Inleiding vegetatiekundige benadering drachtplanten -------- ---------------
Testpagina onder constructie
Deze pagina is onder constructie en nog niet gecorrigeerd.
Het doel van dit overzicht is om een beter verband te zien tussen de beheertypen die zijn afgeleid van de beheerpraktijk buiten de natuurreservaten en de plantengemeenschappen zoals ze in de vegetatiekunde worden gedefinieerd.
Waarom deze pagina?
Wat zijn plantengemeenschappen?
Hoe kunnen plantengemeenschappen worden herkend?
Hoe moeten plantengemeenschappen worden geanalyseerd?
Hoe groot moet het proefvlak zijn en in welke periode vind de opname plaats?
Wat moeten we noteren?
Met welke schaal kunnen de soorten worden genoteerd?
Hoe moeten de opnamen worden geïnterpreteerd en geïdentificeerd?
Hoe worden plantengemeenschappen ingedeeld?
Begrippen
Literatuur
 
 
 
Waarom deze pagina?
Drachtplantenbeheer is vegetatiebeheer. Idealiter zou vegetatiebeheer moeten plaatsvinden op basis van vegetatiekundige analyse. In het stedelijke gebied en op de meeste terreinen buiten de officiële natuurreservaten gebeurt dat weinig of nooit. In veel gevallen is men niet in de gelegenheid of worden er geen middelen beschikbaar gesteld om aan de hand van uitvoerig vegetatiekundig onderzoek het beste beheer vast te stellen. Aan de hand van gidssoorten en vegetatiestructuur, zoals bij de beheertypen op deze website opgegeven, kan het beheer echter wel worden bepaald. In de praktijk gebeurt dat vaak. Deze methode werd vooral tussen 1970 en 1990 veel toegepast door de Adviesgroep Vegetatiebeheer die onder leiding stond van Prof. dr. P. Zonderwijk. Dit leidde meestal tot een gewenst resultaat en zelfs tot floristische hoogstandjes.
Het doel van dit overzicht is om een beter verband te zien tussen de beheertypen die zijn afgeleid van de beheerpraktijk buiten de natuurreservaten en de plantengemeenschappen zoals ze in de vegetatiekunde worden gedefinieerd. Voor de indeling van de plantengemeenschappen wordt Schaminée et al. (1996-1998) gevolgd. Ten opzichte van plantengemeenschappen in natuurgebieden zijn de plantengemeenschappen daarbuiten vaak zeer verarmd en gestoord en hebben we gewoonlijk te maken romp- en derivaat gemeenschappen of associatie- fragmenten. Natuurlijke vegetaties kunnen dienen als referentiekader bij het beheer en de evaluatie daarvan. Vrijwel iedere overheid en veel groenbeheerders hebben biodiversiteit hoog in het vaandel staan. Goed vegetatiebeheer is het instrument bij uitstek om dit te realiseren. De tabellen op deze website kunnen daarbij naast de beheertypen, als een referentiekader worden gebruikt. Voor een nauwkeurige identificering van van een plantengemeenschap zijn vegetatie-opnamen noodzakelijk. Voor een orientatie kunnen de herkenningstabellen worden gebruikt.
Afbakening
In dit hoofdstuk wordt vrijwel uitsluitend ingegaan op zaadplanten en varens. Voor dit document zijn mossen te gespecialiseerd; daarvoor wordt verwezen naar de literatuur die steeds op iedere pagina wordt opgegeven.
Opmerkingen
De plantengemeenschappen die in dit overzicht worden genoemd zijn door de auteur gezien en deels onderzocht. Dit overzicht echter is volledig gebaseerd op onderstaande literatuur. Per afzonderlijke pagina zal steeds worden verwezen naar het betreffende hoofdstuk of deel van de Atlas plantengemeenschappen (Weeda 2000-2005) . Verder is de veldgids van het KNNV sterk aan te bevelen:Schaminée, J. K.Sykora, N. Smits, M. Horsthuis, 2010. Veldgids plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht, pp. 439.
Terug naar top pagina
 
 

Wat zijn plantengemeenschappen?

