Bijen en biodiversiteit in de praktijk |
Biodiversiteit staat voor biologische verscheidenheid. Dit begrip heeft betrekking op soorten, genen en ecosystemen op een bepaalde plek of in een bepaald landschap. Dat kan in de ruimste zin de hele aarde omvatten, maar ook in enge zin een achtertuin. |
|
Enkele voorbeelden |
| |
Soortenarm - biodiversiteit laag |
Soortenrijk- biodiversiteit hoog |
| |
Woestijn |
Tropisch regenwoud |
| |
Strand |
Kalkrijke duinen |
| |
maïsakker |
Bloemrijke graanakker |
| |
Volledig betegelde tuin |
Tuin met veel verschillende soorten planten |
| |
|
|
|
Van nature kan een plek of een landschap zeer soortenarm zijn. Als op zulke plekken het milieu wordt verstoord, kan dat ten koste gaan van de soorten die er oorspronkelijk voorkomen. Door de nieuwe voedselconcurrenten en/of roofdieren kunnen de oorspronkelijke soorten verdwijnen. Een hoge, kunstmatig geïntroduceerde biodiversiteit kan in verschillende situaties fataal zijn. Daar kan bijvoorbeeld sprake van zijn, als er een weg door een heidegebied of door een bos wordt aangelegd. We zien dan dat het milieu soms heel soortenrijk wordt, maar dat de karakteristieke soorten afnemen of zelfs verdwijnen. |
Biodiversiteit is niet gebonden aan een getal, maar aan het feit dat een levensgemeenschap uniek is. In de woestijn omvat zo'n levensgemeenschap uit enkele soorten en in een tropisch regenwoud duizenden soorten. Een voorbeeld dichter bij huis is, dat op een ongestoorde hei enkele plantensoorten per m2 voorkomen, terwijl er in een Zuid-Limburgs kalkgrasland meer dan 30 kunnen voorkomen. Beide biotopen hebben hun eigen waarde en eigen identiteit. |
Op sommige spoorwegemplacementen kwamen 20 jaar geleden meer dan 300 plantensoorten voor, waarvan sommige zeer zeldzaam waren. De vegetatiekundige prof. dr. J.J. Barkman relativeerde dat getal altijd. Tussen 1970 en 1980 kwamen er op het compostbedrijf van de VAM (bij Wijster) ook meer dan 300 soorten planten voor (mond. med. Barkman, 1982). Maar wat zegt dat over de natuurwaarde of biodiversiteit van een terrein? |
|
Hoe vertalen we dat naar bijen |
In natuurgebieden en terreinen, die als natuurgebied worden beheerd, wordt de biodiversiteit van bijen geheel aan de natuur overgelaten. Hoe zit dat echter met honingbijen? Die horen toch niet thuis in een natuurlijke leefgemeenschap. In principe is dat waar. Maar honingbijen zijn door de eeuwen heen zo’n vanzelfsprekend onderdeel van het natuurlijk landschap geworden dat ze er gewoon bij horen. Als imkers verstandig imkeren, heeft de aanwezigheid van honingbijen geen nadelen voor wilde bijen. |
Uit educatieve overwegingen mogen bij natuurgebieden wel bijenhotels worden gebouwd. Wilde bijen vinden zelf hun weg naar dergelijke nestgelegenheden. De biodiversiteit op een plek wordt op deze manier wel kunstmatig opgevoerd, maar dat heeft geen gevolgen voor de al aanwezige wilde bijensoorten |
Op heel veel plekken kunnen zonder enige bedenkingen bijenhotels worden gebouwd. Veel wilde bijensoorten zijn cultuurvolgers. Waar mensen leven, leven ook wilde bijen. Deze bijen leefden onder meer in het riet van rieten daken, in kevergaten van afrasteringspalen en oude houten schuren, in gaten van muren, etc. Veel van deze nestgelegenheid is op de meeste plekken verdwenen door streven naar netheid en het vaak snel wisselend gebruik van andere materialen, zoals(kunststof, beton en hardhout). In een pas opgeleverde nieuwbouwwijk komen nauwelijks wilde bijen voor. Daarom mogen we ze een handje helpen met het aanbieden van kunstmatige nestgelegenheid. Waarom zouden we immers wel vogels en vleermuizen mogen helpen met allerlei kunstmatige nestgelegenheid (dakpannen voor gierzwaluwen, uilenkasten, zwaluwwanden etc.) en niet de bijen?. Met betrekking tot het maken van kunstmatige nestgelegenheid gelden er in het cultuurlandschap nauwelijks beperkingen. In dit biodiversiteitsjaar zullen er dan ook talrijke bijen-/insectenhotels kunnen worden gebouwd. De enige zorg is hoe de continuïteit van deze hoognodige aandacht voor wilde bijen kan worden gehandhaafd. |
