script language="Javascript1.2">
Samenvattieng overzicht bossen en struwelen in Nederland Sluit deze pag. met kruisje rechts boven!
Voor meer informatie en foto's wordt verwezen naar de corresponderende links onder deze pagina (www.bijenhelpdesk.nl)
Verantwoording
     
Wilgenvloedbossen en struwelen    
Bodem -- Nat tot zeer vochtig en periodiek overstroomd; voedselrijk-zeer voedselrijk; rivierklei, zavel, lemige tot zandige bodems en te zware zeeklei, kalkrijk, humusarm.
Bomen -- Schietwilg, (meer als struiklaag amandelwilg of katwilg) kraakwilg, zwarte populier.
Struiken en lianen -- amandelwilg, bittere wilg, hop, grauwe wilg, katwilg.
Kruiden -- Kensoorten ontbreken; de kruidlaag is zeer ruig en grote brandnetel vaak dominant. Gemeenschappelijke soorten bijvoet-ooibos, lissen-ooibos en veldkers-ooibos: bitterzoet, gele lis, gewone hennepnetel, gewone smeerwortel, grote brandnetel, grote kattenstaart, haagwinde, harig wilgenroosje, kleefkruid, kluwenzuring, kruipende boterbloem, reuzenbalsemien, riet, rietgras, ruw beemdgras, waterpeper, wolfspoot.
Globaal voorkomen -- In hoofdzaak langs de grote rivieren en in het zoetwatergetijdengebied.
Associaties:
Bijvoet-ooibos -- Bodem: matig fijn tot matig grof kalkrijk en voedselrijk zand; de bodem droogt snel uit. Bomen: zwarte populier; wilgenbos met een lage open boom en/of struiklaag. Kruiden: akkerdistel, boerenwormkruid, bijvoet, fioringras, gele akkerkers, grote kattenstaart, grote weegbree, hondsdraf, kweek, kropaar, kruldistel, look zonder look, perzikkruid, reukloze kamille, ridderzuring, rietzwenkgras, veerdelig tandzaad, vijfvingerkruid, zilverschoon, zwarte mosterd, watermunt, watermuur en wilde bertram. Voorkomen: langs de rivieren in het midden van het land; onder meer langs de Waal op rivierstrandjes.
Lissen-ooibos -- Bodem: gewoonlijk kleiige bodems en ophoping van organische stof in de bovengrond; op laaggelegen plekken in de uiterwaarden zoals kommen, afgesloten rivierarmen en kleiputten. Kruiden: blauw glidkruid, fioringras, grote wederik, hondsdraf, moerasandoorn, moeraskruiskruid, moerasspirea, moerasvergeet-mij-nietje, moeraswalstro, poelruit, scherpe zegge, liesgras en penningkruid en watermunt. Voorkomen: In hoofdzaak in het rivierengebied van het Rijnsysteem (Rijn, Waal, IJssel)
Veldkers-ooibos -- Milieu: in het zoetwatergetijdengebied met een sterke dagelijkse waterstandwisseling. Bomen: Duitse dot. Kruiden: bittere veldkers, echte valeriaan, fluitenkruid, gewone berenklauw, gewone engelwortel, groot springzaad, grote engelwortel, hondsdraf, moerasstreepzaad, moerasvergeet-mij-nietje, ridderzuring, speenkruid, spindotterbloem, zomerklokje. Voorkomen: in Zuidwest Nederland, onder andere in en bij de Biesbosch en Rhoonse Grienden.
 
Elzenbroekbossen    
Bodem -- Nat tot zeer vochtig, in de winter vaak blank; zomerpeil tot 60cm diep; voedselrijk; veen, laagveen, venig, zand, zandig veen; zuur-zwak zuur; hoog organisch stofgehalte.
Globaal voorkomen -- In hoofdzaak in het zuidoostelijk gedeelde van het land; verder dun verspreid in de kust provincies; het meest in beekdalen, langs meren en in veengebieden.
Associaties:
Elzenzegge-elzenbroeks
Bomen -- Zwarte els, Zachte berk, gewone es, zomereik.