Een plantengemeenschap is een ruimtelijke groepering van elkaar beïnvloede planten, die in een zeker evenwicht verkeert en een bepaalde, min of meer homogene standplaats bevolkt. (Westhoff & Den Held, 1975). Een plantengemeenschap kan uit één plantensoort bestaan. Plantengemeenschappen zijn volgens een bepaald classificatiesysteem geordend in klassen, orden, verbonden en associaties. Ieder groep wordt gekenmerkt door één of meer karakteristieke soorten: zogenaamde kensoorten. De associatie is de kleinste eenheid. Deze heeft een nauw omschreven floristische samenstelling en specifieke standplaats. De associatie is dus min of meer concreet terwijl de hogere eenheden (klasse, orde en verbond) abstract zijn.

Een plantengemeenschap is gebonden aan een bepaald milieu dat onder meer wordt bepaald door voedselrijkdom van de bodem, vochtigheidsgraad, zuurgraad, grondsoort of substaat, humusgehalte, diepte van het water of openheid van de grond. Dat is een simpele voorstelling van de werkelijkheid. In veel plantengemeenschappen leven soorten die zeer kritische reageren op milieufactoren. Om die reden kan een vegetatie die er tamelijk homogeen uitziet, kleine, maar zeer belangrijke verschillen vertonen in de soortensamenstelling. Hoe groter de verschillen in het milieu des te groter de verschillen in soortensamenstelling en vaak ook de vegetatiestructuur.

In een terrein dat geleidelijk afloopt en daardoor mogelijk iets vochtiger wordt, kan de ene plantengemeenschap geleidelijk over gaan in een andere. Op spoordijken bijvoorbeeld kan de vegetatie van de hogere naar lagere delen van het dijklichaam snel veranderen. Bovenaan kunnen lage vegetaties voorkomen van zeer droge milieus terwijl onderaan het talud vegetaties van natte ruigte kunnen groeien. Tussen beide vegetaties in kan een grazige vegetatie aanwezig zijn. Waarin de soorten van de aangrenzende vegetaties in voorkomen. Zo overgang wordt een contactgemeenschap genoemd.

Terug naar top pagina
 
 
Hoe kunnen plantengemeenschappen worden herkend?
De plantengemeenschappen zijn in een hiërarchisch rangorde gerangschikt op het niveau van klassen, orden, verbonden en associaties (zie Indeling plantengemeenschap ). Ieder rangorde wordt gekenmerkt door één of meer kensoorten.  Deze worden in de tabel kenmerkende soorten genoemd. Aan de hand van deze soorten kunnen plantengemeenschappen op naam worden gebracht. In de concrete vegetatie (associatie) zijn onder ideale omstandigheden kensoorten van alle verschillende rangordes  (klasse, orde, verbond associatie) aanwezig. Als er te veel kensoorten van de associatie of  het verbond ontbreken, is het vaak niet goed mogelijk om een vegetatie in een plantengemeenschap in te delen. Vooral bij gestoorde vegetaties komt dat vaak voor.
Om het beheer vast te stellen van natuurterreinen  buiten de natuurreservaten is het vaak al voldoende om een vegetatie op verbonds-niveau te onderscheiden.
In de samenvatting op deze pagina  worden ken(merkende )soorten gegeven met daarnaast andere soorten die min of meer kenmerkend zijn voor het verbond en/of de klasse waartoe de associatie wordt gerekend. Daarnaast worden er ook enkele milieukenmerken opgegeven. Aan de hand van deze samenvatting kan een indicatie worden verkregen over de naam van de plantengemeenschap waartoe de vegetatie behoort. Als het om bijzondere soorten  en/of bijzondere situaties gaat of de vermoedelijke aanwezigheid ervan,  is het sterk aan te bevelen om de naslagwerken of hoofdstukken daaruit te raadplegen die onder de link "Literatuur" worden genoemd. Ook is het te overwegen een deskundige te consulteren.
Vegetaties kunnen niet op een wijze worden gedetermineerd zoals dat bij planten- en diersoorten het geval is. Daarvoor is het aantal variabelen te groot. Plantengemeenschappen zijn niet strak af te bakenen. Het is vaak meer een kwestie van kritisch interpreteren dan determineren. De vegetatiekundige methodieken werken voor dit doel het best. Als het bedoeld is voor beheerdoeleinden buiten de officiële natuurreservaten kunnen deze methodieken sterk worden vereenvoudigd. Voor natuurreservaten en andere doelstellingen wordt verwezen naar Zie Schaminée et al (1995b).
Terug naar top pagina
 
