script language="Javascript1.2">
| Terug naar zoek onderwerp | Terug naar start graslandvegetatie |
| Overzicht beheertypen graslanden: plantensoorten, maaifrequentie, maaitijdstip | |
| In vrijwel alle typen grasland komen plantensoorten voor die nectar en stuifmeel leveren aan bijen en andere bloembezoekende insecten. Door een goed beheer kunnen deze planten worden bevorderd. | |
| Gidssoorten: plantensoorten die min of meer karakteristiek zijn voor een bepaalde bodemtypen/bodemkwaliteit. | |
| Zoek beheertypen en beheer | Veilige maaidata |
G0 -- brakke bodem |
|
Voorkomen -- Vooral langs de kust en langs wateren die onder invloed staan van zee water. Dit zijn onder meer de havengebieden van Amsterdam, Rotterdam, Delfzijl; Geen bijenplanten in rond de Zeeuwse wateren. Sommige soorten Engels gras en rode ogentroost komen, als gevolg van strooizout, ook in of langs bermen in het binnenland voor. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: Engels gras, (lamsoor), rode ogentroost.-- Overige soorten: aardbeiklaver, heelblaadje, Kruipend stalkruid, smalle rolklaver, vertakte leeuwentand, vijfvingerkruid, zilverschoon. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: Echt lepelblad. -- Overige soorten: geknikte vossenstaart, gewone hoornbloem, kweek, rood zwenkgras. | |
Beheer -- Meestal vrij lage vegetaties die vaak worden begraasd; eventueel eenmaal per jaar in de nazomer maaien; op de nattere plekken niets doen. |
|
X |
|
G1 -- natte tot (zomer)vochtige, voedselarme, zure/zwak zure bodem |
|
Voorkomen -- Vaak op natte schrale en verzurende bodems; buiten de natuurreservaten, in bermen, natte, maar in de zomer droogvallende greppels van wegbermen en spoorwegen, kanaalbermen vooral op lagere gedeelten van taluds, in plasbermen; in natuurontwikkelingsgebieden, onder meer in de natuurtuin van Muntendam. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: blauwe knoop, gevlekte orchis, gewone dophei, grote veenbes, kleine veenbes, lavendelhei, rode bosbes, Spaanse ruiter, tormentil. -- Overige soorten: grote ratelaar (hommels), grote wederik (slobkousbij), kleine valeriaan, rijsbes, trosbes. | |
| Geen bijenplanten -- Gidssoorten: hennegras, moerasstruisgras, pijpenstrootje, ronde zonnedauw, veenpluis, zwarte zegge. -- Overige soorten: blauwe zegge, egelboterbloem, gewone waternavel, gewoon reukgras, kamvaren, melkeppe, moerasvaren, moeraswalstro, paddenrus, , ruw walstro, smalle stekelvaren, snavelzegge, veelbloemige bies, veelstengelige waterbies, veldrus. | |
Beheer -- Eenmaal per jaar maaien en afruimen. |
|
a. Op natte terreinen eind juli - eind augustus; bij later maaien kan het terrein al weer te nat worden. |
|
b. Op vochtige, goed begaanbare bodems tot begin oktober. |
|
c. Bij aanwezigheid van orchideeën na 15-30 augustus of de zaadrijping. |
|
d. Bij aanwezigheid van Blauwe knoop eind september - begin oktober (alleen op vochtige bodems). |
|
e. Bij dominantie van Dophei mogelijk eenmaal in de vijf jaar in het voorjaar. |
|
X |
|
G2 -- vochtige tot droge, voedselarme, zure/zwak zure bodem |
|
