Slangenkruid en wilde reseda en kansrijke gebieden voor wilde bijen Sluit deze pag. met kruisje rechts boven!
Slangenkruid is een minder algemene soort die locaal of regionaal talrijk kan voorkomen. In het groene gebied kan deze plant ook voorkomen met wilde reseda. Beide planten zijn zeer belangrijk voor wilde bijen.
Slangenkruidbij is geheel afhankelijk van slangenkruid;
resedamaskerbij is aangewezen op wilde reseda en wouw. Zonder deze planten kunnen deze bijen niet leven. Slangenkruidbij komt in hoofdzaak voor in Zuid- en Midden-Limburg; resedamaskerbij in de duinen, het rivierengebied en de meeste grotere plaatsen ten zuiden van de lijn Enschede-Amsterdam.
Of deze bijen ook werkelijk voorkomen hangt af van aaneengesloten aanwezigheid van slangenkruid en reseda gecombineerd met nestgelegenheid.
In het aandachtgebied kunnen locale overheden en particulieren deze combinatie bevorderen.
Er moeten plekken worden gemaakt waar slangenkruid en reseda zich duurzaam kunnen handhaven. Dit in combinatie met nestgelegenheid. Bijenhotels kunnen dat ondersteunen
Omdat slangenkruid en reseda ook weer samengroeien met andere drachtplanten kunnen er begroeiingen of vegetatie ontstaan die veel wilde bijen kunnen aantrekken. Lees verder
Dit kaartje is gebaseerd op eigen veldbezoek en de
Voorlopige Atlas van de Nederlandse bijen (pag. 172)
(het opladen kan tot c. 1 min. duren)
Beheer en algemene opmerking
 
   
--
De voornaamste wilde bijen die binnen het aandachtsgebied op slangenkruid kunnen worden verwacht: ----- Terug naar top
Metselbijen (Osmia adunca # in hoofdzaak in Zuid- en Midden-Limburg, O. caerulescens, O. claviventris, O. aurulenta), Wolbijen (Anthidium manicatum en A. puntatum); zandbijen (Andrena), sachembijen (Anthophora furcata, A. quadrimaculata), groefbijen (Halictus en Lasioglossum), behangersbijen (Megachile ligniseca, M. maritima, M. versicolor).
De voornaamste wilde bijen die binnen het aandachtsgebied op reseda kunnen worden verwacht:
maskerbijen (resedamaskerbij Hylaeus signatus #, H. gibbus, H. confusus, H. brevicornis, H. communis, H. hyalinatus, H. spilotus), zandbijen (Andrena pilipes, A. flavipes), groefbijen (Lasioglossum), kleine wolbij (Anthidium punctatum)
Voor verspreiding zie afzonderlijk soorten in bovenstaande Atlas.
   
Bovenstaande plantensoorten kunnen samengroeien met: Sluit de geopende pagina'steeds af met kruisje rechts boven!
Het samen voorkomen is niet alleen bedoeld in de vegetatiekundige zin maar kan ook betrekking op een beperkt gedeelte van een terrein waar de genoemde wilde bijensoorten vliegen. De plantensoorten hoeven niet altijd in een formeel (syntaxionomische) erkende plantengemeenschap voor te komen.
Honingklavers - ( witte, goudgele, citroengele): zandbijen (Andrena flavipes); groefbijen (Halictus); behangersbijen (Megachile versicolor, M. ericetorum), metselbijen (Osmia).
Boerenwormkruid: zijdebijen (Colletes daviesanus #, C. fodiens #, C. similis #), tronkenbij (Heriades truncorum), zandbijen (Andrena flavipes, A. nigriceps), groefbijen (Halictus en Lasioglossum).
Ossentong: Sachembijen (Anthophora furcata, A. plumipes), behangersbijen (Megachile versicolor; M. centucularis, M. willughbiella)
Daarnaast kunnen er nog tientallen andere plantensoorten voorkomen die ook weer wilde bijen aantrekken.
Alle bovengenoemde planten trekken ook weer vlinders en hommels aan en zijn ook zeer belangrijk voor honingbijen.
Als vegetaties met bovenstaande soorten in het aangegeven gebied langdurig en dicht verspreid in stand kunnen worden gehouden zal dat kunnen leiden tot en substantiële verbetering van de wilde bijenstand. Dit geldt ook voor woonkernen die grenzen aan deze gebieden.
# bijen die van deze plant geheel of grotendeelds afhankelijk zijn
Meer planten ------ Verspreidingskaartjes : wilde reseda - http://tinyurl.com/6hleq7x; slangenkruid - http://tinyurl.com/6z6ttap
 