 

Hoe moeten plantengemeenschappen worden geanalyseerd?

Als een plantengemeenschap op naam kan worden gebracht, verschaft dat toegang tot bronnen die meer informatie over het milieu geven dan we zelf in het veld kunnen waarnemen.

Als we niet de kunde, de kennis of de tijd hebben om een plantengemeenschap op een wetenschap verantwoorde wijze te identificeren, kan men ook met een globale methode, mits zeer kritisch toegepast, tot identificatie komen. Vooral als het om beheerdoelstelling gaat is deze methode verantwoord. Zeker als het gaat om plantengemeenschappen die buiten de officiële natuurgebieden liggen en als het terreinen betreft die deze status wel toekomen maar nog niet hebben gekregen.

Om een plantengemeenschap te identificeren moeten alle soorten in deze plantengemeenschap worden geïnventariseerd en globaal worden gekwantificeerd. Als het om een verkenning van het hele terrein gaat, kan de Tansey-schaal worden gebruikt, voor een gedetailleerde opname gebruikt men meestal de Braun-Blanquet-schaal. Voor het laatste moet de plek waar de opname/inventarisatie plaats vindt wat vegetatiestructuur en bodemgesteldheid betreft op het oog zo homogeen mogelijk zijn zodat de opname betrekking heeft op 1 plantengemeenschap. Op smalle taluds zijn deze plekken meestal smal/langwerpig. Als het bijvoorbeeld om het beheer van een gemiddelde wegberm gaat kan de Tansley schaal worden toegepast. Maar als men het beheer wil verfijnen of  als er bijzondere soorten worden gesignaleerd is het aanzienlijk nauwkeuriger om de Braun-Blanquet-schaal te gebruiken. Dat zijn kleinschalige opnamen die afhankelijk van de grote van het terrein op verschillende locaties moeten plaatsvinden.

Gebied, locatie, bodem en hydrologische situtatie

Gebied, locatie of landschapselement, bodem en grondwaterstand kunnen een belangrijke bijdrage leveren om een plantengemeenschap te herkennen. In de overzichten wordt dat zoveel mogelijk aangegeven. De hydrologische situatie is vaak niet op het oog te herkennen. Maar plantensoorten kunnen daarvoor wel een indicatie geven. Als een vegetatie op een ogenschijnlijk droge bodem gekenmerkt wordt door soorten van natte bodems, zou het kunnen betekenen dat de bodem in de winter zeer nat is en zelfs onderwater staat. Als men vertrouwd is met de omgeving weet men dat. Als dat niet zo is moet door middel van een grondboor de grondwaterstand worden bepaald of moet men volledig afgaan op de indicatie die de vegetatie geeft. In veel gevallen is dat redelijk betrouwbaar.
Terug naar top pagina
 
