script language="Javascript1.2">
| --- | |||||||||||||||
| - | Ingrijpen in de vegetatie heeft altijd gevolgen voor de fauna | ||||||||||||||
| - | Variatie in het milieu/vegetatie bevorderd de faunistische diversiteiteit | ||||||||||||||
| - | Variatie in de vegetatie is te bevorderen door gefaseerd en gedifferentieerd beheer | ||||||||||||||
| - | Gidssoorten als leidraad voor beheer | ||||||||||||||
| - | Grazige vegetaties en gevolgen van integraal maaien | ||||||||||||||
| - | Gedifferentieerd maaien noodzakelijk voor biodiversiteit | ||||||||||||||
| - | Overige maatregelen voor grazige vegetaties | ||||||||||||||
| - | Ruigten moeten gedifferentieerd worden gemaaid | ||||||||||||||
| - | Voor pioniervegetaties is open grond noodzakelijk | ||||||||||||||
| - | Beplantingen en zoomvegetaties voor bijen | ||||||||||||||
| - | Ecologische en gefaseerd beheer van beplantingen | ||||||||||||||
| - | Kleinschalige groene elementen dragen bij aan het voorkomen van bijen | ||||||||||||||
| - | Voor vlinders zijn ook grassen van belang: Tabel waardplanten dagvlinders | ||||||||||||||
| Voor het volledige document met foto's zie Fauna vriendelijke beheer De bijenhelpdesk wordt gesloten! | |||||||||||||||
| Ingrijpen in de vegetatie heeft altijd gevolgen voor de fauna | |||||||||||||||
Ingrijpen in de vegetatie heeft altijd gevolgen voor de fauna. Het gaat om veranderingen, die op kunnen treden in het voedselaanbod, mogelijkheid tot voortplanting, het bieden van schuilplaatsen, migratiemogelijkheden, veranderingen in het microklimaat en de mogelijkheid tot oriëntatie. Het beïnvloeden van de ontwikkeling of een wijziging in de structuur van de vegetatie heeft altijd gevolgen voor diersoorten. We moeten dus bij vegetatiebeheer steeds zoveel mogelijk ook rekening houden met de fauna. In dit hoofdstuk wordt de nadruk gelegd op insectenbeheer. |
|||||||||||||||
Sinds 1990 is de belangstelling voor insecten in stedelijk groen sterk toegenomen, het meest voor de vlinders. Van alle insecten zijn de vlinders het meest opvallend en ze spreken de burgers het meeste aan. Het voordeel van dagvlinders is dat ze grotendeels aan bloeiende planten zijn gebonden. Dit geldt ook voor bijen die de laatste paar jaar ook sterk in de belangstelling staan en die uitsluitend bij een aanbod van voldoende stuifmeel kunnen leven. Een omgeving die goed is voor bijen en vlinders ziet er natuurlijk en bloemrijk uit en is meestal ook aantrekkelijk voor de burgers. |
|||||||||||||||
| De rupsen van een vlindersoort leven meestal van andere plantensoorten dan de imago's (vlinders). Niet de bloemen zijn voor de rupsen belangrijk als voedsel, maar juist andere delen van de plant, gewoonlijk het blad. De rupsen van de dagpauwoog leven van brandnetelbladeren en de rupsen van de zandoogjes van grassen. Honderden andere, vaak minder opvallende insecten leven van de bladeren, de stengels of de wortels van planten. | |||||||||||||||
| De fauna is dus niet gebaat bij een overheersing van planten met opvallende bloemen. Juist plantensoorten met weinig opvallende bloemen zijn voor veel faunistische elementen van levensbelang. Naast bloemrijke plekken zouden plaatsen, die er voor de gemiddelde burger minder interessant uitzien, moeten worden gekoesterd. zie Waardplanten van vlinders | |||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Variatie in het milieu/vegetatie bevorderd de faunistische diversiteit | |||||||||||||||
| In een gevarieerd abiotisch milieu ontwikkelt zich een afwisselende begroeiing en een daarmee samenhangende gevarieerde fauna. De aanwezigheid van bodemgradiënten als vochtigheid, voedselrijkdom en zuurgraad zijn van belang. Voor de aanleg van gradiëntrijke milieus kan men het beste Londo (1997) raadplegen. Op iedere grondsoort en in iedere situatie is een bepaalde mate van variatie mogelijk. Voor het groenbeheer houdt dat in dat er verschillende ontwikkelingsstadia van vegetaties in een evenwichtige onderlinge samenhang en in een goede verhouding aanwezig moeten zijn. | |||||||||||||||