 
--- Terug naar top
De voornaamste overige drachtplanten voor wilde bijen die kunnen samengroeien met slangenkruid
Enkele soorten die zich vaak spontaan vestigen:
Grote zandkool - Diplotaxis tenuifolia: groefbijen (Lasioglossum), zandbijen (Andrena)
Speerdistel - Cirsium vulgare: pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes), tronkenbij (Heriades truncorum), metselbijen (Osmia), zandbijen (onder meer Andrena flavipes), groefbijen (Halictus, Lasioglossum), behangersbijen (Megachile centucularis, M. maritima, M. versicolor, M. willugbliella)
Kruldistel - Carduus crispus: metselbijen (Osmia), tronkenbij (Heriades trucorum); groefbijen (Halictus , lasioglossum); behangersbijen (onder mer Megachile versicolor)
 
Plantensoorten die in heem- , natuur- , educatieve tuinen en particuliere tuinen kunnen worden aangeplant:
Stinkende ballote - ballota nigra: grote wolbij (Anthidium manicatum), andoornbij (Anthophora furcata #).
Hartgespan - Leonurus cardiaca: grote wolbij (Anthidium manucatum), behangersbijen (Mechachile), metselbijen (Osmia?).
Wild kattenkruid - Nepeta cartatia: grote wolbij (Anthidium manucatum)
 
 
 
 
 
 
 
 
Beheer Terug naar top
Natuurlijke vegetaties met bovenstaande soorten komen van nature onder meer voor in de duinen en langs de grote rivieren, maar waren vaak nog meer te zien op terreinen die ontstonden door allerlei activiteiten waarbij de grond op een terrein wisselend kaal werd gehouden. Dit is sinds ik daar zelf mee kennis maakte (1972-1975) in afnemende mate het geval op spoorwegterreinen, steenfabrieken, zand, leem- en mergelgroeven, overslagbedrijven onder invloed van het rivierengebied en fabrieksterreinen onder invloed van het duingebied. In het duingebied zelf vooral langs en op plekken die door recreatief gebruik - al dan niet in combinatie met begrazing van konijnen (of andere grazers) - worden open gehouden. Voorbeelden hiervan zijn te zien langs het fietspad van Scheveningen naar Zandvoort en in de omgeving van IJmuiden en Velzen.
Zeer kenmerkend voor al deze terreinen (in het duingebied vooral de zeedorpen landschappen) is, dat deze vegetaties vrijwel altijd gepaard gingen met nest gelegenheid. Niet voor niets zijn veel soorten bijen cultuurvolgers.
Wat kunnen we doen: in ieder geval binnen de aangegeven gebieden plekken zoeken waar de bodem wisselend kan worden open gehouden. In allerlei soorten tuinen en parken kan dat op kleine schaal handmatig gebeuren en waarschijnlijk alleen met hulp van vrijwilligers. De natuurtuin in Maastricht laat zien dat dit tot resultaten leidt. Begrazing kan een bijdrage leveren, maar heeft mogelijk niet het vergelijkbare effect van een bedrijfsmatige dynamiek. Rondom de oude steenfabriek in Meinerswijk waar 30 jaar geleden wilde reseda talrijk voorkwam wordt intensief door paarden begraasd en is desondanks vrijwel volledig begroeid. Wilde reseda komt hier nog nauwelijks voor en wouw is hier zeldzaam geworden. De muren en andere elementen van de oude steenfabriek vormen in principe een goede nestgelegenheid voor wilde bijen maar de planten voor oligolectische bijensoorten ontbreken. De vraag is hoe opslag van materiaal op steeds andere plekken en activiteiten als buldozeren kunnen worden nagebootst. Als deze dynamiek ontbreekt zijn de kansen voor de oligolectische bijensoorten die afhankelijk zijn van reseda en slangenkruid om zich blijvend te vestigen niet erg groot.
oligolectische bijensoorten zijn afhankelijk van een of enkele plantensoorten
Algemene opmerking
De soorten wilde bijen die per plant worden genoemd is een landelijk overzicht. Bij elkaar opgeteld kunnen bovenstaande planten als deze bij elkaar groeien tientallen soorten wilde bijen aantrekken. In de praktijk is het zo dat zelfs onder de meest gunstige omstandigheden maar een gedeelte van deze bijen per vliegseizoen is waar te nemen. Hoe langer de afzonderlijke planten zich kunnen handhaven des te groter de kans dat in de loop van jaren het aantal soorten toeneemt. De koekoeksbijen (parasitaire bijen) die samen leven met de bovengenoemde bijen soorten worden op deze pagina niet genoemd. Per terrein kan dat onder gunstige omstandigheden oplopen tot een tiental soorten of meer. Of er bijen zullen komen hangt dan volledig af van de nestgelegenheid.