Struiken en lianen -- Gagel, Gelderse roos, grauwe wilg, geoorde wilg, kruipwilg, ruwe berk, ratelpopulier, sporkehout, vogelkers, wilde lijsterbes, zwarte bes. Lianen: hop, wilde kamperfoelie. Verder framboos
Kruiden -- Kenmerkende soorten: elzenzegge, wijfjesvaren. Overige soorten: bittere veldkers, bitterzoet,blauw glidkruid, bosbies, brede stekelvaren, echte valeriaan, gele lis, gestreepte witbol, gewone engelwortel, grote kattenstaart, grote wederik, hennegras, hoge cyperzegge, ijle zegge, kale jonker, koninginnenkruid, melkeppe, moeraswalstro, moerasspirea, moeraszegge, pinksterbloem, riet, rietgras, ruw beemdgras, ruwe smele, smalle stekelvaren, watermunt, waterviolier, wolfspoot.
Moerasvaren-elzenbroek -- Milieu: een kraggebos in verlandende wateren en zeer nat laagveen.
Bomen en struiken -- zwarte els, zachte berk, grauwe wilg, sporkehout, wilde lijsterbes, gagel
Kruiden -- Kenmerkende soorten: moerasvaren, kamvaren, moeraswederik, pluimzegge. Overige soorten -- Bitterzoet, brede stekelvaren, waterscheerling, melkeppe, gele lis, gewone engelwortel, grote wederik, grote kattenstaart, hennegras, kale jonker, koninginnekruid, moerasandoorn, moeraswalstro, moerasspirea, moeraszegge, oeverzegge, riet, ruw beemdgras, smalle stekelvaren, watermunt en wolfspoot.
 
Berkenbroekbossen    
Bodem -- Nat; voedselarm; hoogveen, laagveen, venige, zandige en lemige bodems; zuur; strooisellaag; veen en podzolgrond.
Bomen -- Zachte berk ( zwarte els, ruwe berk, zomereik, grove den)
Struiken en lianen -- Wilde gagel, geoorde wilg, grauwe wilg, kruipwilg, sporkehout, wilde lijsterbes, wilde kamperfoelie.
Kruiden -- Kenmerkende soorten: vooral veenmossen; verder onder meer: gewone dophei, blauwe bosbes, rode bosbes en wollegras. Overige soorten: bitterzoet, brede stekelvaren, gewone waternavel, grote wederik, hennegras, melkeppe, moerasstruisgras, kale jonker, koningsvaren, moerasvaren, moerasviooltje, pijpenstrootje, rankende helmbloem, smalle stekelvaren, struikhei, wateraardbei en wijfjesvaren.
Globaal voorkomen -- In hoofdzaak in het binnenland.
Associaties:
Dopheide berkenbroek -- Met onder meer gewone dophei. Voorkomen: in het pleistocene zandgrondgebied.
Zompzegge-Berkenbroek -- Met onder meer gewoon hennengras en riet. Voorkomen: het zwaartepunt van de verspreiding ligt in het oostelijk gedeelte van het land; verder in het Zuid- en Noord-Hollandse plassengebied.
 
Naaldbossen    
Bodem -- Droog tot vochtig; voedselarm; meestal leemarme zandige bodems; zuur/kalkarm; zeer zuur strooisel; podzol en vaaggronden.
Bomen -- Grove den, zomereik, ruwe berk, beuk, zachte berk.
Struiken en lianen -- Amerikaanse vogelkers, Amerikaans krentenboompje, hulst, jeneverbes, wilde lijsterbes, sporkehout, wilde kamperfoelie. Verder ook braam.