Voorkomen -- Vooral op heischrale bodems: weg-, spoor- en kanaalbermen en -taluds, zandafgravingen, terreinen die met Pleistoceen zand zijn opgehoogd of op gespoten. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: Blauwe bosbes, hondsviooltje, kraaihei, kruipbrem, stekelbrem, stijve ogentroost, struikhei, valkruid, verfbrem, viltganzerik. -- Overige soorten: dicht havikskruid, echte guldenroede, gewone dophei, grote ratelaar (Hommels), grijs havikskruid, hengel, kleine bevernel (alleen in de duinen), knoopkruid, rode bosbes, rode dophei (zeer zeldzaam), valse salie, zandblauwtje. Soorten van G1 en G3 kunnen aanwezig zijn. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: bochtige smele, gewone veenbies, kraaihei, pijpenstrootje, zandstruisgras.-- Overige soorten: duinriet, gewoon reukgras, gewoon struisgras, hazenzegge, veelbloemige bies. | |
Beheer -- Gewoonlijk minder dan een keer per jaar maaien en afruimen. |
|
a. Bij ontwikkeling van struikhei eenmaal in de 5-7 jaar. |
|
b. Bij lage maaifrequentie opslag verwijderen. |
|
c. Bij vergrassing plaggen of kort maaien (eind september begin oktober). Vooral op de grotere terreinen of brede bermen is plaggen een methode om de diversiteit te vergroten. |
|
Periode -- Winterperiode; in extreme winters kan vorstschade optreden als er te vroeg in het winter seizoen is gemaaid. |
|
X |
|
G3 -- overwegend droge, voedselarme tot iets voedselrijke, zwakzure tot kalkhoudende bodem |
|
Voorkomen -- Op allerlei schrale zandige plekken in het duingebied, pleistocene zandgronden, langs wegen, spoorwegen en kanalen op fabrieksterreinen en in zandafgravingen. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: duinroosje, gewone rolklaver, gewoon biggenkruid, grasklokje, kleine bevernel, kleine leeuwentand, kleine ratelaar, kleine ruit, mannetjesereprijs, muizenoor, rechte rolklaver, stijf havikskruid, (Dauwbraam). | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: Akkerhoornbloem, duinriet, gewone eikvaren, gewone veldbies, gewoon struisgras, rood zwenkgras, scherpe fijnstraal, veldbeemdgras, zeegroene zegge. | |
Beheer -- Eenmaal per jaar maaien en afruimen. |
|
a. Bij een zeer lage productie bv. 1 of 2 ton per jaar en weinig of geen houtopslag, kan met een lagere frequentie worden gemaaid. |
|
b. Op zure bodem kan struikheide tot ontwikkeling komen. Indien dat op grote schaal doorzet dan beheren als G2. |
|
c. Bij eenmaal per jaar maaien kan vergrassing optreden, indien meer floristische diversiteit gewenst is dan tweemaal per jaar maaien. Bij 1e maaibeurt maaihoogte 10 cm. |
|
Periode -- Bij een maaibeurt september - half oktober; bij twee maaibeurten half juni - half juli en half september - half oktober; vervolgens na een tot drie jaar in de nazomer of het najaar (tot half oktober) maaien. |
|
X |
|
G4 -- overwegend (matig) droge, voedselarme tot iets voedselrijk, kalkhoudende bodem |
|
Voorkomen -- In kalkgraslanden, in de duinen, rivierdijken en in spoor- en wegbermen, op spoorwegemplacementen en industrieterreinen in Zuid-Limburg en in het rivieren gebied. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: Aarddistel, beemdkroon, borstelkrans, cipreswolfsmelk, donderkruid, duifkruid, echt bitterkruid, geel zonneroosje, grote centaurie, grote tijm, gulden sleutelbloem, kleine steentijm, knikkende distel, liggende asperge(in duingebied), ruige leeuwentand, ruige scheefkelk, ruige weegbree, stalkruid, veldsalie welriekende salomonszegel, wondklaver. -- Overige soorten: betonie, bieslook, bont kroonkruid (geen honingbijen), bonte luzerne, bosaardbei, brede ereprijs, dauwbraam, echte gamander, gewone rolklaver, grasklokje, grote graslelie, harige ratelaar (hommels), jacobskruiskruid, kattendoorn, kleine pimpernel, knolboterbloem, knolspirea, knoopkruid, kranssalie, kruipend zenegroen, kruiptijm, lathyruswikke, middelste klaver, peen, rechte rolklaver, sikkelklaver, smalle wikke, tuinasperge, veldereprijs. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: geel walstro, gevinde kortsteel, gewone agronomie, scherpe fijnstraal, smal fakkelgras. -- Overige soorten: blaassilene, blauw walstro, gewone zandmuur, glad walstro, grote keverorchis, moeslook, peen, sikkelklaver, smalle wikke, tuinasperge, veldereprijs, zachte haver, zeegroene zegge. | |