 
Wat moeten we noteren?
  Datum Uit de datum is de ontwikkeling van de vegetatie in te schatten. Vooral als er maar 1 opname gemaakt kan worden is dat voor de interpretatie zeer belangrijk. Als in een loofbos alleen in juli een opname wordt gemaakt, worden de meeste voorjaarsoorten gemist of zijn niet goed meer te herkennen. Twee opnamen zijn dan vaak noodzakelijk.
  Landschapstypen/-element Omschrijving van het landschap en het concrete landschapselement kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de interpretatie van de vegetatieopname. Daarnaast moet de locatie, al dan niet met GPS zo nauwkeurig mogelijk worden vast gelegd.
  Aangrenzende landschaps- elementen Dat kunnen vegetaties zijn, een maïsakker of bijvoorbeeld een beek. Deze elementen kunnen de soortensamenstelling van de vegetatie beïnvloeden.
  Directe menselijke invloed Begrazing, maaien, schonen en andere vormen van beheer; recreatie, bedrijvigheid...
  Grote en vorm proefvlak Voor grootte zie bij proefvlak. De vorm is sterk afhankelijk van het terrein dat moet voldoen aan het criterium homogeniteit. Midden op de hei of in het bos kan een vierkant worden uitgezet. Maar het kan ook langwerpig of grillig zijn. Een homogene beekbegeleidende vegetaties is vaak niet breder dan halve meter.
  Bodemeigenschappen Bodemprofiel inclusief humus laag, grondwaterstand, zuurgraad, hellingshoek (reliëf) van het proefvlak. Als het alleen maar om herkenning van de vegetatie gaat zijn grondwaterstand en zuurgraad globaal ook af te leiden uit vegetatiekenmerken, maar het is altijd beter om dat preciezer te doen. Vooral als het natuurontwikkeling op grotere schaal betreft.
  Watervegetaties Helderheid, waterbeweging (stroming, golfslag), diepte, dikte modderlaag, kwelverschijnselen.
  Bedekking en gelaagdheid Voordat de abundantie van de afzonderlijke soorten worden gedetermineerd wordt eerst de totale bedekking per laag geschat, (mos-, kruid-, struik- en boomlaag, Lianen) lichtcondities.
  Afzonderlijke soorten Van alle voorkomende soorten wordt de abundantie genoteerd volgens de Tansly of Braun-Blanquet schaal
Terug naar top pagina
     
     
     
Tansley- en Braun-Blanquet-schaal en grote proefvlak

Tansley schaal

d– dominant: soort overheerst

c– co-dominant: soort overheerst samen met (1 of 2) andere soorten.

a – abundant: soort is veel aanwezig, maar nooit overheersend

f – frequent: soort is vrij talrijk

o – occasional: soort is verspreid aanwezig

r – rare: soort is zeldzaam

s – Sporadic: soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig

l – local: soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied.

Braun-Blanquet-schaal

r-  zeer weinig ( enkele planten) bedekking kleiner dan 5%

+- weinig ( bijv. 5-10/20)

1- Talrijk (bijv 20 -100 planten)

2m – zeer talrijk  (bijv. 100-200 of meer)

2a  -  5-12,5 %

2b – 12,5-25%

3  - 25-50 %

4  - 50-75%

5 – 75-100%

Voor diverse varianten worden verwezen naar  Schaminée 1 pg. 72.

Voor wetenschappelijk onderzoek worden ook sociabiliteit, fenologische toestand, fertiliteit en vitaliteit genoteerd. Zie hiervoor Schaminée et al. (1995a)
Terug naar top pagina
 
