script language="Javascript1.2"> script language="Javascript1.2">
Pioniervegetaties: beheer en toepassing Ga terug via pijl links boven!
Voorwaarden voor bloemrijke akkerranden Voorbeelden van pionier vegetaties uitgebreid literatuuroverzicht
Pioniervegetaties zijn in vrijwel alle landschappen ook ecologisch van betekenis. Onder meer voor insecten zoals vlinders, hommels en anderewilde bijen en voor zaadetende vogels. Ook honingbijen kunnen enorm van pioniervegetaties profiteren. De voormalige bloemrijke graanakkers zijn daar voorbeelden van. Honingbijen verzamelde er onder meer korenbloemhoning. Pioniervegetaties kunnen niet altijd op dezelfde plek aanwezig zijn, maar wel steeds worden toegepast in tijdelijk openliggende en braakliggende terreinen, zoals de hierboven agfgebeelde middenberm. Om dit te bereiken is vakbekwaam personeel nodig. In het cultuurlandschap zijn akkers in principe de meest aangewezen landschapselementen om pioniervegetaties duurzaam in stand te houden. Daarnaast vormen spoorwegterreinen een enorm uitgestrekt milieu voor deze planten.
Voor veel insectensoorten zijn pioniervegetaties van grote betekenis. De bloemen worden door wilde bijen, vlinders en andere insecten bezocht om stuifmeel en nectar te verzamelen. De meeste soorten worden ook bevlogen door honingbijen. Verschillende insecten zijn grotendeels of zelfs volledig afhankelijk van bepaalde soorten een- of tweejarige planten als voedselbron, zoals de resedamaskerbij (Hylaeus signatus) van reseda, de echiumbij (Osmia adunca) van slangenkruid en de schorzijdebij (Colletes halophilus) van zulte (zeeaster).
Omschrijving pioniervegetaties
Pioniervegetaties bestaan meestal uit een- en tweejarige soorten, die zich als eerste op een kale, net drooggevallen, opgespoten bodem of in een onbegroeid milieu vestigen. Gewoonlijk hebben deze vegetaties een kortstondig bestaan en worden ze vrij snel vervangen door vegetaties waarin overjarige soorten domineren. Onder invloed van natuurlijke processen kunnen pioniervegetaties zich echter ook langdurig of zich zelfs permanent op een plek handhaven. Dit is bijvoorbeeld het geval in het Waddengebied door de afwisseling van eb en vloed; in sloten, vennen, plassen en rivieren door periodieke hoog- en laagwaterstanden; in stuifzanden door de wind (Kootwijker Zand); op rivierduinen, die door een samenspel van wind en water in stand worden gehouden (Millingerwaard). Ook door activiteiten van dieren kunnen pioniervegetaties ontstaan; o.a. door overbegrazing van bijvoorbeeld konijnen of gewoon door het omwoelen van de grond door mollen (molshopen). Vrijwel alle pioniervegetaties in het cultuurlandschap zijn echter door activiteiten van mensen ontstaan en worden ook door mensen in stand gehouden. Zodra de directe menselijke invloed ophoudt, zal de pioniervegetatie vrij snel verdwijnen. Alleen op plaatsen waar continu bedrijvigheid heerst, zoals graven en ploegen, materiaal opslaan en weer weghalen, daar zijn vrijwel permanent pioniervegetaties aanwezig. Deze activiteiten vinden dikwijls plaats op industriële terreinen, spoorwegemplacementen en haventerreinen.
 
Betekenis -- De belangrijkste betekenis van natuurlijke pioniervegetaties is wellicht, dat ze de dynamiek als gevolg van waterstromingen en klimaat verminderen en daardoor bodem en substraat stabiliseren waardoor andere vormen van plantengroei mogelijk worden gemaakt. Uit het oogpunt van biodiversiteit is dat niet altijd wenselijk, maar in de meeste gevallen, vooral als we het mondiaal bezien, draagt stabiliteit van de bodem bij aan levenskansen voor meer organismen, inclusief mensen. Pioniervegetaties hebben een relatie met de dynamiek en zijn een uiting van de extremiteit van het milieu. In het getijdengebied is de dynamiek heftig en permanent en het zoutgehalte is extreem. Op muren daarentegen is de dynamiek minder zichtbaar en komt tot uiting op het niveau van het microklimaat, het stenige milieu vormt de extremiteit. Op wintergraanakkers zijn sommige akkeronkruiden gebonden aan een bepaald jaarlijks terugkerend ritme van het ploegen. Het optreden van tweejarige en meerjarige planten geeft aan dat de intensiteit van de dynamiek is verminderd.