| Bij de variatie in de begroeiing spelen twee aspecten een belangrijke rol: de diversiteit van de flora en de structuur van de vegetatie. De diversiteit van de flora is vooral van belang voor insecten en sommige zaadetende vogelsoorten. De variatie van de vegetatiestructuur is voor de fauna in het algemeen van belang. | |||||||||||||||
| Hoe complexer de horizontale en verticale vegetatiestructuur in termen van openheid, gelaagdheid en bedekkinggraad, des te rijker is de faunistische diversiteit. Dit geldt in ieder geval voor het stedelijke gebied. Het betekent voor de fauna dat er nest - en schuilgelegenheid is, plaatsen om te overwinteren of zich te voeden. Veel dieren kunnen hier zelfs hun hele levenscyclus voltooien. | |||||||||||||||
Door maaien, kappen en vele andere beheermaatregelen verandert het totale microklimaat, verdwijnen voedselbronnen, schuil - en nestgelegenheid. Om dit te ondervangen dienen beheermaatregelen zoveel mogelijk gefaseerd te worden uitgevoerd. Vegetatie - of groenbeheer kunnen anders zeer ingrijpende gevolgen voor de fauna hebben. Dat betekent echter niet er overal een lappendeken van allerlei milieutypen moeten komen. Zo leven grutto's in open grazige landschappen terwijl veel vlinders een voorkeur hebben voor fijnkorrelige landschappen met sterke hoogteverschillen in de vegetatiestructuur. |
|||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Variatie in de vegetatie is te bevorderen door gefaseerd en gedifferentieerd beheer | |||||||||||||||
| Gefaseerd en gedifferentieerd beheer kunnen invloed van eenvormigheid in belangrijke mate temperen. Gefaseerd beheer wil zeggen dat het beheer niet in een keer wordt uitgevoerd, maar dat het over verschillende jaren wordt verdeeld; bijv. jaarlijks een derde tot een vijfde gedeelte. Hetzelfde beheer wordt dan gefaseerd uitgevoerd en is bedoeld om verschillende leeftijdscategorieën van een vegetatiestructuur te handhaven. Van een ruigte wordt bijvoorbeeld jaarlijks eenderde gedeelte gemaaid. De ruigte zal hierbij niet tot bos overgaan. | |||||||||||||||
| Bij een gedifferentieerd beheer worden er verschillende beheermethoden naast elkaar toegepast. Deze methode is bedoeld om verschillende vegetatiestructuren naast elkaar te handhaven of te bevorderen. Een gedeelte van de vegetatie wordt dan als gras of ruigte beheerd, terwijl een ander gedeelte zich tot bos of struweel mag ontwikkelen. Vooral voor de fauna kan dit van belang zijn. Voor hommels en andere wilde bijen leidt die meestal tot een variatie in nestgelegenheid en voedselplanten terwijl honingbijen en vlinders hier ook kunnen foerageren. Op plaatsen waar meer ruimte is zouden aan de zonnige kant inhammen in de beplantingen kunnen worden gemaakt. Hierdoor ontstaan warme, luwe plaatsen die de aanwezigheid van zowel bijen als dagvlinders bevorderen. | |||||||||||||||
| Voor kleine tuinen en andere kleine oppervlakten gefaseerd en gedifferentieerd beheer vaak niet goied mogelijk, maar enige rust in een kleine tuin met hier en daar een rommelhoekje doet soms wonderen. Hoe kleinschaliger het beheer is des te groter is vaak het ecologische rendement. Grootschalig beheer waarbij als maar zwaarder beheermaterieel wordt gebruikt leidt meestal tot ecologische verarming. | |||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Gidssoorten als leidraad voor beheer | |||||||||||||||
| De plantensoorten waarop bijen zijn waargenomen staan vermeld in het plantenvademecum, in de database en in de overzichten van de beheertypen op deze helpdesk . Voor het ontwerp en het beheer is het niet praktisch om met iedere afzonderlijke plant rekening te houden. Als men zich houdt aan de richtlijnen die in dit hoofdstuk worden aangereikt en het bieden van nestgelegenheid niet uit het oog verliest, is dat ook niet nodig. | |||||||||||||||