 
Hoe groot moet het proefvlak zijn en in welke periode vind de opname plaats?
De grootte van het proefvlak is gebaseerd op het minimum areaal. Dat is de kleinste oppervlakke op een homogeen terrein/plaats waar de meeste kenmerkende soorten groeien van de plantengemeenschap groeien.
Een minimum areaal is eigenlijk een betrekkelijk begrip. Naar mate de oppervlakte van het proefvlak groter wordt neemt het aantal soorten meestal toe. Omdat een nauwkeurige vegetatieopname veel tijd vraagt en bovendien bij het schatten van de abundantie bij te grote oppervlakte onoverzichtelijk wordt, zijn er richtlijnen ontwikkeld waarmee in de praktijk gewerkt kan worden. Omdat verschillende opnamen onderling vergeleken kunnen worden moet een maat wel gestandaardiseerd zijn. In een homogeen proefvlak moet men proberen om zoveel mogelijk soorten in de vegetatie te betrekken. Maar er zijn altijd soorten die er net buiten vallen. Zulke soorten kunnen tussen () worden genoteerd en kunnen later een rol spelen bij de interpretatie van de opname en identificatie van de plantengemeenschap.

De grote van een proefvlak voor:

Optimale periode de opname

Beweid grasland

(1-)4m Eind mei-half juni
Hooilanden 4-10m Eind mei/begin juni-half juni

Nat hooilanden, moeras vegetaties

4-10m Juni-half augustus

Akkeronkruiden/pioniervegetaties

20m September (mei-september)

Watervegetaties

10m Mei-oktober

Heide

10m Juli-augustus

Struwelen

20-40m April-augustus

Ruigte

20m Eind juni-augustus

Bossen

100-400 April-augustus
Na half mei- juni zijn verschillende bossoorten niet meer zichtbaar. Onder meer speenkruid, muskuskruid.
Dit geldt ook voor pioniervegetaties waarin vroegbloeiende soorten in voorkomen.
Om een vollediger beeld te krijgen zouden deze vegetaties zowel in het voorjaar als in de zomer moeten worden bezocht.
Terug naar top pagina
 
 

Hoe moeten de opnamen worden geïnterpreteerd en geïdentificeerd?

Voor de wetenschappelijke methode wordt verwezen naar Schaminée et al. (1995a, b)
Voor het beheer kunnen de soorten worden gerangschikt volgens de status die de plantensoorten hebben. Dat wil zeggen dat kensoorten en differentiërende soort op de hiërarchische wijze van klasse, orde, verbond en Associatie kunnen worden ingedeeld. Op deze Cd-rom zijn de kensoorten klasse en orde samengevoegd e dit geldt ook voor de differentiërende soorten.  In dit hoofdstuk hebben we dus alleen te maken met klasse, verbonden en associaties. De soorten die daar buitenvallen worden steeds geplaatsts onder het kopje overige soorten. Hier wordt uitgegaan van een handmatige bewerking. Verder wordt er op voorhand uitgegaan de uiterlijke verschijningsvorm van de vegetatie (Fysiognomie). Dat wil zeggen dat er vooraf wordt vast gesteld met welk type begroeiing we te maken hebben. Bijvoorbeeld:  pioniervegetatie, grasland, ruigte, moeras- of verlandingsvegetatie, waterplantenvegetatie, bossen en struwelen.  Het lastige hierbij is dat deze vegetaties vaak in andere begroeiingen overgaan. Zo kan grasland overgaan in ruigte en vervolgens in bos of struweel.

Identificatie

Om tot identificatie te komen is er als hulpmiddel een globale herkenningstabel plantengemeenschappen opgesteld. Deze tabel voert  eerst naar het type begroeiing (bijv. grasland), vervolgens naar milieu en/of streek  in  Nederland. Dit is steeds gekoppeld aan een aantal kensoorten van de klasse en het verbond.  Dat zal niet steeds tot resultaten leiden daarvoor is de materie te complex. Vanuit de tabel is een link naar de pagina waar uitvoeriger op de gekozen vegetatie wordt ingegaan. Op deze pagina’s staat een samenvattend  overzicht van de van de betreffende plantengemeenschappen. Deze overzichten zijn ontleend aan deel 2-5 van de Vegetatie van Nederland.  

Ten slotte moeten de planten worden ingedeeld in ken- en differentiërende soorten van klasse, verbonden en associaties. De rest valt onder de categorie overige soorten. Onder “normale” omstandigheden kan meestal de klasse en het verbond waartoe de vegetatie deel van uitmaakt, worden vastgesteld.