Indicatoren -- Pioniervegetaties zijn belangrijke indicatoren voor de actuele bodemeigenschappen. Voor akkerbouwers en volkstuinders is het voorkomen van eenjarige akkerkruiden een goede indicator in welke richting de conditie van de bodem zich ontwikkelt, bijvoorbeeld te zuur of te schraal wordt. Voor beheerders en ontwerpers van natuurgebieden geeft de aan- of afwezigheid van pioniervegetaties aan in welke richting een vegetatie zich kan gaan ontwikkelen (zie tabel). Deze ontwikkeling kan van invloed zijn op de toekomstige beheermaatregelen, bij vergrassing zal er bijvoorbeeld één of tweemaal per jaar gemaaid moeten worden. Voor bepaalde vormen van natuurontwikkeling kan de aanwezigheid van pioniersoorten de doorslag geven of de bouwvoor moet worden ontgraven om een schralere uitgangspositie te krijgen of een verschraling in combinatie met een kali-bemesting moet worden uitgevoerd (Bannink, et al., 1974). Veel pioniervegetaties/sommige beheertypen zijn te zeldzaam of te kleinschalig voor de dracht. Maar kunnen ook door imkers als indicatoren worden gebruikt.

Terug naar top pagina
Toepassing van pioniervegetaties
Pioniervegataties kunnen, zowel binnen als buiten de stedelijke omgeving, voor uiteenlopende doeleinden worden toegepast:
- De voornaamste toepassing is in akkerranden.
- Verfraaiing van het landschap, dus puur recreatief.
- Bevordering van de biodiversiteit
- Educatief in allerlei educatieve tuinen zoals verschillende typen akkers in het
  --- Openluchtmuseum in Arnhem.
  --- Recreatief/educatief op de zogenaamde plukakkers
- Voedingsbron (drachtgebied) voor honingbijen
Terug naar top pagina
Beheer van pioniervegetaties -- Als men de pioniervegetatie kunstmatig in stand wil houden, zal op een of andere wijze de bodem opengehouden moeten worden. Waar bedrijvigheid heerst, bijvoorbeeld een jaar lang containers of andere materialen liggen opgeslagen, is het gevolg dat de grond vanzelf onbegroeid raakt.
Door het terrein af en toe met de bulldozer een schoonmaakbeurt te geven, wordt de pioniervegetatie vanzelf in stand gehouden. In de praktijk zullen de meeste groenbeheerders dit moeten realiseren door de grond te bewerken: spitten, ploegen, eggen, slepen, plaggen, ontgraven, afgraven, extensief schoffelen of wieden. Spitten en ploegen, vooral van voedselrijke bodems, werken verruiging meestal in de hand. Op schrale zandgronden is dat te voorkomen door de bodem weer aan te drukken. Bij nieuwe natuurontwikkelingsplannen worden pioniervegetaties in stand gehouden of op opnieuw ontwikkeld door plaggen en ontgravingen van de bodem.

Een groot gedeelte van de pionierplanten kwam vroeger in akkers voor. Akkers en akkerranden die op een manier worden beheerd, die in overeenstemming is met de condities die deze pionierplanten stellen, zijn vermoedelijk de weinige plekken waar deze soorten duurzaam in stand kunnen worden gehouden. Akkerkruiden worden daarom al enkele jaren met wisselend succes in stand gehouden in akkerreservaten in hoofdzaak door middel van graanakkers of door een specifiek akkerrandenbeheer. Het laatste houdt in dat er met akkerbouwers overeenkomsten worden gesloten om akkerranden extensief te exploiteren, wat inhoudt dat geen gebruik wordt gemaakt van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen en zware bemesting.

 
Literatuur -- pioniervegetaties ------ uitgebreid literatuuroverzicht
Bannink, J.F., H.N. Leys & I.S. Zonneveld (1974). Akkeronkruidvegetatie als indicator van het milieu, in het bijzonder de bodemgesteldheid. Stiboka, Wageningen. 87 p.
Koster, A. (1986). Akkeronkruiden langs het spoor. Natura 83, 8: 223-231.
Koster, A. (1987). De flora van de Nederlandse Spoorwegen. Notitie 14. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen, pp. 292.
Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff 1998. De vegetatie van Nederland 4: kust en binnenlandse pioniermilieus. Opulus Press, Leiden, pp. 346.
Weeda, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2003). Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland: 3 Kust en binnenlandse pioniervegetaties. KNNV, Utrecht, pp. 256.
Terug naar top pagina