| Plantensoorten die min of meer karakterstiek zijn voor een beheertype worden op deze website "gidssoorten"genoemd. Veel van deze soorten worden tijdends de bloei door bijen bezocht. Aan de hand van de gidssoorten kan het beheer worden bepaald. Zie Beheertypen via Home Bijenhelpdesk |
|||||||||||||||
Er zijn echter planten die extra aandacht vragen. Dit zijn in de eerste plaats de plantensoorten waarvan insecten afhankelijk zijn. Deze soorten moeten altijd in de vegetatie worden gehouden. In veel gevallen is het zelfs gewenst om hun locale verspreiding te bevorderen. In de tweede plaats zijn het de plantensoorten die meestal kalgemeen zijn en door velen als onkruid worden of werden gezien. Verschillende van deze planten zijn uitermate belangrijk voor wilde bijen. Zevenblad is in veel gevallen een lastig onkruid, maar tegelijkertijd een uitstekende bijen - en vlinderplant. Fluitenkruid, die soms druk door bijen wordt bezocht groeit overal, maar is op sommige plaatsen belangrijk voor een kleine zandbij (Andrena proxima). Uitbreiding van zulke planten hoeft niet extra te worden gestimuleerd, maar al te voortvarend vegetatiebeheer of te weinig aandacht kan er toch toe leiden dat zulke plantensoorten in de omgeving van de nestplaatsen verdwijnen of niet tot bloei komen. |
|||||||||||||||
Men moet zich wel realiseren dat de bijen - en vlinderplanten, die op deze website en in de literatuur worden genoemd, niet in alle regio's van Nederland de gewenste bijen aantrekken. Vooral als men gespecialiseerde bijen – en vlindersoorten wil aantrekken, is het raadzaam om eerst de bijenatlas (Peeters et al., 1999) en de vlinderatlas (Bos et al. 2006) te raadplegen. Aan de hand daarvan kan men vaststellen in hoeverre het zinvol is om de ontwikkeling van plantensoorten en specifieke milieus extra te stimuleren. |
|||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Voor pioniervegetaties is open grond noodzakelijk | |||||||||||||||
| Het is goed mogelijk om wilde bijen, die aan bepaalde pioniersoorten gebonden zijn, in het openbaar groen te krijgen. Het is dan belangrijk de componenten rust en dynamiek bij elkaar te brengen, wat neerkomt op een combinatie van permanente nestgelegenheid en plekken die permanent gereserveerd zijn voor pioniervegetaties. Afhankelijk van de locatie in het land moeten in deze pioniervegetaties of bloemakkers planten aanwezig zijn, die een symbiose hebben met gespecialiseerde bijen. Dit zijn soorten als: wilde reseda, wouw, slangenkruid, hazenpootje en zandblauwtje. | |||||||||||||||
| Open gronden hoeven niet beperkt te zijn tot zandafgravingen en industrieterreinen, maar kunnen ook bij de woonomgeving worden aangelegd. In parken en op andere plaatsen waar dat mogelijk is, moeten vooral plekken met zandige en lichte leembodems moeten onbegroeid blijven ten behoeve van bodembewonende insecten . Hoe armer en droger de bodem, des te langer duurt het voordat de bodem is dichtgegroeid. Door met hoogteverschillen te werken, ontstaan er steile kantjes en hellinkjes waar bijen in kunnen nestelen. In parken op zandgronden zou een gedeelte van de paden op zonnige plaatsen onverhard moeten blijven en niet worden afgedekt met houtsnippers of schors. In parken kan men pleksgewijs, in plaats van asfalt, ook beter los plaveisel aanleggen. Kinderhoofdjes zijn daarvoor het meest geschikt. Los plaveisel vraagt meer onderhoud dan asfalt, maar komt in de meeste gevallen de esthetische kwaliteit en de sfeer van een park ten goede. | |||||||||||||||
Zeer voedselarme en niet te vochtige tot droge bodems kunnen lange tijd open blijven, maar zonder maaibeheer groeien ze op den duur toch dicht. Groenbeheerders moeten de vinger dus steeds aan de pols houden. In de praktijk zal het moeilijk zijn om pioniervegetaties op zandige bodem te handhaven. Door een maaibeheer kunnen de vegetaties schraal en pleksgewijs open blijven, waardoor ook de bodem voor de gravende bijen toegankelijk blijft. |