Om een plantengemeenschap  op associatieniveau te identificeren is vaak lastig. Zeker in gestoorde situaties. Daarnaast kunnen kensoorten ontbreken wat vooral bij zeldzame soorten vaak voorkomt en in tabellen vaak een presentatie minder dan 1 of 2% hebben. Andere soorten worden gemakkelijk over het hoofd gezien als ze weinig in de vegetatie voorkomen. Daarnaast komen kensoorten ook in vegetaties voor waar ze geen kensoort voor zijn.  De kans op misleiding en een daaraan gekoppelde verkeerde conclusie is dus voortdurend aanwezig.

Terug naar top pagina
 
Begrippen die het meest in de tabellen van plantengemeenschappen worden gebruikt
Vegetatie: De ruimtelijke massa van plantenindividuen in samenhang met de plaats waar zij groeien en in een rangschikking, die zij uit zichzelf hebben aangenomen. De massa kan uit één plantensoort bestaan, doch gewoonlijk wordt zij gevormd door verscheidene tot vele soorten. Een bed met dahlia's of de gezamenlijke bomen van een arboretum kunnen niet als vegetatie worden beschouwd, omdat deze planten daar groeien zoals de mens ze heeft geplant. (Westhoff & Den Held, 1975).
Plantengemeenschap: Een ruimtelijke groepering van elkaar beïnvloede planten, die in een zeker evenwicht verkeert en een bepaalde, min of meer homogene standplaats bevolkt. (Westhoff & Den Held, 1975). Een plantengemeenschap kan uit één plantensoort bestaan. Plantengemeenschappen zijn volgens een bepaald classificatiesysteem geordend in klassen, orden, verbonden en associaties. Ieder groep wordt gekenmerkt door één of meer karakteristieke soorten: zogenaamde kensoorten. De associatie is de kleinste eenheid. Deze heeft een nauw omschreven floristische samenstelling en specifieke standplaats. De associatie is dus min of meer concreet terwijl de hogere eenheden (klasse, orde en verbond) abstract zijn.
Kensoort: Een soort die in een bepaalde plantengemeenschap een grotere presentie en/of gemiddelde abundantie en/of hogere vitaliteit heeft dan in andere plantengemeenschappen. (Schaminée et al. 1995). Een kensoort komts vaak niet alleen exclusief voor in een plantengemeenschap waar de plantensoort kensoort voor is. Aan de hand van kensoorten kunnen vegetaties worden ingedeeld. Afhankelijk van de gegevens kan men aan de hand van kensoorten bepalen bij welke plantengemeenschap een vegetatie kan worden ingedeeld. Naast kensoorten bestaan er ook nog differentiërende soorten (voor uitleg zie Schaminée et al. (1995). Omdat kensoorten vaak ontbreken, wordt ook het begrip diagnostische soort gebruikt. Met behulp van diagnostische soorten kan de naam van een plantengemeenschap op klasse, verbond- of associatieniveau worden bepaald.
Differentiërende soort: Een soort die in een plantengemeenschap (fytocoenon) waarvoor zijn differentiërend is, meer voorkomt dan in bepaalde daarmee vergeleken eenheden, naar die daarnaast in andere eenheden in de dezelfde mate of zelfs maar kan optreden.
Kenmerkende soorten: Een combinatie van soorten die min of meer karakteristiek is voor een bepaalde associatie. Soms bestaat een associatie uit één soort.
Overige soorten: Plantengemeenschappen kunnen worden herkend aan hun kensoorten en differentiërende soorten. Daarnaast staan er in tabellen ook andere categorieen soorten. Dat zijn de overige kensoorten van plantengemeenschappen binnen de klasse; begeleidende soorten (kensoorten van andere klassen), differentiërende soorten van sub-associaties en overige soorten dat zijn soorten die buiten de indeling vallen. In deze pagina worden de "voornaamste" soorten onder het kopje Overige soorten genoemd. Voor de exacteindelind wordt verwezen naar Weeda et al. (1996).
Overige begrippen
