Internationaal jaar van de biodiversiteit
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Openbaar groen is van betekenis voor bijen: o.m. in Openbaar groen op ecologische grondslag (Koster, 2001) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De betekenis van openbaar groen voor bijen kan door ecologisch beheer en aanplanten van nectar- en stuifmeelleverende planten worden vergroot |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De informatie daarover in wwwbijenhelpdesk.nl en www.biodiversiteitsjaar.nl is verspreid over een groot aantal mappen. Voor beheerders van het openbaar groen zijn op de zoekpagia de meeste links bij elkaar geplaats. Daarbij moet met een aantal aandachtpunten rekening worden gehouden: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De betekenis van openbaar groen voor bijen betreft wilde solitaire bijen, hommels en honingbijen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De betekenis van openbaar groen voor bijen is grotendeels synoniem met de betekenis van openbaar groen voor bloembezoekende insecten. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bloemrijk openbaar groen heeft niet alleen betekenis voor bijen, maar ook voor mensen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In het internationaal jaar van de biodiversiteit zou de betekenis van openbaar groen voor bijen veel meer aandacht moeten krijgen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De betekenis van openbaar groen voor bijen moet op zoveel mogelijk plekken tot uiting komen. Ook in groenarme stadsdelen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Een drachtplantenkaart kan een bijdrage leveren aan het versterken van de betekenis van openbaar groen voor bijen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voor links en drachtplantenkaart ga naar: Bijen en openbaar groen: betekenis, beheer en planten voor bijen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Verantwoording voor de betekenis van het openbaar groen voor bijen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1987. Stedelijk groen, honingbijen en entomofauna. Groen 43, 10: 20-24. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Honingwinning in relatie tot maatschappelijke aspecten. IBN-rapport 438. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 86 p.+ bijlage. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Bijen in en om het openbaar groen: groenbeheer in de 20e eeuw. Groen 56, 2: 29-34. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2. Groen 56, 4: 11-16. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Wilde bijen in het openbaar groen 2: ecologische kwaliteit ook door bijen bepaald. Bijen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen, een evaluatie van ecologisch groenbeheer. Alterra-rapport 48. Alterra, Wageningen. 220 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2001. Openbaargroen op ecologische Grondslag. Proefschrift, Landbouwuniversiteit Wageningen. 264 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A. 2001). Bijen in openbaar Groen: pioniervegetaties, grasland, ruigte en beplantingen. Groen 57 (7/8): 23-29. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Zie ook: Blitterswijk, H. van; Boer, TA de; Spijker, JH, 2009. De betekenis van openbaar groen voor bijen. Alterra-rapport 1975. 28 p.
http://www2.alterra.wur.nl/Webdocs/PDFFiles/Alterrarapporten/AlterraRapport1975.pdf |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bijenstichting, 2010: betekenis van openbaar groen voor bijen. pdf ca. 60 pag. Is vrij te downloaden. www.bijenstichting.nl | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Voor overige bronnen zie onder Literatuur .Bijen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Volledige literatuurlijst sind begin onderzoek Bijen en openbaargroen beheer |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1986. Het genus Hylaeus in Nederland (Hymenoptera, Colletidae). Zoölogische Bijdragen 36: 1-120. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1986. Meer mogelijkheden voor insekten in wegbermen. De Levende Natuur 87, 5: 154-157. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1988. Insektenbeheer: Gewenst beheer van sterk door de mens beïnvloede levensgemeenschappen zowel in het landelijk als in het stedelijk gebied. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 187. 112 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1988. Mogelijkheden tot drachtverbetering langs waterkanten in het stedelijk gebied. Bijenteelt 90, 10: 271-274. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1988. Stedelijk groen meer oecologisch beheerd? De Levende Natuur 89, 6: 162-166. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1989. Insektenbeheer in wegbermen en langs spoorlijnen. In: W. Ellis, Wetenschappelijke Mededeling KNNV 192; 151-161 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1989. Knelpunten bij aanleg en beheer van "natuurlijke" drachtgebieden. Bijenteelt 91, 11: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1991. Spoorwegterreinen, toevluchtsoord voor plant en dier. KNNV, Utrecht. 236 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1993. Ecologisch beheer van wilde drachtplanten. Bijen 2, 5: 131-132. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1993. Vademecum wilde planten. Schuyt, Haarlem. 272 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1994. De groene omgeving: een bijdrage aan een gezonde samenleving. Schuyt, Haarlem. 184 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1998. Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 349 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1998. Van tegeltuin tot lusthof. Een verkenning van de mogelijkheden voor groen en natuur in groenarme straten, buurten en compacte woonwijken of Vinexlocaties. IBN-Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 391: 41 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Deventer. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 52 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Maastricht. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 46 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Nijmegen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 41 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Rotterdam. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 53 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Zutphen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 37 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Arnhem. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 21 p.; bijlagen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Groningen. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 19 p; bijlagen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 1999. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Hilversum. Rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. 45 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Ecologisch groenbeheer in Veenendaal rond het jaar 2000; een evaluatie van het beheer in de negentiger jaren: Alterra-rapport. 76. Alterra, Wageningen. 185 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Barneveld en Voorthuizen. Alterra-rapport 041.73 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in de stad Ede. Alterra-rapport 19. 86 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen, een evaluatie van ecologisch groenbeheer. Alterra-rapport 48. Alterra, Wageningen. 220 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2001. Ecologisch groenbeheer. Schuyt, Haarlem. 192 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2001. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Amsterdam. Alterra-rapport. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2001. Wilde bijen in relatie tot het groenbeheer in Sneek. Alterra, Wageningen. & Gemeente Sneek. 81 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2003. Exotische sierplanten: voedselbron voor veel insecten. Tuin & Landschap 25 (22):40-41. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2004 . Honingbijen in Amsterdam. Kunstraad Amsterdam. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2007. Plantenvademecum voor tuin park en landschap. Fontaine Uitgevers, s-Graveland: 416 p. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., 2007. Groen voor gezondheid, welzijn en biodiversiteit. Cd-rom . Fontaine, s-Graveland: ca. 450Mb. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., & P. Zonderwijk 1995. Hommelbeheer is vegetatiebeheer. Natura 92, 9: 234-235. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Koster, A., A. Oosterbaan & J.H. Spijker (2001). Ontwikkeling van natuur in de Nederlandse Steden. Werkdocument 13. Alterra, Wageningen, pp. 52. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De betekenis van een drachtplantenkaart/biodiversiteitskaart voor bijen in het openbaar groen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Het is vaak voorgekomen dat wethouders op verzoek of op aandringen van burgers en milieu- en natuurorganisaties leuke dingen doen voor de natuur of voor de imkers. Het inzaaien van klaprozen, aanplanten van bomen die goed zijn voor bijen of het aanleggen van een vaste plantenborder zijn daar voorbeelden van. Als het om dracht(=bijen)planten gaat is er vaak geen totaal overzicht hoe de toestand in de gemeenten is, maar dit geldt ook voor andere groene zaken. Voor duurzame natuurontwikkeling inclusief natuur voor bijen is een beleidsmatige aanpak noodzakelijk. Het eerste waar dan mee moet worden gestart is een inventarisatie van de actuele situatie. Vanuit de invalshoek van de imkers gaat het om de nectar- en stuifmeelleverende plantensoorten, natuur- en milieuverenigingen hebben meestal een bredere invalshoek. Een drachtplantenkaart, natuurwaarde- of biodiversiteitskaart zijn hulpmiddelen om de actuele situatie in beeld te brengen. Digitaal kan dat op een zeer eenvoudige wijze. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Drachtplantenkaart -- http://tinyurl.com/y9qvudt | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De spreiding van de bloeiperiode en de capaciteit van drachtplanten kan zichtbaar gemaakt worden door middel van een drachtplantenkaart. Daarop staat aangegeven welke plaatsen in welke periode van het jaar voor de imkerij van belang zijn. Daarbij hoeven alle planten niet in detail te worden ingevuld, maar kan men volstaan met een vermelding van de voornaamste nectar- en stuifmeelbronnen. Waar een te kort aan drachtplanten is, kan dat mogelijk door aanplanten, uitzaaien of gewijzigd vegetatiebeheer worden verbeterd. In de plantendatabase kan op bloeiperiode worden gesorteerd. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Verbetering van de honingproductie is niet alleen een kwestie van het bevorderen van drachtplanten. Het is ook belangrijk dat men de bestaande mogelijkheden benut, die niet altijd bekend zijn. Vaak wordt de wens geuit dat er meer drachtplanten moeten komen, terwijl men niet goed weet wat er in de omgeving aan drachtplanten aanwezig is. Men roept nogal eens om de aanplant van lindes zonder zich af te vragen of dat in de plaatselijke situatie wel echt nodig is. Misschien zou het beter zijn om soorten te kiezen die later of eerder bloeien dan de al aanwezige soorten. Dit bevordert niet alleen een meer gelijkmatigeverdeelde drachtperiode, maar bovendien de variatie in het landschap. Een goede inventarisatie van de nectar- en stuifmeelbronnen is daarom gewenst. De periodes van overvloed en gebrek worden dan zichtbaar en juist op de zwakke punten (locale drachtpauzes) moet de nectarbron en de daarmee samenhangende honingproductie worden aangepakt. Maar ook als men van mening is, dat de productie van linde- of Phaceliahoning bevorderd moet worden, moet die toch worden gekoppeld aan andere drachtplanten. De wens twee keer zo veel opbrengst van Phaceliahoning te krijgen, betekent ook twee keer zo veel bijenvolken houden. Deze bijenvolken moeten ook in leven gehouden worden buiten de bloeitijd van de favoriete nectarbron. Inzicht in de totale capaciteit van stuifmeel- en nectarproducerende planten is dus onder alle omstandigheden en bij alle soorten gewenste honing een vereiste" (Koster, 1999). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Een drachtplantenkaart geeft inzicht in het aantal bijenvolken dat ergens geplaatst kan worden. De vuistregel is 2,5 tot 5 volken per ha bloeiende planten. Het aantal volken is ook afhankelijk van de kwaliteit van de planten. Bij goed functionerende bomen kan dat aantal hoger zijn (zie Voorwaarden bijenbezoek) dan bij weinig nectar leverende boomsoorten. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar top pagina | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||