Beemdkroon en kansrijke gebieden voor knautiabij Sluit deze pag. met kruisje rechts boven!
Beemdkroon is aanmerkelijk wijder verspreid dan Limburg en de Maas. Het komt het meest voor langs de IJssel, het oostelijk gedeelte van de Waal, het duingebied en Zuidwest Nederland.
De knautiabij die volledig op beemdkroon is aangewezen komt in hoofdzaak in Zuid-Limburg voor. Verder vooral in Midden-Limburg; naar het noorden toe wordt hij zeldzamer.
Beemdkroon is een tamelijk kritische soort die gevoelig is voor bemesting.
Als we de knautiabij binnen het aandachtswillen bevorderen, moet er vooral een precies hooiland beheer worden gevoerd. Vegetaties waarin beemkroon voorkomt mogen niet voor of tijdens de bloei worden gemaaid. De vroegste maaibeurt mag na de zaadrijping plaatsvinden. Zeker niet eerder dan half augustus.
Knautiabij vliegt ook wel op gewoon knoopkruid en grote centaurie, zelden op duifkruid, maar volgens mijn eigen waarnemingen in Zuid-Limburg en Frankrijk alleen als beemdkroon in het vlieggebied aanwezig is. Vooral langs spoorwegterreinen is dat geregeld waargenomen. Dus zonder beemdkroon geen knautiabij. Lees verder
Beheer en opmerking
Verspreidingskaart beemkroon: http://tinyurl.com/42p3qfg
Dit kaartje is gebaseerd op eigen veldbezoek en de
Voorlopige Atlas van de Nederlandse bijen (pag. 45)
(het opladen kan tot ca. 1 min. duren)
 
 
   
--
De voornaamste wilde bijen die binnen het aandachtsgebied op Beemdkroon kunnen worden verwacht: ------------- Terug naar top
Verschillende soorten zandbijen (Andrena) en groefbijen (Lasioglossum en Halictus; o.m. H. scabiosae)
Enkele planten waarmee beemdkroon samen kan voorkomen
Beemkroon groeit grotendeels samen met soortren die ook bij Aardaker worden genoemd.
Het samen voorkomen is niet alleen bedoeld in de vegetatiekundige zin maar kan ook betrekking op een beperkt gedeelte van een terrein waar de genoemde wilde bijensoorten vliegen. De plantensoorten hoeven niet altijd in een formeel (syntaxionomische) erkende plantengemeenschap voor te komen.
Vogelwikke: wikkebij (Andrena lathyri #iIn Limbrug ), langhoornbijen (Eucera #), metselbijen (Osmia), behangersbijen (Mechagile).
Heggewikke: verschillende soorten zandbijen onder meer wikkebij (Andrena lathyri # iIn Limbrug ), en (A. wikella), langhoornbijen (Eucera # in hoofdzaak in Limburg ), metselbijen (Osmia), behangersbijen (Mechagile).
Rapunzelklokje: klokjesdikpoot (Melitta haemorrhoidalis) en klokjesbijen (Chelostoma rapunculi, C. campanularium), behangersbijen (Megachile willughbiella)zandbijen (Andrena bicolor), groefbijen (Lasioglossum).
Gewoon knoopkruid: pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes #), behangerbijen (Megachile), zandbijen (Andrena nigriceps), grasbij (A. flavipes), Groefbijen (Halictus en Lasioglossum).
Groot streepzaad: zandbijen o.m. Andrena barbilabris, A. chrysocceles, A. nigroaenea; groefbijen o.m. Halictus scabiosae (in Zuid-Limburg).
Beemdkroon: zandbijen knautiabij (Andrena hattorfiana # voornamelijk in Limbrug); groefbijen o.m. Halictus scabiosae (alleen in Zuid-Limburg.
Kattendoorn: behangersbijen (Magachile ericetorum, M. centucularis, M. maritima, M. willughbiella) en Metselbijen (Osmia aurulenta), wolbijen (Anthidium manicatum, A. punctatum).
Gewone rolklaver: wolbijen (Anthidium manicatum, A. punctatum); behangersbijen (Megachile ericetorum #, M. willughbiella, M. versicolor, M.centuncularis), metselbijen (Osmia caerulescens, ), zandbijen o.m.: grasbij (Andrena flavipes).
Grasklokje: klokjesdikpoot (Melitta haemorrhoidalis) en klokjesbijen (Chelostoma rapunculi, C. campanularium); behangersbijen (Megachile centuncularis), groefbijen (Lasioglossum morio) en zandbijen (Andrena bicolor).
Marjolein: - in hoofdzaak voor nectar -metselbijen (osmia), zandbijen (Andrena), kegelbij (Coelioxys), wespbijen (Nomada), bloedbijen (Specodes).
 
 
Beheer
Beheer: op matig voedselrijke tot enigszins schrale bodems is een maaibeurt in het najaar voldoende; voor de wilde bijen niet eerder dan half augustus. Voor kieming zijn open plekken noodzakelijk; bij dichte vegetatie kan beemdkroon op den duur verdwijnen. Als de vegetatie te veel verruigt of te sterk vergrast, zijn twee maaibeurten nodig; de eerste maaibeurt eind mei de tweede in september. Bij vroeg maaien, gaat de synchronisatie met de knautiabij verloren; op grotere oppervlakte is een gefaseerd en/of gedifferentieerd maaibeheer dan dringend gewenst. Bij te veel verschraling (op zandige bodem) of te veel bemesting verdwijnt de plant. De zeldzaamheid van Knautiabij is niet alleen toe te schrijven aan intensieve landbouw en dijkverzwaring maar ook aan het maaibeheer dat vaak meer gericht is op de vegetatie dan op de fauna.
 
Algemene opmerking steeds nakijken
De soorten wilde bijen die per plant worden genoemd is een landelijk overzicht. Bij elkaar opgeteld kunnen bovenstaande planten als deze bij elkaar groeien tientallen soorten wilde bijen aantrekken. In de praktijk is het zo dat zelfs onder de meest gunstige omstandigheden maar een gedeelte van deze bijen per vliegseizoen is waar te nemen. Hoe langer de afzonderlijke planten zich kunnen handhaven des te groter de kans dat in de loop van jaren het aantal soorten toeneemt. De koekoeksbijen (parasitaire bijen) die samen leven met de bovengenoemde bijen soorten worden op deze pagina niet genoemd. Per terrein kan dat onder gunstige omstandigheden oplopen tot een tiental soorten of meer. Of er bijen zullen komen hangt dan volledig af van de nestgelegenheid.