Kruiden en dwergstruiken -- Kenmerkende soorten: enkele zeldzame tot zeer zeldzame soorten als dennenorchis en Linnaeusklokje. Verder een aantal soorten mossen. Op deze Cd-rom wordt op deze soorten niet verder op ingegaan Zie: Stortelder et al. (1999). Minder kenmerkend, maar vaak tarijk tot dominant aanwezig zijn: blauwe bosbes, rode bosbes en struikhei. -- Overige soorten: bochtige smele, boskruiskruid, brede stekelvaren, duinriet, fijn schapengras, rankende helmbloem, gewone eikvaren, gewoon struisgras, kraaiheide, pilzegge, reukgras, schapengras, smalle stekelvaren, wilgenroosje, zandstruisgras, zevenster; op vochtige bodem: dubbelloof, gewone dophei, pijpenstrootje; aan de randen: gewone veldbies, grasklokje, kruipbrem, liggend walstro, mannetjesereprijs, muizenoor, hondsviooltje, schapenzuring, schermhavikskruid, stijf havikskruid, zandzegge. Op kapvlakte vooral wilgenroosje en vingerhoedskruid.
Globaal voorkomen -- In hoofdzaak op de pleistocene zandgronden; lokaal ook in de duinen en in het waddengebied.
Associaties:
Gaffeltandmos-jeneverbesstruweel -- Gekarakteriseerd door jeneverbes. Voorkomen: Drenthe, Overijssel en Gelderland.
Korstmossen-dennenbos -- Onderscheidt zich van andere naaldhout bossen door onder meer het voor komen van enkele korstmossen/rendiermossen die zich als mostapijten kunnen ontwikkelen. Voorkomen: in hoofdzaak in het Waddendistrict (Schoorl, Texel en Vlieland) op de Veluwe en verspreid in het oostelijk deel van het land.
Kussentjesmos-dennenbos -- Kruiden en dwergstruiken: blauwe bosbes, rode bosbes, struikhei, bochtige smele, brede stekelvaren, rankende helmbloem, kraaiheide, smalle stekelvaren, kussentjesmos; op vochtige bodem: dubbelloof, pijpenstrootje. Voorkomen: algemeen op de pleistocene zandgronden.
 
Eiken-beukenbos op arme grond    
Bodem -- Droog tot vochtig; winterpeil dieper dan 40 cm; voedselarm; leemarm zand, leem; zuur; strooisellaag; podzol, stuifzanden, dekzanden, enkeerdgronden.
Globaal voorkomen -- In hoofdzaak op de zandgronden in het binnenland en in de duinen.
Associaties:
Berken-eikenbos -- Bodem: zandige leemarme bodems (stuifzanden, dekzanden, enkeerdgronden) die alleen met regenwater worden gevoed (inzijgprofielen; podzolering).
Bomen -- Zomereik, ruwe berk. Begeleidende soorten – Grove den, zachte berk, (tamme kastanje en beuk).
Struiken en lianen -- Amerikaans krentenboompje, ratelpopulier, wilde lijsterbes, sporkenhout (Amerikaanse vogelkers), wilde kamperfoelie.
Kruiden en dwergstruiken -- Kenmerkende soorten: mossoorten. Overige soorten -- op overwegend droge bodems: bochtige smele, blauwe bosbes, rode bosbes, struikhei, brede stekelvaren, gewoon struisgras, gladde witbol. Aan de randen: gewone eikvaren, liggend walstro, hengel, schaduwgras, smalle stekelvaren, rankende helmbloem. Op vochtige gronden vooral pijpenstrootje. In kalkarme duinen ook kraaihei en gewone eikvaren.
Beuken-eikenbos -- Bodem: leemhoudende zandgrond en arme loss-, leembodems.
Bomen -- Zomereik, beuk. Begeleidende soorten -- Wintereik, tamme kastanje, ruwe berk.
Struiken en lianen -- Amerikaans krentenboompje, hazelaar, hulst, sporkehout, wilde kamperfoelie, Wilde lijsterbes.
Kruiden en dwergstruiken -- Dalkruid, adelaarsvaren, dubbelloof. Overige soorten -- Op drogere bodems: blauwe bosbes, bochtige smele, brede stekelvaren, gebogen driehoeksvaren, gewoon vingerhoedskruid, gladde witbol, grote muur, grote veldbies, hengel, lelietje-van-dalen, knopig helmkruid, mannetjesvaren, rode bosbes, ruige veldbies, schaduwgras, smalle stekelvaren, valse salie, veelbloemige salomonszegel, witte klaverzuring, gewone, eikvaren; op vochtige bodems: koningsvaren, pijpestrootje, wijfjesvaren.