|||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Grazige vegetaties | |||||||||||||||
Bloemrijke en gevarieerde grasvelden en bermen vormen een belangrijk foerageergebied voor veel soorten insecten. Ook als nest -, schuil - en overwinteringplaats kunnen ze vele insecten onderdak bieden. Deze plekken moeten dan niet voortdurend worden gemaaid, zoals dat in de jaren tachtig bij de meeste gemeenten nog het geval was. Bijen en vlinders kunnen al in een vegetatie voorkomen zonder dat de floristische samenstelling van de vegetatie moet veranderen. Paardenbloemen komen altijd wel in het gras voor. Voor zover ze niet worden bestreden, krijgen ze echter nauwelijks kans om tot bloei te komen. De paardenbloem is een belangrijke soort voor bijen, vinders en veel andere soorten insecten (Sterk e.a., 1987; Westrich, 1989). De soort komt de laatste 15 jaar steeds vaker onbelemmerd tot bloei. Op schrale en droge bodems geldt dat ook voor gewoon biggenkruid dat in het groeiseizoen wekelijks wordt onthoofd. Op plaatsen waar een hooilandbeheer wordt gevoerd, kunnen bloembezoekende insecten daarentegen talrijk op deze planten voorkomen. |
|||||||||||||||
Gevolgen van integraal maaien |
|||||||||||||||
Grazige vegetaties die als hooiland worden beheerd, worden meestal twee maal per jaar gemaaid, met uitzondering van die op de voedselarme bodems. Na de eerste maaibeurt duurt het minstens enige weken voordat er weer bloeiende planten in de vegetatie aanwezig zijn. De ervaring leert dat vegetaties die twee maal per jaar integraal worden gemaaid, na de eerste maaibeurt niet of nauwelijks door bijen worden bezocht en ook voor veel andere insecten niet meer van betekenis zijn. Er is ook geen sprake van herstel, als de planten later weer in bloei staan. De synchronisatie tussen de planten met de bloembezoekende insecten is dan verbroken. |
|||||||||||||||
Een voorbeeld van synchronisatie is de slobkousbij die in de Nederlandse situatie helemaal op grote wederik is aangewezen. De bijen verschijnen ongeveer in dezelfde tijd, waarin de plant gaat bloeien. Als deze plant vóór of tijdens de foerageerperiode wordt gemaaid, kunnen de bijen nog wel nectar verzamelen maar niet het stuifmeel (en bij grote wederik ook plantaardige olie) dat voor het voorbrengen van het nageslacht noodzakelijk is. De kans is dan groot dat de slobkousbij het volgende seizoen is verdwenen. Dit geldt niet voor situaties waarin gemaaide vegetaties in de directe omgeving liggen van andere bloemrijke begroeiingen, die na de bloei worden gemaaid. Een ander voorbeeld is, dat zijdebijen niet of nauwelijks aanwezig zijn op plaatsen waar boerenwormkruid systematisch twee maal per jaar wordt gemaaid. |
|||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Gedifferentieerd maaien noodzakelijk voor biodiversiteit | |||||||||||||||
Voor honderden ongewervelde dieren, zoals kevers, wantsen, pissebedden, springstaarten, sprinkhanen en spinnen is twee maal per jaar maaien desastreus (Ellis et al., 1989; Koster, 1988d). Voedselbronnen en schuilplaatsen verdwijnen, het totale microklimaat (luchtvochtigheid, temperatuur, licht) verandert rigoureus en veel insecten, die tijdens het maaien in de vegetatie aanwezig zijn, worden vernietigd. Maaien verbreekt integraal de synchronisatie van de fauna met de vegetatie, vooral als dat in het groeiseizoen plaatsvindt. Dit principe geldt eigenlijk ook voor alle andere integrale beheermaatregelen van alle beheertypen. |
|||||||||||||||
| Om het verbreken van de synchronisatie te voorkomen zou minimaal 10 tot 20% van de vegetatie niet eerder gemaaid mogen worden dan in het najaar. In het beheer van stedelijk groen betekent dit principe, dat vaak ruimte ontstaat voor een andere vegetatiestructuur met andere plantensoorten. De reeds aanwezige plantensoorten kunnen zich zonder uitstel van de bloei ontwikkelen. Op een grasveld van 10 - 30 m breed levert dat een ongemaaide baan op van minimaal 1,0 - 3,0 m breed of een oppervlakte van een paar 100 m 2. | |||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Overige maatregelen | |||||||||||||||