Beheer -- Gewoonlijk eenmaal per jaar maaien en afruimen; bij te veel vergrassing zijn twee maaibeurten gewenst. |
|
Periode -- September - half oktober; bij twee maaibeurten de 1e maaibeurt eind mei-half juni; 1e maaibeurt stoppelhoogte 10 cm. |
|
X |
|
G5 -- zomerdroge tot vochthoudende, matig voedselrijke, kalkhoudende bodem |
|
Voorkomen -- In hoofdzaak op taluds en in bermen van hole wegen, rivierdijken, spoor- en autowegen. Op spoorwegemplacementen en op industrieterreinen. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: Aardaker, beemdkroon, beemdooievaarsbek, bont kroonkruid (geen honingbijen), echt bitterkruid, echte kruisdistel, groot streepzaad, kluwenklokje, paardenbloemstreepzaad, rapunzelklokje, ruige weegbree, veldsalie, viltig kruiskruid, wilde marjolein, witte munt. -- Overige soorten: bieslook, dauwbraam, esparcette, gulden sleutelbloem, ijzerhard, kattendoorn, kleine bevernel, knikkende distel (op open plekken), kruipend zenegroen, melige toorts, moeslook, paardenhoefklaver (zeer zeldzaam), peen, sikkelklaver, slangenlook, smalle rolklaver, wilde cichorei, wilde herfsttijloos, zwarte toorts. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: blaassilene, gewone agrimonie, goudhaver, moeslook. -- Overige soorten: blauw walstro, heksenmelk. | |
Beheer -- Eenmaal per jaar maaien en afruimen. |
|
Periode -- Gewoonlijk vanaf eind augustus tot half oktober. |
|
Opmerkingen -- Bij een sterke vergrassing of in een aanvangssituatie kunnen twee maaibeurten noodzakelijke zijn. Indien rapunzelklokje en aardaker aanwezig zijn mag de 1e maaibeurt niet later dan eind mei plaatsvinden. De 2e maaibeurt september - oktober. Bij de 1e maaibeurt op stoppelhoogte 10 cm instellen. |
|
X |
|
G6 -- Droge tot vochthoudende matig voedselrijke bodem |
|
Voorkomen -- Op allerlei zandige bodems: bermen, dijken, industriële terreinen, zandafgravingen en natuurontwikkelingsterreinen. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: Sint Janskruid, cipreswolfsmelk, gewone margriet, gewoon biggenkruid, gewoon duizendblad, grasklokje, stijf havikskruid, stijve wikke, vlasbekje, zwarte toorts. -- Overige soorten: dicht havikskruid, bloedooievaarsbek, draadereprijs, echte kruisdistel, Engels gras, gele morgenster, gestreepte leeuwenbek, gewone reigersbek, gewone rolklaver, grasmuur, grijs havikskruid, hazenpootje. heggenwikke, hondsdraf, hopklaver, jacobskruiskruid, kartuizer anjer (zeer zeldzaam), kleine klaver, klein streepzaad, knolboterbloem, knoopkruid, middelste klaver, muizenoor, peen, rechte rolklaver, schermhavikskruid, sikkelklaver, smal streepzaad, smalle wikke, tuinasperge, veelkleurig vergeet-mij-nietje, vijfvingerkruid, veldereprijs, vertakte leeuwentand, wegdistel, zachte ooievaarsbek, zandpaardenbloem. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: akkerhoornbloem, heksenmelk, kraailook . -- Overige soorten: gewone veldbies, gladde witbol, klein timoteegras, rood zwenkgras, ruige zegge, zachte dravik . | |
Beheer -- a. In principe eenmaal maaien en afruimen; b. Indien dit beheertype samen voorkomt met soorten van G7 kunnen twee maaibeurten noodzakelijk zijn. |