Bochtige-smele-beukenbos -- Als beuken-eikenbos, maar door de dikke strooisellaag en het donkere milieu ontbreken de meeste plantensoorten. Voorkomen: in hoofdzaak op zandige en lemige bodem in het binnenland.
Veldbies-beukenbos -- Bodem: zeer zuur (pH3), lemig. Enkele voorkomende soorten zijn: grote veldbies, witte veldbies en mispel; heeft een aantal soorten met het eiken-haagbeukenbos gemeen. Voorkomen: alleen in Zuid-Limburg en het Rijk van Nijmegen.
 
Eiken-beukenbos op rijke grond    
Bodem -- Natte- tot vochtige, voedselrijke, overwegend basenrijke, kalkhoudende tot kalkrijke minerale bodems; de bovengrond kan zwak zuur tot zuur zijn.
Bomen -- Gewone es, gladde iep, beuk, gewone esdoorn, haagbeuk, zomereik, zwarte els, Spaanse aak, vogelkers, winterlinde, zoete kers.
Struiken en lianen -- Aalbes, bosrank, Gelderse roos, hazelaar, klimop, taxus, tweestijlige meidoorn, vogelkers. Verder onder meer: eenstijlige meidoorn, egelantier, hondsroos, kruisbes, rode kornoelje, sleedoorn, sporkehout, wegedoorn, wilde kardinaalsmuts, wilde liguster, wilde lijsterbes, zwarte bes.
Kruiden -- Bosandoorn, bosanemoon, boskortsteel, bosvergeet-mij-nietje, daslook, drienerfmuur, gele anemoon, geel nagelkruid, gevlekte aronskelk, groot heksenkruid, grote keverorchis, grote muur, gulden boterbloem, kruipend zenegroen, muursla, robertskruid, speenkruid, witte klaverzuring, zwarte rapunzel. De kruidlaag is meestal ruig.
Globaal voorkomen -- Als klasse vrij algemeen op de voedselrijke minerale gronden.
Associaties:
Abelen-iepenbos -- Bodem: zand en zavelgrond. Bomen: gladde iep, gewone es, gewone esdoorn, zomereik. Kruiden: vaak rijk aan( geïntroduceerde) bolgewassen: gewone vogelmelk, slangenlook, vingerhelmbloem, boshyacint, daslook, gele anemoon, sneeuwklokje; verder onder meer maarts viooltje, stengelloze primula. Voorkomen: vooral langs zandige rivieren en de binnenduinrand.
Essen-iepenbos -- Bodem: klei en zavelgrond. Bomen: Gewone es, gladde iep, gewone esdoorn, wintereik. (met veel begeleidende bomen en struiken) Kruiden: bosandoorn, dagkoekoeksbloem, fluitenkruid, geel nagelkruid, groot heksenkruid, grote brandnetel, hondsdraf, robertskruid, speenkruid, stinkende gouwe, zevenblad; vaak rijk aan stinzenplanten. Voorkomen: vooral op landgoederen en stinzen.
Meidoorn-berkenbos -- Bodem: vochtig duinzand. Bomen: zachte berk. Heesters: egelantier, hondsroos, wilde liguster, eenstijlige meidoorn, wegedoorn, wilde kardinaalsmuts. Kruiden: duinsalomonszegel, hondstong, heggenrank; verder, bosaardbei, geel nagelkruid, gewone brunel, gewone ereprijs, kruipend zenegroen, maarts viooltje. Voorkomen: het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied ten Zuiden van Schoorl.
Goudveil-essenbos -- Bodem: nat en door kwelwater gevoed en langs bronbeken. Bomen: Zwarte els, gewone es. Kruiden: goudveil, reuzenpaardenstaart, hangende zegge. Voorkomen: in het oosten en zuiden van het land.