| Voor de totale fauna is het beter als ook in de winter een gedeelte van de afgestorven vegetatie blijft staan. Het meest praktische is maximaal eenmaal per jaar in het najaar een brede grazige strook in het najaar te maaien, bij voorkeur langs beplantingen, en steeds een ander gedeelte te laten staan. Indien dit te organiseren valt, moet bij voorkeur gestreefd worden naar twee of drie leeftijdsklassen in de vegetatie. Ieder jaar wordt de helft of een derde gedeelte van de vegetatie gemaaid. | |||||||||||||||
| Een andere optie is verschillende maairegimes naast elkaar te gebruiken door de vegetatie in te delen in zones, die jaarlijks, eenmaal in de twee of eenmaal in de drie jaar worden gemaaid. De twee overjarige vegetaties mogen niet in hetzelfde jaar worden gemaaid. Langs beplantingen, struwelen en vegetaties met ruigtekruiden moet op een manier worden gemaaid, dat de verschillende vegetatiestructuren geleidelijk in elkaar overgaan. | |||||||||||||||
| Als het in de praktijk haalbaar is, moeten graspollen zoveel mogelijk worden ontzien. Deze zijn als schuilplaats voor kevers en andere insecten van groot belang. Door voldoende grote oppervlakten gras helemaal niet te maaien, blijft het milieu ook geschikt voor andere dieren als muizen, wezels en padden. | |||||||||||||||
De maaimachines moeten zo licht mogelijk zijn. Zware machines hebben een nivellerende invloed op flora en fauna. Ze verdichten en beschadigen de bodem. Hoe kleiner het materiaal waarmee wordt gewerkt, des te minder nadelige effecten er optreden. Waar het financieel haalbaar is, zou een bosmaaier of een lichte messenbalk gebruikt moeten worden. |
|||||||||||||||
De maaihoogte mag daarbij niet lager zijn dan 6-8 cm. De cirkelmaaier en zeker de klepelmaaier kunnen uit faunistisch oogpunt beter niet gebruikt worden. Stofzuigermaaien is moeilijk te verenigen met ecologisch groenbeheer. Als deze methode goed gefaseerd plaatsvindt, kan de methode in bepaalde situaties ecologisch acceptabel zijn. Voor veel insecten is er in alle ontwikkelingsstadia geen overlevingskans als een vegetatie gemaaid wordt. |
|||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Ruigten moeten gedifferentieerd worden gemaaid | |||||||||||||||
| In het stedelijke gebied komen in de openbare ruimte nog betrekkelijk weinig bloemrijke ruigten voor, die geschikt zijn voor wilde bijen. Ruigten langs waterkanten beginnen voor de fauna steeds belangrijker te worden, ook voor wilde bijen en vele andere insecten. Aan het eind van de jaren tachtig kwamen ruigten langs oevers, vijverkanten en stedelijke waterwegen nauwelijks voor (Koster, 1988h, 1989b). Dit was niet alleen te wijten aan de plaatselijke groenbeheerders, maar ook aan de eisen die waterschappen aan de oevers stelden. Deze eisen zijn thans bij veel waterschappen ten gunste van de natuur aangepast. | |||||||||||||||
Op niet al te voedselrijke bodems komen soorten van het moerasspirea-verbond steeds meer tot ontwikkeling. Dat heeft er toe geleid dat de slobkousbij, die in Nederland vrijwel uitsluitend op grote wederik vliegt, zich in het stedelijk groen kon vestigen (Koster, 1999; 2000). In het begin van de jaren negentig waren ruigten langs beplantingen aanzienlijk zeldzamer dan ruigten langs oevers. In het Holypark in Vlaardingen werden ruige zomen langs beplantingen vermoedelijk voor het eerst ontwikkeld, in ieder geval op een niveau dat min of meer voldoet aan het begrip ruigte. Thans komen ruige zomen op veel meer plaatsen voor. |
|||||||||||||||
