script language="Javascript1.2">
| Ruigten en zomen | Literatuur ruigten | Ga terug via pijl links boven! |
| Als we aan ruigten denken, denken we niet direct aan bloemen. Ruigte is vaak iets dat onbeheerd is. Maar de meeste ruigtenkruiden zijn van een bijzondere decoratieve betekenis. Ruigtenkruiden bloeien in het zomerseizoen tot in het najaar. Ze staan in bloei als de meeste andere kruiden zijn uitgebloeid. Ze kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de esthetische kwaliteit van het landschap en de dagelijkse leefomgeving. Veel natuurterreinen ontlenen hun recreatieve betekenis voor een belangrijk gedeelte aan ruigten. bloeiende ruigtenkruiden zijn in de eerste plaats van grote betekenis voor de insecten. Vrijwel alle opvallende soorten vinders zijn op ruigtenkruiden te vinden, maar ook hommels, bijen, zweefvliegen en tal van andere soorten insecten zijn deze vegetaties van belang. | ||
| Omschrijving | ||
| Ruigten worden gedomineerd door hoge (0,7 tot ca 2 m), veelal overblijvende en sterk concurrentiekrachtige kruiden. Ze worden gekenmerkt door een hoge productie van plantaardig materiaal (biomassa). Onder natuurlijke omstandigheden ontwikkelen deze vegetaties zich tot bos. In het cultuurlandschap zijn ruigten meestal beperkt tot kleine overhoeken, zoals emplacementen, fabrieks- en haventerreinen en braakliggende terreinen in en rond de bebouwde kom. Verder komen ze vooral voor in lintvormige landschapselementen, waterkanten, vijverranden, spoorsloten, greppels, kanaal- en rivieroevers. Ruigten kunnen zeer bloemrijk, maar ook bloemarm zijn. Meestal groeien ze samen met grassen, riet, brandnetels en distels. Een bloemrijke ruigte komt in het algemeen vrij laat tot bloei. De meeste houtige soorten zijn dan uitgebloeid en ze vormen vaak de laatste bloeiende elementen in het landschap. | ||
| Hoeveel ruimte heeft een ruigte minimaal nodig | ||
| Als we ruigten willen, moeten we rekening houden met de ruimte die ze nodig hebben. Een strook met ruigte zou op de grond ongeveer 1 m nodig hebben, maar 1,5 m is beter. Bij een ruigte die 1,5 tot meer dan 2 m hoog is, moet er rekening worden gehouden met omwaaien of platslaan van de vegetatie. Er moet dan op de grond 1 tot 1,5 m extra worden gerekend, dus totaal 2.5 - 3 m. In alle gevallen zijn er voorbeelden bekend van kleinere maten. In principe bepalen de totale omstandigheden welke maatvoering er mogelijk is. Bij meer ruimte komen bloemrijke ruigten beter tot hun recht. | ||
| Wat is de betekenis van ruigten voor de fauna en beleving | ||
| Bloeiende ruigten zijn in de eerste plaats van grote betekenis voor de insecten. Vrijwel alle opvallende soorten vinders zijn op bloemrijke ruigten te vinden, maar ook voor hommels, bijen, zweefvliegen en tal van andere soorten insecten zijn deze vegetaties van belang. Verder bieden ze nest - en schuilgelegenheid voor vogels en kleine zoogdieren. In de holle stengels overwinteren allerlei kleine ongewervelde dieren. Voor vogels, onder meer de huismus, zijn het belangrijke foerageerplaatsen, niet alleen door aanwezigheid van insecten en spinnen, maar ook door de productie van zaden. Daarnaast hebben ze voor mensen een hoge belevingswaarde. Voor de toepassing van ruigtekruiden in de woon - en leefomgeving kunnen de op deze pagina genoemde standplaatsen als inspiratiebron dienen
. Klik hier voor foto met vlinders |
||
| Hoe moeten ruigten worden beheerd | ||
| In tegenstelling tot grazige vegetaties is het beheer van de verschillende beheertypen zeer eenvormig. Ruigtenkruiden hebben veel met elkaar gemeen. Ze zijn concurrentiekrachtig, dat wil zeggen dat ze niet snel door andere soorten worden verdrongen. De meeste soorten bloeien in de zomer of nazomer. Ze kunnen daardoor laat en met een lage frequentie worden gemaaid, gewoonlijk éénmaal in de 3 jaar in de late herfst of in de winter. De bloei en de zaadvorming zijn dan al lang achter de rug. Zolang de ruigte niet dicht groeit met houtige soorten hoeft er doorgaans niet te worden gemaaid. In verschillende situaties, langs stadsvijvers bijvoorbeeld, worden ze jaarlijks gemaaid. Door jaarlijks te maaien kunnen ruigten door vergrassing of te veel verschraling van de bodem op den duur verdwijnen. Een argument voor het jaarlijks of éénmaal in de twee jaar maaien is het voorkómen van opslag van snelgroeiende houtige soorten zoals zwarte els en schietwilg. Vooral langs vijverkanten komen deze boomvormers voor. Binnen twee en zeker binnen drie jaar kunnen de stammen al zo dik zijn, dat ze niet meer zijn te maaien met gewone maaimachines. Klepelen of het verwijderen van jonge bomen is dan het alternatief. Met het oog op de fauna moeten ruigten altijd gefaseerd en gedifferentieerd worden gemaaid. Waar terreinen groot genoeg zijn, is begrazen als beheervorm meestal het beste. | ||
| Zomen ----------------- Voorbeelden van zomen | ||