|
Periode -- Bij een maaibeurt per jaar september - oktober; bij twee maaibeurten de 1e maaibeurt eind mei; de 2e september - oktober. |
|
X |
|
G7 -- Vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke bodem |
|
Voorkomen -- In bermen, op dijken en taluds graslanden. Op allerlei meestal minerale bodems. Sommige soorten zijn beperkt tot bepaalde streken van en land of komen alleen op minerale bodems voor. Zie Plantenvademecum (Koster, 2007). |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: Aardaker, akkerklokje, boeren krokus, draadereprijs, fluitenkruid, gestreepte dovenetel, gewone brunel, gewone ereprijs, gewone paardenbloem, gewone vogelmelk, gewoon barbarakruid, grote pimpernel, hemelsleutel, knolsteenbreek, madeliefje, oosterse morgenster, oranje havikskruid, paarse morgenster, pastinaak, rode klaver, scherpe boterbloem, veldlathyrus, vijfdelig kaasjeskruid, vlasbekje, voederwikke, vogelwikke, weidehavikskruid . -- Overige soorten: Aardbeiklaver, adderwortel, akkermunt, beemdooievaarsbek, bermooievaarsbek, bieslook, blauwe druifjes, boerenwormkruid, draadereprijs, gevlekte dovenetel, gevlekte rupsklaver, gewone margriet, gewone rolklaver, gewone smeerwortel, gewoon duizendblad, grasmuur, groot streepzaad, grote ratelaar (geen honingbijen), gulden sleutelbloem, hondsdraf, hopklaver, Jacobskruiskruid, kantig hertshooi, klein streepzaad, kleine klaver, knikkend nagelkruid, knikkende vogelmelk, knolboterbloem, knoopkruid, kruipend zenegroen, kruipende boterbloem, lenteklokje, luzerne, middelste klaver, peen, penningkruid, pinksterbloem, polei, rechte rolklaver, rode ogentroost, slangenlook, smalle rolklaver, smalle wikke, tijmereprijs, veenwortel, veldereprijs, vertakte leeuwentand, vierzadige wikke, vijfvingerkruid, weideklokje, wilde cichorei, (wilde narcis), witte klaver, zachte ooievaarsbek, zilverschoon. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: geoorde zuring, gewone hoornbloem, gewone veldsla, glanshaver, grote bevernel, kamgras, klavervreter, rietzwenkgras, veldzuring . -- Overige soorten: beemdlangbloem, fioringras, gestreepte witbol, gewoon reukgras, gewoon struisgras, glad walstro, gladde witbol, hazenzegge, klein timoteegras, kraailook, ruige zegge, ruw beemdgras, ruwe smele, veldbeemdgras, zachte dravik, zachte haver . | |
Beheer -- Gewoonlijk twee maal per jaar maaien en afvoeren; 1e maaibeurt: eind mei - begin juni; 2e maaibeurt: september - half oktober; indien één maaibeurt per jaar dan in september. |
|
X |
|
G8 -- Natte voedselrijke bodem |
|
Voorkomen -- In allerlei natte hooilanden: natte graslanden, beekdalen, boezemland, veenweidegebieden, waterkanten, plas-drasbermen |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: bittere veldkers, brede orchis, echte koekoeksbloem, gevleugeld hertshooi, gewone dotterbloem, grote ratelaar (geen honingbijen), grote wederik (slobkousbij), heelblaadjes, kale jonker, kantige basterdwederik, kleine valeriaan, moerasbasterdwederik, moerasrolklaver, moerasspirea, moerasvergeet-mij-nietje, rietorchis, wateraardbij. waterkruiskruid, watermunt, wilde kievitsbloem, wolfspoot. -- Overige soorten: aardbeiklaver, adderwortel, akkermunt, gewone smeerwortel, kantig hertshooi, knikkend nagelkruid, kransmunt, kruipende boterbloem, moerasstreepzaad, penningkruid, pinksterbloem, polei, slanke sleutelbloem, stijf barbarakruid, veenwortel, weideklokje, wilde herfsttijloos, (wilde narcis), witte klaver, zilverschoon, zompvergeet-mij-nietje. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: hennengras, holpijp, kleine watereppe, kluwenzuring, lidrus, mannagras, melkeppe, moeraswalstro, pijptorkruid, ruw walstro, snavelzegge, tweerijige zegge, veldrus, wilde bertram, zomprus. -- Overige soorten: beekpunge, beemdlangbloem, biezenknoppen, fioringras, geknikte vossenstaart, gestreepte witbol, gewoon reukgras, moerasbeemdgras, moeraswederik, paddenrus, pitrus, rietgras, ruige zegge, ruw beemdgras, ruwe smele, smalle stekelvaren, veldzuring, watergras, watermuur, zeegroene rus. | |
Beheer -- Gewoonlijk eenmaal per jaar maaien en afruimen; bij iets drogere bodems kunnen twee maaibeurten gewenst zijn. Of er een of tweemaal gemaaid kan worden hangt sterk af van de berijdbaarheid met maaimachines van het terrein. |
|
a. Bij één maaibeurt half augustus – september. |
|
| b. Bij twee maaibeurten: de 1e half juli; de 2e september - begin oktober. | |
| c. Bij aanwezigheid van orchideeën na 15 augustus maaien of na de zaadrijping. | |
| d. Grote ratelaar niet voor augustus maaien. | |
X |
|
G9 -- vochtige tot droge zeer voedselrijke |
|
Voorkomen -- Op allerlei plekken vooral op zware kleigronden en bemeste of zwaar vermeste bodems; vooral in agrarisch en stedelijk gebied. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- Gidssoorten: akkerkers, basterdklaver, braam, fluitenkruid, gewone berenklauw, grote hardvrucht, luzerne, muskuskaasjeskruid, speenkruid, speerdistel, wilde cichorei. Veder ondermeer: groot kaasjeskruid, hondsdraf, klein streepzaad, kruipende boterbloem, vertakte leeuwentand, wollige munt, zachte ooievaarsbek en zilverschoon. | |
| Geen bijenplanten --Gidssoorten: Engels raaigras, grote vossenstaart, hoog struisgras, Italiaans raaigras, kropaar, krulzuring, kweek, ridderzuring, ruige zegge, timoteegras, zachte dravik. Veder ondermeer: gestreepte witbol, veldbeemdgras. | |
| Beheer -- Gewoonlijk twee maal per jaar maaien. | |
Periode -- 1e maaibeurt: juni – juli; 2e maaibeurt: september - half oktober. |
|
X |
|
G10 -- Grazige vegetaties met soorten van bos en bosranden |
|
Voorkomen -- Meestal in de omgeving van bos buiten de klei en laagveen gebieden; vaak als relicten van houtwallen, singels of bosjes. |
|
| Nectar- en stuifmeelplanten -- bleeksporig bosviooltje, bosanemoon, boshavikskruid, dagkoekoeksbloem, gele anemoon, geel nagelkruid, hengel, knopig helmkruid, gewoon sneeuwklokje, grote muur, look zonder look, torenkruid, veelbloemige salomonszegel en vingerhelmbloem. | |
| Beheer -- In principe zou men kunnen volstaan met een maaibeurt per jaar . Voor Salomonszegel kan dat niet anders. Soms kunnen twee maaibeurten noodzakelijk zijn. | |
| Periode -- In het najaar. | |
| Veilige maaidata | |
| Verschillende soorten moeten ver voor de bloei of na de zaadrijping worden gemaaid. Als men wil of moet plannen dan gelden voor de volgende soorten veilige maaidata voor de 1e maaibeurt: | |
| - Alle soorten orchideeën na 15-30 augustus | |
| - Ratelaar juli - begin augustus (landelijk is er een zeer grote spreiding in zaadrijping) | |
| - Kievietsbloem eind juni - half juli | |
| - Salomonszegel eind september begin oktober | |
| - Gewone vogelmelk eind juli | |
| - Bremraap op rijke gronden ca half mei - eind mei (stoppelhoogte 10 cm); 2e maaibeurt september | |
| - Blauwe morgenster half augustus | |
| - Gewoon barbarakruid augustus | |
| - Blauwe knoop eind september - begin oktober | |