Bloemrijke akkers zoals we die wensen, waren aan het begin van de vorige eeuw nog gewoon. Door de opkomst van kunstmest, herbiciden en intensieve mechanisatie die diepploegen mogelijk maakte, zijn bloemrijke akkers uit het landschapsbeeld verdwenen. Voor de biodiversiteit en voor de bijenteelt willen we deze akkers gedeeltelijk herstellen. Het meest in de vorm van akkerranden. We moeten ons hierbij realiseren, dat de vroegere bloemrijke akkers het gevolg waren van intensieve lichamelijke arbeid zoals schoffelen en wieden en een langdurig (decennia, eeuwen?) ecologisch proces. Door het ritme en afwisseling van teelten gecombineerd met braakligging ontstonden bloemrijke plantengemeenschappen die we nu alleen nog maar in akkerreservaten kunnen aantreffen (voor overzicht zie: Haveman et. Al. 1998). Bij de ontwikkeling van bloemrijke akkerranden zijn een aantal beheeraspecten van belang:
a. Verschralen -- Akkerranden die zowel voor de biodiversiteit als voor wilde bijen en honingbijen interessant zijn, moeten bloemrijk zijn. Bij het laatste wordt door imkers vooral aan inzaaien gedacht. Maar daarmee zij we er niet.
De meeste akkers hebben een zeer voedselrijke bodem. Eigenlijk zou deze bodem eerst moeten worden verschraald. Door een gewas te telen zonder te bemesten is binnen 3 tot 5 jaar een redelijke verschraling van stikstof en vooral van fosfaat te bereiken. (Zie bij groeiplaatsfactoren link 10 via de start pag.). Gewassen die in aanmerking komen zijn onder meer, maïs, Italiaans raaigras dat twee of drie maal per jaar wordt gemaaid en zonnebloemen. De gewassen worden normaal geoogst. De bewerking van de akkerranden moeten op de oude landbouw methoden zijn gebaseerd.
b. Ondiep ploegen -- Akkerranden die volgens ecologische principes ontstaan worden met lichte machines 10-20cm diep geploegd.
c. Wisseling van teelt en braaklegging -- Als bloemrijke akkerranden worden gecombineerd met teelten moet er geregeld van de teelt worden gewisseld. Dat kan volgens het drieslagstelsel. Dat is: “Een verdeling van het bouwland in drie gedeelten (slagen), waarbij de verschillende slagen achtereenvolgens verbouwd worden met wintergraan en zomergraan, om daarna een jaar braak te liggen.(Veenman’s Agrarische Encyclopedie  1956).
 “Moderne” inzichten in de levensvoorwaarden der cultuurgewassen hebben, waar voldoende mest was, geleid tot de invoering van het “vruchtenwisselstelsel” waarbij een zodanige volgorde van de gewassen wordt gekozen, dat voor de verwering van de minerale bestanddelen van de bodem ontstane opneembare plantenvoedende stoffen zoveel mogelijk door cultuurgewassen worden opgenomen en waarbij de grond in zo gunstige mogelijke structuurtoestand blijft. Daarom verbouwt men afwisselend vlakwortelende en diepwortelende gewassen. Granen, peulvruchten en hakvruchten worden in een zodanige volgorde geteeld, dat de kans op plantenziekten zo klein mogelijk blijft, de arbeidsverdeling in het bedrijf zo gunstig mogelijk is (vroeg- en laatrijpende gewassen) en de voorziening van de grond met door leguminosen vastgelegde luchtstikstof en verrijking van de grond met organische stof zo goed mogelijk verzekerd is. Voordat het gebruik van kunstmest algemeen werd,  had bijkans elke streek haar eigen vruchtwisselstelsel, waarvan men slechts zelden aanmerkelijk afweek” (Minderhoud & van Hove, 1956).
Als het om de specifieke akkerflora en -fauna gaat kan graan het beste als hoofdgewas worden geteeld. Als het om drachtplanten gaat waaronder ook exotische soorten (o.m. Hoekse waard, Overflakkee en Zeeland) in voorkomen, is het type gewas niet van belang.
d. Onkruidbestrijding -- Als jaarlijks accuraat wordt geploegd en niet te zwaar wordt bemest wordt de groei van (plaag)onkruiden al voor een deel tegengegaan. Ook wisselteelten met bladrijke en dicht opeenstaande hakvruchten en op de armere zandgronden met boekweit kunnen de groei van onkruiden remmen. Maar dan nog duiken onkruiden steeds talrijk op. Vroeger werden  onkruiden  bestreden door schoffelen, de onkruideg en disteltang. Maar in gewassen die in rijen werden geteeld bleef het  onkruid in de rijen zelf aanwezig. Er moest ook vaak worden gewied. (Veenman’s Agrarische Encyclopedie 1956; zie onder: onkruidbestrijding, rogge, haver, ),   (Brouwer et al. Encyclopedie van Friesland, 1958; zie onder: boekweit).
Kweek -- Bij eggen, na de oogst in droge perioden, komen de wortelstokken van kweek gedeeltelijk boven de grond te liggen, maar die moeten dan wel met de hand worden verzameld. Eggen om het onkruid tegen te gaan gebeurde ook bij schraal weer in de winter. Hierbij egde men in loodrecht op elkaar staande banen.
Akkerdistel -- moet  steeds vlak voor de bloei worden gemaaid,  daarna nog  twee keer i.v.m. hergroei. Bij de tweede keer ook weer vlak voor de bloei. De planten worden dan uitgeput. Dit moet meestal een aantal jaren worden vol gehouden. Overigens is akkerdistel een zeer goede dracht-, en vlinderplant. Vaak veel beter dan de meeste andere kruiden die in akkerranden kunnen voorkomen. Rondom biologische teelten moet akkerdistel zoveel mogelijk worden beperkt. In akkers waar preventieve chemische onkruidbestrijding plaatsvindt, kan akkerdistel beter worden getolereerd.
Ridderzurig kan het beste zo diep mogelijk worden uitgestoken. Dit werkt het beste in combinatie met verschraling van de bodem.
Heermoes - De donkere tot zwarte wortelstokken van heermoes kunnen, als het om enkele planten gaat met een greep (spitvork) zo diep mogelijk worden verwijderd. De wortelstokken kunnen zich dieper dan 30 cm in de bodem bevinden. Als het om haarden gaat, is schaduw de beste bestrijding. Bij akkerranden is dat te realiseren door akkergewassen zoals maïs, aardappels of dicht gezaaid graan (rogge of tarwe).
e. Bemesten -- Voor veel akkeronkruiden maar vooral op de zandgronden ook voor andere drachtplanten is een lichte bemesting met overjarige stalmest gewenst. Als er te weinig wordt bemest, vooral in graanakkers, krijgen wikkes een impuls en kunnen dan dominant optreden en de beoogde akkeronkruiden of drachtplanten overwoekeren.
f. Vergrassing -- In akkerranden worden geen chemische bestrijdingsmiddelen toegepast en handmatige onkruidbestrijding is te arbeidsintensief dus te duur. Daar komt nog bij dat het vaak niet om echte akkerranden gaat, maar om agroranden. Dat zijn randen die niet meer bij de echte productieakker horen, maar als een soort lijst er omheen liggen. De lichtconcurrerende granen zijn dunner gezaaid dan gewoonlijk of ontbreken zelfs en gewassen van hakvruchtakkers ontbreken helemaal.  Ongewenste kruiden kunnen zich daardoor gemakkelijker ontwikkelen en vaak leidt dit tot vergrassing.  Zolang akkerranden aan hun verwachtingen blijven voldoen is dat geen enkel probleem, maar als vergrassing zo intens wordt dat akkeronkruiden zich niet meer kunnen handhaven of vergrassing jaarlijks sneller gaat optreden, kan er beter worden omgeschakeld naar een graslandbeheer. De beheertypen G6, G7, G9 zijn dan van toepassing.
 