Presentie: Mate (percentage) waarin een soort voorkomt in de opname van een plantengemeenschap. In de tabellen in dit hoofdstuk wordt een zeer grove indeling gemaakt: XX groter dan 50%; X 20-50%; + kleiner dan 20%; + kleiner dan 5% Zie Literatuuropgave voor details.
Contactgemeenschap: plantengemeenschap die grenst aan een andere plantengemeenschap. Op plekken waar scherpe gradienten voorkomen bijvoorbeeld in duinvalleien of spoordijken kunnen vegetatie volledig in elkaar overgaan. als een vegetatie zit ingeklemd tussen droge en natte bodem.
Associatiefragment: Plantengemeenschap, waarin een groot deel van de voor de associatie kenmerkende soorten ontbreekt, maar nog voldoende kenmerkende soorten bevat om als associatie herkend te worden. (Schaminée pag. 138)
Derivaat gemeenschap: Plantengemeenschap die wordt gedomineerd door klasse-vreemde soorten. Verder komen er hoofdzakelijk soorten voor die kenmerkend zijn voor het niveau van verbond, orde en klasse. Onstaat vaak onder menselijke invloed. Een robiniabos is daar een voorbeeld van. De karakterestieke kensoorten van de associatie zijn verdwenen de kenmerkende soorten van verbond en klasse zijn in de minderheid en Robinia en de nitrofiele soorten die daarmee samengroeien zijn dominant. (Schaminée pag. 135-140)
Minimum areaal: Het kleinste oppervlak met een represenatieve floristische samenstelling van een plantengemeenschap. Het minimum areaal komt als volgt tot stand: Bij floristische inventarisatie van een homogeen terrein, neemt het aantal soorten met het groter worden van het oppervlak in het begin snel toe. Bij een bepaalde grens stopt dat of loopt het aantal soorten nog zeer langzaam op. Grafisch gezien is het een curve die eerst steil omhoog gaat en vervolgens vrij snel afvlakt. In het gebied waar de curve vlak begint te worden ligt ook de grens van het vegetatiekundige minimum areaal.
Rompgemeenschap: Plantengemeenschap die alleen kensoorten bevatten boven het niveau van associatie. Dus kensoorten van verbond, orde en klasse. Soorten die specifiek zin voor een bepaald milieu ontbreken vaak ten gevolge van storing of verkeerd beheer. Kortom rompgemeenschap heeft meestal betrekking op een verarmde plantengemeenschap. In de praktijk hebben we hier vaak mee te maken. De klasse en het verbond zijn nog wel herkenbaar, maar voor associaties zijn we vaak of zelfs uitsluitend aangewezen op natuurterreinen of natuurreservaten. Maar als we al zo ver zijn dat we het verbond kunnen bepalen weten we ook al veel meer over het beheer en de richting waarin een vegetatie zich kan gaan ontwikkelen. Rompgemeenschappen kunnen ook een natuurlijke oorzaak hebben. Bijvoorbeeld als de plantengemeenschap nog in ontwikkeling is of een standplaats te klein is voor het representatieve aantal soorten in een associatie voor kan komen. (Schaminée pag. 135, 138)
Successie: Proces van opeenvolding van planten op een bepaalde plaats. Primaire successie is de ontwikkeling in de vegetatie die optreedt na ingrijpende veranderingen door de mens, bijvoorbeeld een vegetatie intwikkeling op verlaten akkers, brand- en kapvlakten. Een volledige successie begint op een vochtige kale bodem bijvoorbeeld met een pioniervegetatie en eindigt bij een bos. Als dat bos volgroeit is er een tamelijk"stabiel ecosysteem ontstaat dat ook wel een climaxvegetatie wordt genoemd. In het veld ziet men vaak verschillende successie stadia naast elkaar, maar dat hoeft niet te betekenen dat deze successie stadia na elkaar zijn ontstaan. (Schaminée pag. 199-208-138).
Terug naar top pagina
 
Literatuur

Held, J.J. Den & A.J. den Held (1979). Beknopte handleiding voor vegetatiekundig onderzoek. Wetenschappelijke Mededelingen K.N.N.V. 79, KNNV, Hoogwoud, pp. 40.

