele andere natuurreservaten van deze omvang. Baardman, blauwborst, bruine kiekendief, buizerd, kleine karekiet, putter, rietzanger, roerdomp, snor, torenvalk en watersnip zijn enkele van de vele tientallen soorten broedvogels. Een kleine twintig soorten zoogdieren zijn er waargenomen waaronder bosmuis, egel, haas, hermelijn, laatvlieger (een vleermuissoort), vos, waterspitsmuis en wezel. Het gaat hier om terreinen die sinds hun ontstaan betekenis hebben gehad voor natuur en recreatie. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Zulke terreinen vormen een inspiratiebron voor ontwerpers en planologen. Natuurlijk hebben ze niet voor alle bevolkingsgroepen een positieve functie. Toegankelijkheid, sociale veiligheid en allerlei andere zaken kunnen problemen opleveren die echter niet specifiek zijn voor een natuurgebied als de Brettenzone; ze spelen ook in de traditionele stadsparken. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klik op links voor foto's: Voorjaarsbeeld ----- Winterbeeld ----- Vegetatiestructuur. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Cultuurhistorische plaatsen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Cultuurhistorische plaatsen vormen vaak markante plekken in en om de stad die te maken hebben met de geschiedenis van de stad. Het gaat hier om kastelen, forten en vestingwerken, stadswallen en begraafplaatsen. Op en in vestingwerken en fortificaties zijn vaak spontane houtige begroeiingen aanwezig. Voorbeelden hiervan zijn de forten van de Hollandse Waterlinie, de Lage Fronten te Maastricht en de vestingwerken in Den Helder. Op deze terreinen zijn onder meer spontaan gaan groeien: bosrank, boswilg, brem, eenstijlige meidoorn, es, gewone esdoorn, gewone vlier, hazelaar, iep, ratelpopulier, rimpelroos, sleedoorn, Spaanse aak, wilde roos en zomereik. Sommige van deze soorten zijn vrijwel zeker nakomelingen van de begroeiingen uit vroegere jaren zoals eenstijlige meidoorn en sleedoorn die aan de voet van de aarden wallen als heg werden geplant (Belonje 1971; Bolhuis 1995; Woud 1987). Verder werden er ook beplantingen aangebracht om het fort min of meer te maskeren (Belonje 1971; Bolhuis 1995; Prick & Kruintjens 1991). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Er waren ook gedeelten die kaal waren zoals dat bij het Fort Abcoude in 1930 nog het geval was (zie foto Koen 1993 p. 37) en een gedeelte van de Lage Fronten in Maastricht dat door schapen werd begraasd (Prick & Kruintjens 1991). Het Fort Abcoude is inmiddels met houtige soorten begroeid. Dit gold ook voor de Lage Fronten. Hier was een ongebreidelde opslag van bomen en struiken één van de veroorzakers van de schrikbarende achteruitgang van de muurhagedis (Prick & Kruintjens 1991). De meeste stadswallen in Nederland worden minstens één maal per jaar gemaaid. Als dat niet het geval zou zijn, zouden ze net als de vestingwerken vrij snel met houtige soorten dichtgroeien. Klik op links voor foto's: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Grebbelinie | Fort Vechten | Fort Den Helder | Fort Rijnsweerd | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Begraafplaatsen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Begraafplaatsen worden gewoonlijk netjes onderhouden. Zelfs de meeste begraafplaatsen die buiten gebruik zijn, worden ten minste één maal per jaar gemaaid waardoor verruiging en bosvorming worden tegengegaan. Toch zien we dat de neiging naar bosvorming sterk aanwezig is. Op plekken waar niet wordt gemaaid, langs en tussen de grafzerken, slaan regelmatig houtige soorten op. Op de rooms-katholieke begraafplaats in Schiedam, die gedeeltelijk was ontruimd, was binnen een aantal jaren een berkenbos aanwezig. In het buitenland komt zulke "verwildering" meer voor dan in Nederland (Gilbert 1989). Vooral in natte gebieden wijkt de bodem van begraafplaatsen sterk af van die van de omgeving. Dat kan soms leiden tot de aanwezigheid van bijzondere planten. Dat was onder meer op de begraafplaats Amsterdam-Osdorp het geval. Door het uitstrooien van as van gecremeerde personen is een kalkrijke zandige bodem ontstaan waarop grote keverorchis zich massaal kon ontwikkelen. Klik op links voor foto's begraafplaatsen: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Sheffield | Amsterdam | Grote keverorchis | Deventer | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Gouda | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Natte terreinen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| In het stedelijk gebied komen natte terreinen relatief weinig voor. Het zijn vaak plekken die ongepland zijn ontstaan of zijn geïntegreerd bij stadsuitbreiding. Een voorbeeld hiervan is te vinden in een nieuwe woonwijk te Assen, waar een voormalig ven als vijver in de wijk is opgenomen en spontaan is begroeid met wilg en zwarte els. In het spoordok van Sneek dat voor het spoorwegemplacement is gegraven, is in de loop der jaren een strook moerasbos ontstaan (Koster 1994). Op kleine schaal is dat overal in Nederland ook langs vijverkanten te zien. Meestal slaan er zwarte els en wilgen op, maar ook soorten als ruwe berk, zomereik, es en sporkehout. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Als het maaien een paar jaar wordt overgeslagen, is de kans groot dat zich een dichte houtsingel langs de waterkant ontwikkelt. Een mooi voorbeeld hiervan is aanwezig langs het Valleikanaal tussen Veenendaal en Rhenen. Aanvankelijk was er in de jaren tachtig een natte greppel die met allerlei kruiden was begroeid. Na aanleg van een recreatief fietspad zijn er geen beheermaatregelen meer in de greppel uitgevoerd. Al na vijf jaar was er sprake van een singelachtige begroeiing, die zo ver is uitgegroeid dat die zelfs gedeeltelijk moest worden afgezet. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klik op links voor foto's: Singel met zwarte els - winterbeeld ------ Singel met zwarte els - zomerbeeld --- Elzenbosje ----- Wilgenbosje | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Opslag in bestaande begroeiingen en bosverjonging | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tussen beplantingen groeien allerlei andere planten die niet zijn aangeplant. Vroeger werd de bodem er zwart gehouden door te schoffelen en met behulp van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen. Kruiden kregen geen kans om zich te ontwikkelen, en houtige soorten al helemaal niet. Dat gebeurt nu wel bij extensief beheer. In de Vredenburg (Arnhem-Zuid) zijn 30 heestervakken geïnventariseerd (Koster, 1998). In 22 daarvan kwamen 26 houtige soorten voor, die spontaan zijn opgeslagen. De soorten zijn waarschijnlijk afkomstig uit de omgeving, bijvoorbeeld uit tuinen, plantsoenen en parken. Ook in veel andere plantsoenen komt houtopslag voor, waarvan de ontwikkeling zich meestal niet doorzet omdat er jaarlijks wordt uitgemaaid. Alleen in grote plantsoenen mogen houtige soorten wel doorgroeien. Dit kan de soortenrijkdom en de variatie in de vegetatiestructuur vergroten en bijdragen aan natuurlijke bosverjonging. Enkele gemeenten (onder meer Zoetermeer, Deventer, Maasland, Meppel en Schiedam) maken hiervan gebruik door bomen te ringen, te kappen of om te trekken (zie ook Oosterbaan 2000 en Van der Lans & Poortinga 1986). Als er niet zou worden uitgemaaid, bestaat er een reële kans dat de aangeplante soorten geleidelijk plaats moeten maken voor de spontaan opgeslagen concurrenten. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klik op links voor foto's bosverjonging: Natuurlijke bosverjonging ----- Bosverjonging door windworp --- Effect van windworp ----- Zoetermeer ----- Amsterdam. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tabel 1. Overzicht van spontaan gevestigde houtige soorten in ca. twintig jaar oude heester- en oorspronkelijke sierbeplantingen in de wijk Vredenburg te Anrhem-Zuid. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Gesloten grasland | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Een van de voorwaarden voor spontane bosvorming is dat de bodem min of meer open is. In een massief plantendek krijgen houtige soorten weinig kans. Op het terrein van de Ecokathedraal te Mildam (Fr) is volgens Le Roy (mond. med. 1994) het grasland in geen twintig jaar gemaaid. Houtige opslag was vrijwel afwezig, vermoedelijk ten gevolge van begrazing door ree en konijn. Ook in grazige begroeiingen die sterk zijn vervilt, is het opslaan van houtige soorten ongewoon. In veel andere situaties waar vervilting door natuurlijke of cultuurlijke oorzaken geen rol speelt, kan bosvorming echter snel optreden. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In het Vijfhoekpark in Zaandam dat door Schotse Hooglanders wordt begraasd en waar de begroeiing een aantal jaren geleden nog in hoofdzaak uit Engels raaigras bestond, kwam op veel plekken opslag van zwarte els voor. In natte tot vochtige graslanden kunnen in enkele jaren schietwilg, zwarte els en zachte berk opslaan, zoals in de Blauwe Hel bij Veenendaal. Als het maaien hier maar een keer wordt overgeslagen, is er direct sprake van opslag. Bij het staken van het beheer in kalkgraslanden ontwikkelt zich vaak een doornstruweel. In Zuid-Limburg is dat op verschillende plaatsen te zien. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Klik op links voor foto's: Opslag zwarte els ---- Grasland Ecokathedraal |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Spontane ontwikkeling als product van planning en ontwerp | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bovengenoemde voorbeelden tonen aan dat aanplanten in de meeste gevallen in principe niet noodzakelijk is. Voorbeelden van geplande spontane houtige begroeiingen in de stedelijke omgeving zijn nog schaars. Deze zijn onder meer te vinden in Breda bij het bedrijventerrein Hoogeind en in de woonwijk Heusdenhout. Beide terreinen grenzen aan de A 27. De bovengrond van de terreinen is gedeeltelijk afgegraven tot aan de natte ondergrond. In de winter en in de natte perioden is er sprake van een plas-drassituatie. Het bijzondere van beide terreinen is dat er niet is gezaaid of aangeplant. Er zijn slechts voorwaarden geschapen voor natuurontwikkeling op een natte, relatief schrale bodem. De ontwikkeling is nog maar enkele jaren aan de gang maar er ontstaat een beeld dat duidelijk geassocieerd kan worden met natuur. De voornaamste soorten op beide terreinen zijn: borstelbies, boswilg, brunel, echte koekoeksbloem, gewoon biggenkruid, grote kattenstaart, grote lisdodde, Jacobskruiskruid, knopig helmkruid, koninginnekruid, moerasrolklaver, pitrus, ruwe berk, schietwilg, sint-janskruid, wilde bertram, wolfspoot en zwarte els. Op het terrein van Heusdenhout komen bovendien rietorchis en gevleugeld hertshooi voor. Ook voor de fauna is een ontwikkeling te bespeuren. Libellen komen er talrijk voor en vertegenwoordigers van de vlinderfauna zijn onder meer: icarusblauwtje, dikkopje en zandoogje. Een soortgelijk voorbeeld werd ook in Antwerpen aangetroffen. Spontaan en aangeplant |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Buitenpark Zoetermeer: Geplande natuur op braakliggend terrein | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Het Buitenpark te Zoetermeer is een gebied van ca. 40 ha gelegen op een puinstort die met een laag grond van minimaal 1 m dik is afgedekt. De top van deze berg is 23 m hoog. Voor ontwerpers en planologen zou deze berg een lustoord kunnen zijn om zich in het ontwerp uit te leven. Van al te veel menselijke creativiteit is dit ontraditionele stadspark echter gevrijwaard. De natuur mag het grotendeels zelf invullen in de tijd die ze daarvoor nodig heeft. Een groot gedeelte van het terrein wordt door Galloway-koeien, Exmoor-pony's en heideschapen begraasd en een kleiner deel wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd (situatie 1995-2000). Er zijn plekken die niet worden begraasd en waar zich bos mag ontwikkelen. Dit is te zien als een revolutionaire ontwikkeling in het stedelijk groen. De vraag is nu wat het Buitenpark op den duur aan natuurwaarden op gaat leveren. Dat weet men nog niet omdat dit een unieke gebeurtenis is in Nederland. Het enige wat gedaan kan worden is, het proces te aanschouwen of desgewenst te monitoren. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Sinds 1996 wordt de natuurontwikkeling gevolgd door verschillende natuurwerkgroepen, onder meer van KNNV en IVN (KNNV Zoetermeer 1998). In totaal werden er 142 soorten planten geregistreerd waaronder uiteraard veel soorten die bij de stadsnatuur horen: keizerskaars, klein streepzaad, witte amarant en wouw. Er zijn maar liefst 91 soorten vogels waargenomen zoals blauwe kiekendief, graspieper, heggenmus, kneu, en winterkoning. Het gaat hier alleen om soorten die gebruik maken van het park, soorten die alleen overvliegen zijn niet meegerekend. Voor vlinders geldt hetzelfde Er zijn echter al 19 soorten waargenomen. Buitenpark Zoetermeer |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vestiging van soorten | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Eén van de voorwaarden voor spontane houtige begroeiing is de aanwezigheid van een zaadbron. Zonder zaad geen bomen of struiken. In een afgeplagde, opgespoten of diep omgeploegde bodem en op plekken die ver van een zaadbron zijn verwijderd, kunnen zaden ontbreken. Als er dan geen zaden van buitenaf worden aangevoerd, zullen er nooit bomen of stuiken opslaan. In Nederland komt zo'n situatie niet of nauwelijks voor, zeker niet in de stedelijke omgeving. Vrijwel overal zijn zaadbronnen aanwezig: in parken, tuinen, begraafplaatsen, recreatieterreinen, landgoederen, erfbeplantingen, singels en allerlei andere houtige landschapselementen. Vanuit deze groene elementen worden diasporen verspreid door de wind (anemochorie), door dieren (endozoöchorie, epizoöchorie), door mensen (agestochorie) of door het water (hydrochorie). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voor verspreiding van diasporen in het algemeen wordt verwezen naar Daamen 1976, Van Dorp 1991, 1993, Howe & Smallwood 1982 en Ridley 1930. Van een aantal houtige soorten worden de zaden goed door de wind verspreid. Vooral bij sommige wilgen (onder meer schietwilg en boswilg) en ratelpopulier. Berk wordt ook goed door de wind verspreid maar meestal niet verder dan enige honderden meters. Müller 1955 (in Daamen 1976) geeft een afstand op tot 320 m. Bij zwarte els speelt waarschijnlijk een combinatie van wind en water een rol bij de zaadverspreiding. Op deze pagina zal verder alleen worden ingegaan op de zaadverspreiding door vogels. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Verspreiding van zaden door vogels | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Van een groot aantal bomen- en struikensoorten is bekend dat de zaden en vruchten door vogels worden gegeten (Bezzel 1987; Daamen 1976; Van Dorp 1987, 1991, 1996; Hiele 1988; Snow & Snow 1988; Turcek 1961; Vera 1998; De Vries 1939). De zaden en vruchten worden echter ook op verschillende wijzen verspreid. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
a. Vruchten die met zaad en al worden opgegeten. De zaden verlaten elders zonder verlies aan kiemkracht via het spijsverteringskanaal het lichaam (o.a. bessen door lijsters). |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
b. Zaden worden verzameld en elders begraven. Eikels worden door de Vlaamse gaai op deze manier als wintervoorraad gebruikt, |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
c. Zaden worden meegenomen om ze elders op te eten, onder meer walnoten door kraai. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
d. Zaden blijven plakken aan veren en snavel en worden elders afgepoetst. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Veel literatuur over dit onderwerp is opgenomen in een aantal standaardwerken (Snow & Snow 1988; Turcek 1961). Het werk van Snow is grotendeels gebaseerd op eigen veldwaarnemingen, dat van Turcek grotendeels op literatuuronderzoek. Volgens Snow (1988: p. 11) is dat niet altijd even betrouwbaar. Hij maakt expliciet onderscheid tussen verspreiders en predatoren, te weten vogels die de zaden en vruchten wel eten, maar ze niet op zodanige manier verspreiden dat de plant kans heeft om te ontkiemen. Vogelsoorten die Turcek als verspreider opgeeft, zijn bij Snow soms predatoren die niet bijdragen aan de verbreiding van de diasporen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Tijdsduur van de ontwikkeling | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De factor tijd is ook één van de argumenten om aan te planten. Dat er vanzelf ooit bos zal ontstaan, daarvan zijn velen overtuigd. De vraag is echter hoe lang dat duurt. Op een natte, kale bodem kan er binnen drie tot vijf jaar een dichte houtige, manshoge begroeiing van wilg en zwarte els aanwezig zijn. Op een terrein in Veenendaal dat minstens tien jaar heeft braak gelegen en bedekt was met een dichte ruige begroeiing, kwam nauwelijks houtopslag voor en in de Ecokathedraal van Le Roy was er in 1994 zelfs na twintig jaar nog geen spoor van bosvorming te vinden. In deze gevallen hebben we te maken met een te dichte of vervilte vegetatie. In andere gevallen gaat het om begrazing door konijnen, betreding door publiek, brand en predatie van aangevoerd zaad door insecten en kleine zoogdieren. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Soms kan ook als belemmerende factoren de bodem te sterk verontreinigd zijn. Zo duurde het op het verlaten spoorwegemplacement van Elst (Betuwe) zeker vijf tot zeven jaar voordat er berkenbos ging opslaan. Vermoedelijk heeft dit te maken met onkruidbestrijding in het verleden die volgens de plaatselijke beheerder intensiever was dan op andere terreinen. Zekerheid over een voorspoedige ontwikkeling van een houtige begroeiing is niet te geven. Ook niet als er zaadbronnen in de omgeving zijn, omdat de juiste kiemingsvoorwaarden van afzonderlijke soorten of ecotypen kunnen ontbreken. In natte en onbegroeide, maar relatief ongestoorde bodems is het vrijwel nooit een probleem. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bij de aanwezigheid van een zeer dichte kruidachtige vegetatie of op omgewoelde voedselrijke bodems is een ontwikkeling van een houtige begroeiing op korte termijn niet vanzelfsprekend. In die gevallen is het veiliger om al dan niet selectief aan te planten of natuurtechnische maatregelen te treffen. Voor het laatste wordt verwezen naar het handboek van Londo (1997). |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Inheems plantmateriaal (Met toestemming overgenomen van: http://www.bronnen.nl | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wanneer ons land nog rijk zou zijn aan oorspronkelijk inheemse bomen en struiken, hoefden we ons geen zorgen te maken. Dan was deze site overbodig. Helaas is de werkelijkheid anders. Deze boom- en struiksoorten zijn in ons land, maar ook in andere Europese landen, sterk bedreigd. Onder oorspronkelijk inheems of autochtoon verstaan we soorten die zich sinds de laatste ijstijd hier hebben gevestigd en verjongd of die kunstmatig zijn verjongd met uitsluitend lokaal plantmateriaal. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Van de ruim 100 soorten inheemse bomen en struiken die hier voorkomen is meer dan de helft zeldzaam of zeer zeldzaam geworden. Zeven soorten zijn nagenoeg uitgestorven. Een van de oorzaken is het eeuwenlange proces van ontbossing. Tegenwoordig zijn inheemse bomen en struiken nog voornamelijk te vinden op oude bosplaatsen, in houtwallen, langs holle wegen en aan de oevers van niet vergraven beken. Maar juist die plekken staan vaak onder zware druk, vooral door schaalvergroting in de landbouw, stads- en dorpsuitbreiding en wegenaanleg. Daardoor gaat er ook nu nog steeds veel verloren. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wat kunnen we doen? In de eerste plaats door bossen en beplantingen met waardevolle inheemse bomen en struiken te beschermen. Daarvoor moet men om te beginnen weten waar deze zich bevinden. Helaas verdwijnen nog regelmatig waardevolle plekken door onwetendheid. Gegevens over de herkomst van bomen en struiken zouden standaard in bestemmingsplannen en beheerplannen meegenomen moeten worden, zodat er bij de uitvoering rekening kan worden gehouden met aanwezige soorten. Ten tweede door bij nieuwe aanplant van bossen en landschapselementen met een natuurdoelstelling bewust te kiezen voor plantmateriaal van verantwoorde inheemse (autochtone) herkomsten. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Zie verder: http://www.bronnen.nl ------- Literatuur inheemse bomen en struiken | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Literatuur inheemse bomen en struiken ----- Terug | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Dam, B. van & S. de Vries (1998). In de voetsporen van de eik, postglaciale herkolonisatie-routes. De Levende Natuur 99 (1): 38-41. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Heybroek, H.M. (1992). Behoud en ontwikkeling van het genetische potentieel van onze bomen en struiken. Dorschkamprapport 684. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 34. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maes, B. & L. Albers (2001). Historie belangrijkste uitgangspunt bij laanbeheer. Tuin & Landschap 23 (11): 46-49. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maes, B. (1993). Sortiment van inheemse bomen en struiken geen utopie. Groen 49: (10): 19-23. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maes, N.C.M. 1993. Inventarisatie van inheems genenmateriaal in Oost Twente, Rivierengebied en Zuid-Limburg. IBN-Rapport 41. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maes, N.C.M. (1993). Randvoorwaarden en knelpunten bij het behoud en toepassing van inheems materiaal. IBN-Rapport 20. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maes, N.C.M. & C.J.A. Rövekamp (1995). Genetische kwaliteit inheemse bomen en struiken. Deelproject: inventarisatie inheems genenmateriaal in het zeekleigebied van Zeeland en aangrenzende gebieden. LNV Directie Zuid-West, pp. 79. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Maes, B. (red.) (2006). Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen: herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Boom, Amsterdam, pp. 376 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Rövekamp, C.J.A., N.C.M. Maes & H.Th.J. Ketelaar (1997). Genetische kwaliteit van inheemse bomen en struiken. Werkdocument W-135. IKC Natuurbeheer, Wageningen, pp. 61. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wijdeveen, S.M.I., J. Buitenveld, H. van Blitterswijk & A.F.M. van Hees (2002). De betekenis van autochtone bomen en struiken: achtergronden van begrip en de betekenis in beleid, beheer en uitvoering. Alterra-rapport 615, pp. 54. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||