| |
Factoren die biodiversiteit bepalen |
Vele factoren hebben invloed op de biodiversiteit. |
Bodemgesteldheid: o.a. grondsoort, voedselrijkdom, zuurgraad, humusgehalte en bodemvochtigheid |
Herkomst van het water: grondwater: kwelwater, regenwater of rivierwater, dat overstroming/inundatie kan veroorzaken. De herkomst van het water is van doorslaggevende betekenis voor de levensgemeenschap. |
Vegetatiestructuur: Hoe complexer de vegetatiestructuur is, des te meer soorten dieren er in een gebied kunnen voorkomen. |
Klimaat/microklimaat: Hoe extremer de klimaatomstandigheden op een plek zijn, des te minder soorten er kunnen leven. Verschillende vegetatiestructuren (houtwallen, bosjes, ruigten) of verschillen in hellingshoek en/of reliëf van de bodem gaan samen met verschillen in het microklimaat ter plekke. Verschillen in microklimaat zijn gunstig voor het voorkomen van meer soorten en leveren een bijdrage aan een grotere biodiversiteit. |
Luchtvochtigheid: Deze heeft in een bos een andere waarde dan boven een grasland. Als beide genoemde biotopen aan elkaar grenzen neemt de biodiversiteit toe. Veel vormen van plant- dierrelaties, die aan een zonnige ligging of lagere luchtvochtigheid van een leefgebied zijn gebonden, verdwijnen bij bosvorming. |
Fauna: Voorbeelden van invloeden van de fauna op de biodiversiteit van een gebied zijn vraat/begrazing, bemesting of verspreiding van zaden. Door begrazing wordt voorkomen dat een gebied helemaal verbost. |
Isolatie: Soorten moeten een plek kunnen bereiken. Diersoorten die goed en lang kunnen lopen of vliegen hebben daar geen moeiten mee. Dat geldt voor de meeste bijensoorten. Maar voor veel lopende en kruipende dieren vormen wegen in het landschap echter een onoverbrugbare barrière. Ecoducten en andere vormen van faunapassages (dassentunnels, amfibieëntunnels) ondervangen dat probleem enigszins. |
Beheer/onderhoud: Hieronder vallen alle handelingen die invloed hebben op de vegetatie en de fauna: maaien, ploegen, kappen, bemesten, ontwatering of juist vernatting van de bodem. Als deze beheersmaatregelen aansluiten bij het ritme van de natuur ontstaat er een levensgemeenschap die karakteristiek is voor de plek of terrein. Als daarentegen de natuurlijke processen worden doorbroken treedt nivellering op. De biodiversiteit neemt af op soortenrijke terreinen (bijv. Kalkgraslanden) en in van nature soortenarme gemeenschappen (heide) neemt het aantal soorten dan wel toe, maar de biodiversiteit van de omringende streek neemt af. |
|
Wat betekent dat voor de praktijk? |
Op iedere plek is een combinatie van bovengenoemde factoren aanwezig. Deze bepalen samen voor het overgrote deel de potentiële biodiversiteit. |
Vooral in Nederland heeft menselijk handelen een enorme invloed op de biodiversiteit. |
Bemesting, ontwatering, gebruik van pesticiden, intensief gebruik van de ruimte (wegen, steden, recreatie) hebben de oorspronkelijke biodiversiteit sterk aangetast. |
Door ecologisch groen/landschapsbeheer kan de biodiversiteit weer positief worden beïnvloed. Deze vorm van beheer omvat een groot aantal beheerhandelingen, zoals maaien, kappen of baggeren. Zie link onder ecologisch beheer |
| |
Samenhang diversiteit bijen en diversiteit flora en vegetatie |
Bijen zijn volledig afhankelijk van de beschikbaarheid van stuifmeel en vrijwel volledig afhankelijk van het natuurlijke aanbod van nectar. Zonder deze twee voedingsstoffen is het voortbestaan van bijen niet verzekerd. De meeste bijensoorten hebben tijdens hun levenscyclus verschillende stuifmeelbronnen nodig. Ook zijn er tientallen soorten bijen, die zijn gespecialiseerd op bepaalde plantensoorten of plantenfamilies. Een koolzaadveld levert weliswaar een bijdrage aan het voorbestaan van bijen, maar bijen en zeker honingbijen en hommels kunnen niet overleven met alleen koolzaad als voedselbron. |
De diversiteit van bijen en andere bloembezoekende insecten is onlosmakelijk gekoppeld aan de diversiteit van de flora. |