       
Literatuur      
Bakker, P. & A. van der Berg (2000). Beschermingsplan akkerplanten. Directie Natuurbeheer, Ministerie van Landbouw en Visserij, Den Haag, pp. 108.
Elsen, T. van & U. Scheller (1995). Zur bedeutung einer stark gegliederten Feldflur für Ackerwildkraut-Gesellschaften; Beispiele aus Thüringen und Nordhessen. Natur und Landschaft 70 (2): 62-72.
Haperen, A. (1997) . Zonnestraal, een Zeeuws voorbeeld van akkerrandenbeheer. De Levende Natuur 98 (6): 214-215.
Haveman, R. (1995). Plantensociologische inventarisatie akkeronkruidreservaten, tussentijdse rapportage. IKC natuurbeheer/Adviesgroep Vegetatiebeheer, pp. 24.
Haveman, R., J.H.J. Schaminée & E.J. Weeda (1998). Stellarietea mediae. In: Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff. De vegetatie van Nederland 4. Plantengemeenschappen van de kusten van binnenlandse pioniermilieus. Opulus, Uppsala, pp. 199-246.
Keulen, S. (2001). Akkerrandenbeheer en bloemrijke akkerranden. Natuurhistorisch Maandblad 90 (4): 74-76.
eys, H.N. (1979). Akkers. In: Rijksinstituut voor Natuurbeheer 1979. Natuurbeheer in Nederland: Levensgemeenschappen. Pudoc, Wageningen, pp. 295-301.
Sissingh, G. (1950). Onkruidassociaties in Nederland. Proefschrift. Landbouwhogeschool Wageningen, pp. 224 +11 bijlagen
Snoo, G. & H.U de Haes (1994). Onbespoten akkerranden voor natuur, milieu en bedrijf. Landschap 11(4): 17-32.
Weeda, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2003). Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland: 3 Kust en binnenlandse pioniervegetaties. KNNV, Utrecht, pp. 256.
 
 
Voorbeelden van vergrassing
Akkerrand met rogge -- Deze akkerrand is met akkeronkruiden (en soorten van grasland?) ingezaaid. Onder het graan kan een graslandvegetatie zich goed ontwikkelen. Zulke randen helpen ook mee aan biologische bestrijding van schadelijk insecten. (Wageningen 2009)
 
 
Fragment akkerrand met korenbloem.
 
 
Akkerrand gezien vanaf de zijkant; met rode klaver, smalle weegbree en verschillende soorten gras.
 
 
Akkerrand bovenaanzicht zelfde plek als vorige foto.
 
 
Voorwaarden voor bloemrijke akkerranden Voorbeelden van vergrassing Ga terug via depijl links boven