| Ruigten worden ten hoogste éénmaal per jaar in de herfst of winter gemaaid. Net als bij het graslandbeheer moet een gedeelte van minstens 10 - 20% van de vegetatie blijven staan. Waar mogelijk kan op sommige plekken een klein gedeelte van het grove maaisel blijven liggen. Het branden van ruigtekruiden is ontoelaatbaar. Schuil - en nestgelegenheid voor vogels en kleine zoogdieren wordt vernietigd en alle stadia van de ongewervelde dieren, die boven de grond leven, worden gedood. | |||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Beplantingen en zoomvegetaties voor bijen | |||||||||||||||
Bij beplantingen hebben we veel meer dan bij andere begroeiingen, te maken met verschillende structuren, die in verschillende seizoenen van betekenis zijn. Elke structuur levert zijn eigen bijdrage aan de verscheidenheid in de bijenfauna (Zie tabel). Het overgrote deel van de bijen is tijdens onderzoek in of boven zomen en randen gevangen. Zomen dragen dus het meeste bij aan de diversiteit van de bijenfauna. Dit houdt echter niet in dat andere structuren voor bijen van minder betekenis zijn. Een voorbeeld is de heggenrank, een liaan waarvan de heggenrankbij geheel afhankelijk is. Een ander voorbeeld is de boswilg, die in het algemeen weinig wordt aangeplant, maar van zeer groot belang is voor de bijensoorten die van wilg afhankelijk zijn als voedselbron. Omdat deze wilg ook veel door hommels en honingbijen wordt bevlogen, heeft deze boom in het voorjaar ook een hoge belevingswaarde. Bovendien is deze boom als esthetisch element zeer waardevol. Zie verder: |
|||||||||||||||
|
|||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Ecologisch beheer beplantingen | |||||||||||||||
| Selectief dunnen en kappen is meestal nodig bij ecologisch beheer in bosachtige en singelachtige stedelijke beplantingen, evenals het uitmaaien en afvoeren van maaisel van de kruidachtige vegetatie. Op plaatsen waar het uitmaaien integraal in het voorjaar of vroege zomer wordt uitgevoerd, komen na het maaien geen of nog nauwelijks bijen voor. De continuïteit in de bloei van de vegetatie wordt dan te lang onderbroken. Zowel voor het publiek, als voor de bijen en andere bloembezoekende insecten is het van belang naar bloemrijke situaties te streven, die zich ongestoord tot in het najaar kunnen ontwikkelen. | |||||||||||||||
Bij allerlei vormen van hakhout wordt het hout periodiek afgezet. Bij wilgen iedere 3 - 5 jaar, bij andere beplantingen om de 7- 20 jaar. De ruige vegetatieontwikkeling die daarvan het gevolg is, laat men meestal ongemoeid. De overgang van bos - en struweelachtige beplantingen naar grasland moet geleidelijk verlopen via mantel - en zoomvegetaties. In een plantsoen moeten vooral aan de zuidkant ruige en bloemrijke inhammen aanwezig zijn. Hierdoor ontstaan luwe hoeken, die nodig zijn voor warmteminnende insecten, waaronder dagvlinders en wilde bijen. Als er sprake is van hakhout of soortgelijke begroeiingen, dient het afzetten steeds gefaseerd te worden uitgevoerd. Bij het ontwerpen van beplantingen moet er met dit aspect rekening worden gehouden. |
|||||||||||||||
| Boom - en struikvormers, die van belang zijn voor bepaalde groepen insecten, moeten zodanig worden gepland dat een jaarlijkse bloei is gegarandeerd. Op plaatsen waar bijvoorbeeld wilgen vóór de bloei integraal worden afgezet, verdwijnen de bijensoorten die op wilg zijn gespecialiseerd. Als te vroeg afzetten met te grote regelmaat plaatsvindt, krijgen de populaties van deze bijensoorten namelijk geen kans tot verdere ontwikkeling te komen. | |||||||||||||||
| Gefaseerd beheer beplantingen | |||||||||||||||
| Bij voldoende oppervlakte van een vegetatie moet naar drie leeftijdscategorieën gestreefd worden. De differentiatie van de vogelfauna zal door dit beheerbeleid vergroot worden. Snoeihout en afgezet hout moeten op rillen worden gestapeld, die een nestgelegenheid voor vogels bieden en een goede overwinteringplaats zijn voor de citroenvlinder en vele andere insecten. Indien men het hout wil afvoeren, moet toch een klein gedeelte blijven liggen. In grotere plantsoenen is het heel gunstig om enkele dode bomen te laten staan. Bomen met kromme stammen mogen niet worden gekapt. | |||||||||||||||