Vooral in het Nederlandse cultuurlandschap is de floristische diversiteit sterk afhankelijk van het beheer van de afzonderlijke landschapselementen.. |
Met name de beheervorm van bermen, graslanden, beplantingen, oevers, akkerranden, parken, tuinen en vele andere groene terreinen zijn in dit verband belangrijk. |
In steden en dorpen worden in tuinen en in de openbare ruimte veel plantensoorten aangeplant of uitgezaaid. Hierbij kan rekening gehouden worden met bijen en andere bloembezoekende insecten. In tuinen en op veel stedelijke locaties mogen uitheemse planten worden gebruikt, maar de voorkeur gaat uit naar inheemse plantensoorten. Dit geldt vooral voor stadsranden. In terreinen die buiten de bebouwde kom liggen moet , met uitzondering van tuinen inheems materiaal worden gebruik. |
|
Win-win situatie van een bloemrijk(bijenvriendelijk) landschap voor de biodiversiteit |
Bloemrijke vegetaties zijn niet alleen gunstig voor het voortbestaan van bijen, maar ook voor dagvlinders en andere insecten. |
Veel andere insecten en spinnen, die in bloemrijke vegetaties voorkomen, zijn op hun beurt weer voedsel voor vogels. |
Bloemrijke vegetaties die niet te vroeg worden gemaaid, leveren bovendien zaden die door vogels worden gegeten. De putter en de huismus profiteren daar bijvoorbeeld van. |
Ook veel bomen en struiken, die voor de fraai ogende bloemen of bessen worden aangeplant, leveren als neveneffect voedsel voor vogels. |
Op plekken waar bramen groeien, zijn niet alleen van belang voor de bloembezoekende insecten, maar bieden ook nestgelegenheid voor vogels en schuilplaatsen voor zoogdieren. |
De honingbij draagt als soort niet bij aan de biodiversiteit. Om honingbijen probleemloos in stand te houden zijn echter zeer grote oppervlakten bloemrijke vegetaties noodzakelijk en van deze vegetaties profiteert een groot gedeelte van de wilde fauna. Als het goed gaat met de honingbij gaat het ook goed met heel veel andere diersoorten, waaronder wilde bijen. |
| |
Win-win situatie van een bloemrijk(bijenvriendelijk) landschap voor landbouw en recreatie |
In de landbouw is biologische bestrijding van plaaginsecten een belangrijk item. |
Veel van de rovende insecten, die ingezet worden voor biologische bestrijding van plaaginsecten, leven van kleine dieren die schadelijk kunnen zijn voor de land- en tuinbouw en de planten in onze tuin. Schadelijke dieren worden ook wel plaagdieren genoemd. Hieronder vallen onder meer bladluizen, slakken, rupsen en larven van insecten. |
De rovende insecten worden predatoren genoemd. Dit zijn bijvoorbeeld larven van zweefvliegen, gaasvliegen, roofwantsen, lieveheerbeestjes, graafwespen en sluipwespen. Deze insecten hebben vaak stuifmeel nodig voor hun ontwikkeling. Voor het instandhouden van een zeker biologisch evenwicht is het voorkomen vandeze insecten noodzakelijk. In de biologische landbouw wordt dat steeds meer onderkend en ook toegepast. Maar ook daarbuiten zijn rovende insecten en niet te vergeten spinnen van grote betekenis. |
Een bloemrijk landschap heeft een positief effect op recreatie en andere sociale aspecten, zoals educatie, restoratie en fysieke gezondheid. Bloemrijke landschappen stimuleren recreatieve activiteiten zoals wandelen en fietsen. |
Het zien van bloemen, hommels en vlinders is een vorm van natuurbeleving, die bij velen tot fascinatie leidt. Hiervan is bewezen, dat het een rustgevend effect heeft. |
Door personen met een zeer beperkte "actieradius" worden bloemrijke landschappen hoog gewaardeerd dicht bij huis of bejaardenhuis |
| |
Ecologisch beheer |
Een goed bijenbeheer houdt een ecologisch groen/landschapsbeheer in en draagt bij aan zowel de ecologische als esthetische kwaliteit van het landschap. Hier voor wordt verwezen naar www.ecologischgroenbeheer.nl --voor een vrijwel volledig overzicht van alle onderwerpen naar www.bijenhelpdesk.nl/jaar-van-de-biodiversiteit.htm |
bij klikken op de linken wordt deze pag. afgesloten! |
Powerpoint bewerkbare file |
| |
| |
| |