| Zomen zijn min of meer ruige, kruidachtige vegetaties van ca. 0,8 tot 1,8 m hoog en 1 tot 3 m breed, die de overgang vormen tussen gesloten houtige begroeiingen (bos, struweel en bosachtige beplantingen) en grasland. Zomen bestaan in hoofdzaak uit overblijvende planten die net als bos min of meer karakteristiek zijn voor bepaalde bodems. Zomen kunnen vegetatiekundig worden ingedeeld (Zie Stortelder et al. , 1996). Hier wordt slechts volstaan met globale beeldkenmerken. Voor ontwerpers en beheerder kan het van belang zijn om zomen op de een op andere manier te benoemen. Doordat zomen in een overgangsgebied groeien, bevatten ze vaak zowel bosplanten als graslandplanten. | ||
| Zomen ontstaan op plekken waar de vegetatie met rust wordt gelaten, waar dus niet wordt gemaaid of gegraasd. Maar als er niets gebeurt, ontwikkelen deze zomen zich tot struweelrand of bos. In die gevallen breiden bos en struweel zich dus uit. In de natuur wordt dat door begrazing vaak verhinderd. | ||
| Voor de fauna zijn zomen van groot belang, vooral voor insecten en andere kleine dieren. Bloemrijke zomen worden ondermeer veel bezocht door vlinders, hommels, bijen, zweefvliegen en kevers. Voor diverse vlindersoorten zijn ze voor de reproductie van belang. Voor zangvogels dienen ze vooral als nestgelegenheid; veel kleine dieren gebruiken zomen ook als foerageergebied. Zomen zijn daardoor ook van betekenis voor natuurbeleving (recreatie) en natuureducatie. | ||
| Milieu zomen | ||
| Zomen zijn vaak karakteristiek voor bepaalde bostypen. Langs een elzenbroekbos zal onder normale omstandigheden een heel andere zoom aanwezig zijn dan langs een eiken -haagbeukenbos. Een elzenbos op natte grond heeft vaak een totaal ander type zoom dan een elzenbos op vochtige (niet natte) grond. In het eerste geval kan de zoom bloemrijk zijn, in het tweede kan ze worden gedomineerd door grote brandnetel. | ||
| Op arme gronden is de zoom vaak grazig, op rijke en vooral gestoorde grond is de zoom zeer ruig. Beplantingen in de openbare ruimte worden vaak gedomineerd door storingssoorten, veelal stikstofminnende planten; vooral door grote brandnetel, kleefkruid en akkerdistel. Vaak is zevenblad in de zoom aanwezig. Dit wordt veroorzaakt doordat de bodem verstoord is, meestal omgewoeld of opgebracht. Daarnaast worden de randen continu bemest door het inwaaien van stof ( nutriënten ), nog al te vaak door zowel aangelijnde als loslopende honden en ook vaak door te ruw beheer. Maar ook langs natuurlijke bossen kunnen zomen zeer ruig zijn en vaak met bramen doorweven. | ||
| Beheer en ontwikkeling zomen | ||
| In Nederland wordt de ontwikkeling van zomen en mantels in de meeste gevallen tegengegaan door gebruik. Bossen grenzen aan landbouwgronden, wegen en paden. In parken en recreatieterreinen werd en wordt meestal geen rekening gehouden met zomen, zodat het gedeelte dat in gebruik is vrijwel altijd grenst aan de beplanting. Door ruimte te reserveren voor zomen en deze zomen door begrazing of door onregelmatig maaien te beheren, kunnen zomen tot ontwikkeling komen en zich handhaven. Het maaien is er op gericht om verhouting te voorkomen. | ||
| Grazige zomen worden één maal per jaar gemaaid, ruigere zomen éénmaal per twee of drie (vijf) jaar. Het maaien gebeurt gefaseerd en gedifferentieerd. Dat wil zeggen dat niet alles in één keer wordt gemaaid, maar in fasen en met verschillende intervallen. Dit beheer komt dan het meest overeen met natuurlijke begrazing. Sommige plekken worden nooit begraasd, andere plekken worden intensief begraasd of door grazers gebruikt, met allerlei gradaties daar tussen in. Het resultaat is een rafelige bosrand. Met grotere en kleinere inhammen die micromilieus voor veel kleine diersoorten vormen. | ||
| Bij begrazing moet men opletten of de zomen goed standhouden bij begrazing ontstaan meestal vanzelf zomen, maar dat is niet altijd het geval. Zeker niet als er te veel grazers in een gebied aanwezig zijn. | ||
| Indeling zomen | ||
| Vegetatiekundig worden zomen in verschillende plantengemeenschappen ingedeeld. Voorlopig wordt op deze website volstaan met structuur van deze vegetaties. | ||
| Bloemrijk en divers -- De zoom is bloemrijk en divers, als ze voor een groot gedeelte uit verschillende opvallende bloeiende planten bestaat, die niet gerekend kunnen worden tot de grassen en storingssoorten zoals grote brandnetel, akkerdistel, kleefkruid en ridderzuring. | ||
| Bloemrijk en weinig divers -- Als de zoom grotendeels bepaald wordt door een bloeiende soort is ze bloemrijk, maar weinig divers. Bijvoorbeeld zomen met fluitenkruid of wilgenroosje. | ||
| Bloemarm met storingsplanten -- Een bloemarme zoom met storingsplanten bestaat voornamelijk uit bloemloze ruigte, die grotendeels door storingssoorten ( grote brandnetel, akkerdistel, kleefkruid en ridderzuring) wordt bepaald. Er groeien weinig grassen. | ||
| Grazig -- Een grazige zoom wordt door grassen gedomineerd. | ||
| Varenrijk -- Een zoom is varenrijk, als varens aspectbepalend zijn. | ||
| Opmerking: In eerdere publicaties is deze indeling anders gedefinieerd (Koster, 2001a p. 72; Koster 2001b p68). | ||