Vogelkers-essenbos -- Bodem: nat tot vochtig. Bomen: zwarte els, gewone es, zomereik. Kruiden: groot heksenkruid, groot springzaad, dalkruid, gele dovenetel, gevlekte aronskelk, gewone salomonszegel, groot heksenkruid, groot springzaad, grote muur, gulden boterbloem, slanke sleutelbloem. Voorkomen: in hoofdzaak in zuidoostelijk Nederland
Eiken-haagbeukenbos -- Bodem: vochthoudend tot zomerdroog -in natte periodes met stagnerend water. Bomen: haagbeuk, zomereik, gewone es. Kruiden: wordt vooral in Zuid-Limburg gekenmerkt door het voorjaarsaspect. met onder meer daslook, donkersporig bosviooltje, eenbes, gevlekte aronskelk, grote keverorchis, grote muur, gulden boterbloem, heelkruid, kleine maagdenpalm, lievevrouwebedstro, maartsviooltje, muskuskruid, slanke sleutelbloem. Voorkomen: in hoofdzaak in het zuiden en het oosten van het land.
 
Wilgenbroekstruwelen    
Bodem -- Nat; schraal tot matig voedselrijk; venig, lemig, zandgond; zuur-neutraal; organisch materiaal; vaaggronden, podzol.
Bomen -- Begeleidend: zachte berk, zwarte els, wilde lijsterbes, boswilg.
Struiken -- Vuilboom, grauwe wilg, geoorde wilg
Kruiden -- Bitterzoet, echte valeriaan, gele lis, gewone engelwortel, hoge cyperzegge, grote kattenstaart, grote wederik, hennengras, holpijp, kale jonker, melkeppe, moerasrolklaver, moerasspirea, moerasvaren, pluimzegge, ruw walstro, smalle stekelvaren, tormentil, wateraardbei, watermunt, waternavel.
Globaal voorkomen -- Het zwaarte punt ligt in het oostelijk gedeelte van het land.
Associaties:
Associatie van geoorde wilg -- Bodem: zandig, venig, relatief voedselarm. Struiken: geoorde wilg, gagel. Kruiden: tormentil, pijpenstrootje, waternavel. Voorkomen: in hoofdzaak in het Drents en Geldersdistrict. Verder verspreid op de natte zandgronden.
Associatie van grauwe wilg -- Bodem: voedselrijk tot zeer voedselrijk. Struiken: grauwe wilg, zwarte els. Kruiden: de kruidachtige vegetatie tussen de struiken is meestal ruiger; heeft soorten met de associatie van geoorde wilg en elzenbroekbos gemeen. Voorkomen: het zwaartepunt ligt in de oostelijke helft van het land, maar komt ook in de westelijke helft verspreid voor, ook in het duingebied.
 
Doornstruwelen    
Bodem -- Droog tot vochtig; matig voedselrijk zeer voedselrijk; minerale bodems; neutraal-basisch / kalkrijk; vaak humeus; vaaggrond, brikgrond.
Bomen -- Alleen begeleidende al dan niet geknotte of overstaande bomen: gewone es, zomereik.
Struiken en lianen -- Bosrank, duindoorn, eenstijlige meidoorn, egelantier, Gelderse roos, gele kornoelje, gewone vlier, hazelaar, hondsroos, mispel, rode kornoelje, sleedoorn, wegedoorn, wilde kardinaalsmust, wilde liguster, zuurbes, diverse soorten braam.
Kruiden -- Asperge, bitterzoet, dagkoekoeksbloem, dolle kervel, geel nagelkruid, gevlekte aronskelk, gewone ereprijs, grote muur, heggenrank, hop, look zonder look, maarts viooltje, robertskruid, welriekende salomonszegel.
Globaal voorkomen -- In het grootste gedeelte van het land; in het algemeen niet of weinig in gebieden waar zeeklei, voedselarme zure zandgronden en veengronden domineren.
Associaties:
Deze struweelklasse is onderverdeeld in negen associaties. Voor beplantingen is de associatie sleedoorn en eenstijlige meidoorn het meest interessant. Alleen de meest voorkomende worden hier omschreven..