Het is aan te bevelen hier en daar af en toe een boom te kappen die mag blijven liggen, net als bomen die door de wind zijn geveld. Vooral op zonnige plaatsen kan in dood hout op den duur nestgelegenheid voor wilde bijen ontstaan. Geleidelijke overgangen van bos naar gras zijn voor alle diergroepen van belang. Vooral ruige doorn - en braamstruwelen die aan de randen van beplantingen kunnen voorkomen zijn als nest - en schuilgelegenheid voor vogels van grote betekenis. Kortom: een beheer dat rekening houdt met wilde bijen is ook van betekenis voor de in stand houding van andere diergroepen. ----------------------- |
|||||||||||||||
| ---Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Kleinschalige groene elementen dragen bij aan het voorkomen van bijen | |||||||||||||||
| Welke minimale ruimte is er nodig voor een bepaalde vorm van natuurontwikkeling? Het antwoord kan alleen bij benadering worden gegeven, als er enig inzicht is in allerlei complexe factoren die de mogelijkheden begrenzen. Bovendien hangt het antwoord ook af van de wijze waarop men tegen natuur aankijkt. | |||||||||||||||
| Oude muren laten zien dat zelfs in extreme omstandigheden nog planten kunnen groeien. Tientallen soorten planten zijn in staat hun levenscyclus jaarlijks te voltooien op een substraat waar nauwelijks een kruimel grond aanwezig is. De stenige plekken van de dagelijkse leefomgeving zijn meestal minder extreem. De vegetatie die daar, in de ogen van veel bewoners en beheerders vaak te weelderig groeit, laat dat duidelijk zien. Veel plantensoorten blijken voor hun ontwikkeling weinig ruimte nodig te hebben, wat in de praktijk overtuigend wordt aangetoond. In veel gemeenten groeien tegenwoordig vrijwel overal planten, omdat er geen onkruidbestrijdingsmiddelen meer worden gebruikt. Zelfs op het plaveisel groeien en bloeien planten, die vaak door een breed publiek worden gewaardeerd. Enkele voorbeelden daarvan zijn: toorts, gele helmbloem, akkerklokje, wilgenroosje, leeuwenbek, zeedistel, vlasbekje, bezemkruiskruid en muurpeper. | |||||||||||||||
Veel tuinplanten verwilderen uit tuinen. Dit leidt tot de meest vreemde soorten in de voegen van de verharding: wijnruit, lavendel, Campanula carpatica, herfstaster, prachtklokje, koekruid, rode sporenbloem, schijncipres en vlinderstruik. De laatste soort is een heester die zelfs bij voorkeur in de voegen van het plaveisel kiemt en groeit. Op geplaveide plaatsen waar niet wordt gelopen en waar enkele millimeters ruimte zit tussen de stenen, kunnen in principe tientallen soorten worden uitgezaaid en tot ontwikkeling komen. Met deze wetenschap is het mogelijk om op vrijwel alle stenige plaatsen groen en natuur te realiseren. Honingbijen, verschillende soorten hommels, andere wilde bijen en vlinders zullen deze plekken weten te vinden. |
|||||||||||||||
Minimilieus |
|||||||||||||||
| Minimilieus zijn kleine plekjes of zeer kleine elementen in het landschap die meestal van betekenis zijn voor kleine organismen, die ecologisch gezien een zeer belangrijke functie vervullen. Een goed voorbeeld zijn mieren die onder een steen in een grasland hun nest hebben. De grotere stenen en keien die van nature in een grasland voorkomen, moeten dus worden gekoesterd. | |||||||||||||||
| Andere elementen zijn dood hout, graspollen, holle afgestorven plantenstengels, afrasteringpaaltjes, voegen tussen de verhardingen, dood hout in sloten, steile kantjes van greppels en holle bomen langs wegen. Al deze elementen moeten bij het beheer moeten zoveel mogelijk worden ontzien, omdat ze van grote betekenis zijn voor ongewervelde dieren. | |||||||||||||||
| Terug naar top pagina | |||||||||||||||
| Hoe kunnen we groene landschapselementen insectenvriendelijk beheren: aandachtspunten |