Schaminée, J.H.J., A.H.F. Storteler & J.J. Barkman (1995b). Syntaxonomische identificate. In: Schaminée, J.H.J., A.H.F. Storteler & V. Westhoff (1995a). De vegetatie van Nederland 1: grondslagen, methoden, toepassingen. Opulus press, Leiden: 115-128.

Schaminée, J.H.J., A.H.F, Stortelder & E.J. Weeda (1996). De vegetatie van Nederland 3: Graslanden, zomen, droge heiden. Opulus press, Leiden, pp. 356.

Schaminée, J.H.J., A.H.F. Stortelder & V. Westhoff (1995a). De vegetatie van Nederland 1: grondslagen, methoden, toepassingen. Opulus Press, Leiden, pp. 296.

Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff (1995). De vegetatie van Nederland 2: wateren, moerassen, natte heiden. Opulus Press, Leiden, pp. 360.

Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff (1998). De vegetatie van Nederland 4: kust en binnenlandse pioniermilieus. Opulus Press, Leiden, pp. 346.

Schaminée, J. K.Sykora, N. Smits, M. Horsthuis, 2010. Veldgids plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht, pp. 439.

Stortelder, A.F.H., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel (1999). De vegetatie van Nederland 5: ruigten, struwelen, bossen. Opulus Press, Leiden, pp. 376.

Westhoff, V. & A.J. den Held (1975). Plantengemeenschappen in Nederland. Thieme, Zutphen, pp. 324.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2000). Atlas van plantengemeenschappen in Nederland 1: wateren, moerassen en natte heiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht, pp. 334.
Weeda, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2002). Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland 2: Graslanden, zomen en droge heide. KNNV, Utrecht, pp. 223.
Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2003). Atlas van plantengemeenschappen in Nederland 3: Kust en binnenlandse pioniermilieus. KNNV Uitgeverij, Utrecht, pp. 256.
Weeda, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2005). Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland 4: bossen, struwelen en ruigten. KNNV, Utrecht, pp. 282. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Terug naar top pagina
 
 
Voorbeeld indeling. -- Klasse der matig voedselrijke graslanden (Molinio-Arrhenathetea)

Orde

  Verbond

 

Associatie

  16Aa Verbond van biezenknoppen en Pijpenstrootje  

16Aa1 Blauwgrasland (zie bij G1)

         

     

16A Pijpenstrootjes-orde

     

16Ab1 Veldrus-ass.

     

     

16Ab2 Ass. van Ratelaar en Harlekijn

     

     

16Ab3 Ass. van echte koekoeksbloem en gevleugeld hertshooi

# 16Ab Dotterbloem-verbond  

     

16Ab4 Ass. van boterbloem en waterkruiskruid

     

        16Ab5 Bosbies-ass.
         
        16Ab6 Ass. van gewone engelwortel en moeraszegge
         
         
        16Ba1 Kievitsbloem ass. (zie bij G7)
    16Ba Verbond van grote vossenstaart    

     

16Ba2 Ass. van grote pimpernel en weidekervel

16B Glanshaver-orde

     

    16Bb Glanshaver-verbond   16Bb1 Glanshaver-ass(zie bij G7)
         
        16Bc1 Kamgrasweide(zie bij G7)
    16Bc Kamgras-verbond    
        16Bc2 Ass. van ruige weegbree en aarddistel
    Terug naar top pagina
     
s