19 KLASSE DER HEISCHRALE GRASLANDEN (NARDETEA) Sluit deze pag. met kruisje rechts boven!-
Referentiekader bij: G2 - Vochtige (natte) tot droge, voedselarme, zure/zwak zure bodem (inclusief heiden)
Deze pagina is bedoeld om een indruk te krijgen hoe drachtplanten in plantengemeenschappen onder min of meer natuurlijke of ongestoorde omstandigheden voorkomen. Dat is meestal in natuurreservaten en terreinen die langdurig ecologisch worden beheerd. Daarbuiten gaat het meestal om verarmde fragmenten van zulke plantengemeenschappen waarin vaak alleen de algemene plantensoorten voorkomen.
Omschrijving: Grazige plantengemeenschappen op droge  tot vochtige, soms drassige, zure, voedselarme tot schrale leemhoudende zandige en soms venige bodems. Voorkomen: In hoofdzaak op de pleistocene zandgronden in minder mate in duingebied. Vaak langs randen van heidevelden en voor 2000 kilometerslang ook langs spoorwegen. Sinds 1960 is dat dramatisch gedecimeerd. Worden ook Borstelgraslanden genoemd. Hier wordt alleen ingegaan op de Associatie van liggend walstro en schapengras en de Associatie van klokjesgentiaan en borstelgras.
Beheer --  De vegetaties dienen in principe  1 maal per jaar in de late nazomer (september)/vroege najaar (oktober) te worden gemaaid. Het tijdstip moet zodanig worden gekozen dat hergroei van grassen zoveel mogelijk wordt beperkt. Op geïsoleerde plekken waar geen nutriënten van buitenaf worden toegevoegd, kunnen bij te veel verschraling plantensoorten verdwijnen. In natuurreservaten kan dat worden tegengegaan door nabeweiding. Door het open trappen van de vergraste vegetatie en lichte bemesting kunnen soorten standhouden en zich hervestigen. Verder wordt er ook extensieve begraasd en bij sterke vergrassing geplagd.
Literatuur
Swertz , C.A. , J.H.J. Schaminée  & E. Dijk (1996) Nardetea (Klasse der heischrale graslanden). In: Schaminée, J.H.J., A.H.F, Stortelder & E.J. Weeda (red).  De vegetatie van Nederland 3: Graslanden, zomen, droge heiden. Opulus press, Leiden: 263-286.
Weeda, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2002). Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland 2: Graslanden, zomen en droge heide. KNNV, Utrecht, pp. 223.
Schaminée, J. K.Sykora, N. Smits, M. Horsthuis, 2010. Veldgids plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht, pp. 439.
 
Kwalitatief overzicht voornaamste soorten: voor een volledig overzicht zie Swertz et al. (1996)
Presentie soorten: XX groter dan 50%; X 20-50%; + kleiner dan 20%; + kleiner dan 5% --- * plant voor bijen

   
        19Aa1 Ass. van liggend walstro en schapengras

   

      19Aa2 Ass. van klokjes gentiaan en borstelgras

   
19A Orde der heischrale graslanden   19Aa Verbond der heischrale graslanden

   
        19Aa3 Ass. van maanvaren en vleugeltjesbloem
         
        19Aa4 Ass. betonie en gevinde kortsteel
         
Voor de overige plantengemeenschappen wordt verwezen naar hier onderstaande literatuur.
 
Kenmerkende soorten van de klasse 19Aa1 19Aa2      
Borstelgras Nardus stricta XX X      
Tandjesgras Dantonia decumbens XX XX      
Tormentil * Potentilla erecta XX XX      
Valkruid * Arnica montana + +      
Differentiërende soorten klasse en orde          
Fijn schapengras Festuca ovina XX XX      
Gewone veldbies Luzula campestris XX XX      
Gewoon biggenkruid * Hypochaeris radicata X X      
Gewoon reukgras Anthoxanthum odoratum X X      
Gewoon struisgras Agrostis capilaris XX XX      
Muizenoor * Hieracium pilosella X +      
Schapenzuring Rumex acetosella X +      
             
            Naar top pagina
Verbond der heischrale graslanden (Nardo-Galio saxatilis)          
Kenmerkende soorten 19Aa1 19Aa2      
Hondsviooltje Viola canina + +      
Mannetjesereprijs * Veronica officinalis + +      
Stijve ogenstroost * Euphrasia stricta + +      
Welriekende nachtorchis Plantanthera biflolia   X      
             
19Aa1 Associatie van liggend walstro en schapengras (Galio hercinici-Fetucetum ovinae)          
Kenmerkende soorten 19Aa1 19Aa2      
Liggend walstro Galium saxatile XX X      
Pilzegge Carex pilulifera XX X      
Differentiërende soorten            
MILIEU: Droge, voedselarme, zure, veelal lemige zandgronden.
 
19Aa2 Associatie van Klokjesgentiaan en borstelgras  (Gentiano pneunonathes-Nardetum) 19Aa1 19Aa2      
Heidekartelblad Pedicularis sylvatica + X      
Liggende vleugeltjesbloem Polygala serpyllifolia + X      
Differentiërende soorten            
Gevlekte orchis * Dactylorhiza maculata + X      
Klokjesgentiaan Gentiana pneumonanthe + X      
MILIEU: Natte tot vochtige (een hoge grondwaterstand of een schijngrondwaterspiegel), voedselarme, zure, leemhoudende zandige tot venige bodem.

 

           
Differentiërende soorten beide associaties 19Aa1 19Aa2      
Blauwe knoop * Succisa pratensis + X      
Blauwe zegge Carex panicea + XX      
Bochtige smele Deschampsia flexuosa X +      
Gewone dophei * Erica tetralix X XX      
Gewone vleugeltjesbloem Polygala vulgaris + +      
Grasklokje * Campanula rotundifolia + +      
Moerasstruisgras Agrostis canina X X      
Pijpenstrootje Molinia caerulea XX XX      
             
Overige soorten          
Echte guldenroede * Solidago vigaurea          
Kruipbrem * Genista pilosa + +      
Schermhavikskruid * Hieracium umbelatum + +      
Stekelbrem * Genista anglica X X      
Struikhei * Calluna vulgaris X X      
Stijfhavikskruid * Hieracium leavigatum + +