Associatie van sleedoorn en meidoorn -- Bodem: droog tot periodiek nat, matig tot zeer voedselrijk, zwak zuur tot basis en locaal kalkrijk; op zand, leem, zavel, klei. Struiken: eenstijlige meidoorn, sleedoorn, hondsroos, gewone vlier, rode kornoelje. Kruiden: onder meer hop, heggenrank. Voorkomen: zie boven
Associatie van duindoorn en vlier -- Bodem: relatief voedselrijk duinzand. Struiken: duindoorn, gewone vlier, wilde liguster. Kruiden: tuinasperge, fijne kervel, winterpostelein, kleefkruid, grote brandnetel, speerdistel. Voorkomen: in de zeereep van het hele duingebied.
Associatie van duindoorn en liguster -- Bodem: kalkrijk duinzand. Struiken: duindoorn, wilde liguster, wilde kardinaalsmuts, kruipwilg. Kruiden: geel en glad walstro, gewone eikvaren, welriekende salomonszegel, veldhondstong. Voorkomen: duingebied ten zuiden van Schoorl.
Associatie van wegendoorn en eenstijlige meidoorn -- Bodem: Kalkhoudend duinzand. Struiken: eenstijlige meidoorn, wegedoorn, zuurbes, wilde liguster, egelantier, hondsroos, Gelderse roos, wilde kamperfoelie. Kruiden: veldhondstong, welriekende salomonszegel. Voorkomen: verspreid in de bredere delen van het duingebied.
 
Brem, braam en gaspeldoornstruwelen    
Bodem -- Droog tot vochthoudend; arm-schraal; leemhoudend zand – loss, zuur – zwakzuur, weinig strooisel.
Bomen -- Wintereik, ruwe berk, Amerikaanse vogelkers, wilde lijsterbes, grove den.
Kruiden en dwergstruiken -- Struikhei afhankelijk van de dichtheid, soorten van grasland van droge voedselame tot schrale bodems.
Globaal voorkomen -- Braam door het hele land; gaspeldoorn als struweel dun verspreid met het zwaartepunt in Gelderland; in hoofdzaak in pleistocene zandgrondgebieden, maar vooral voor 1990 daarbuiten langs spoorwegen met zand aangevoerd.
Associaties:
Hebben vooral betrekking op bramen (Brummel-klasse); zie Stortelder et al. 1999.
 
Literatuur bos en struwelen
Voor dit overzicht en de daaraan gelinkte pagina's (zie Home Bijenhelpdesk) is gebruik gemaakt van onderstaande literatuur. Stortelder et al. (1999) voor de indeling; Weeda (2005) en Van der Werf (1991) voor de verspreiding; Stortelder et al. (1998, 1999), Van der Werf (1991), Wolf (2001) voor bodemeigenschappen. Voor een volledig overzicht en uiteenzetting van de vegetatiekunde wordt verwezen naar: Stortelder et al. (1995, 1999).
Hermy, M. (1984). Oude en jonge bossen: floristische verschillen en waarde voor het natuurbehoud. De Levende Natuur 85, 2: 51-56.
Koop, H, & S. van der Werf (1995). Natuurlijke bosgemeenschappen A-Lokaties en boscomplexen: achtergronddocument bij de Ecosysteemvisie bos. IBN-rapport 162. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 230.
Stortelder, A.F.H., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel (1999). De vegetatie van Nederland 5: ruigten, struwelen, bossen. Opulus Press, Leiden, pp. 376.
Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. & R.W. de Waal (red.) (1998). Broekbossen. KNNV, Utrecht, pp. 216.
Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren 2000. Atlas van plantengemeenschappen in Nederland: bossen struwelen en ruigte. KNNV Uitgeverij, Utrecht, pp. 334.
Werf, S. van der (1991). Natuurbeheer in Nederland 5: Bosgemeenschappen. Pudoc, Wageningen, pp. 375.
Westhoff, V. & A.J. den Held (1975). Plantengemeenschappen in Nederland. Thieme, Zutphen, pp. 324.
Wolf, R.J.A.M., A.H.F. Stortelder & R.W. de Waal (Red.) (2001). Ooibossen. KNNV, Utrecht, pp. 200.