| Bijenvriendelijk beheer | Terug naar www.bijenhelpdesk.nl of www.zoekkaartwildebijen.nl |
| Beheer van wilde bijen is een kwestie van aandacht en goodwill | |||
| Rond 1980 deed ik onderzoek naar het voorkomen van maskerbijen in Nederland (Koster 1980, 1986). Ik zocht in de eerste plaats naar bloemrijke plekken in het landschap gecombineerd met mogelijke nestgelegenheid. Maar heel veel plekken die bloemrijk waren werden geen bijen gevonden of waren de wilde bijen zo dun verspreid dat ze over het hoofd werden gezien. | |||
| Vooral in de bloemrijke, veel bejubelde wegbermen was dat heel vaak het geval. In de eerste plaats schreef ik dat toe aan afwezigheid van nestgelegenheid, maar dat had in hoofdzaak betrekking op maskerbijen. | |||
| Later werd het steeds duidelijker dat integraal maaibeheer, vooral in vegetaties die 2x per jaar werden gemaaid, de doodsteek betekenden voor veel wilde bijen en de totale biodiversiteit. | |||
| Als aan twee simpele voorwaarden wordt voldaan kunnen wilde bijen overal voorkomen: stuifmeel en nectar leverende planten en nestgelegenheid. | |||
| Dat betekent niet maaien of snoeien voor de bloei; dat wil zeggen dat gewoonlijk het hele ontwikkelingsstadium van de plant tot en met de zaadrijping niet mag worden onderbroken. En dat allerlei vormen van nestgelegenheid in stand moet worden gehouden of worden bevorderd. | |||
| Heel gelukkig hoeven deze maatregelen niet alleen voor bijen genomen te worden. Het overgrote deel aan maatregelen om natuur in en om de stad en op platteland te bevorderen laat zich heel goed combineren met het bevorderen van wilde bijen en het verbeteren van de dracht voor honingbijen. Het enige wat daarbij gevraagd wordt is aandacht en goodwill. | |||
| Op deze pagina wordt onder meer ingegaan op globale beheermaatregelen. Voor details zie www.bijenhelpdesk.nl en www.zoekkaartwildebijen. |
|||
| Inleiding | |||
| De fauna verhoogt de belevingswaarde van de leefomgeving en geeft de stedeling enig inzicht in natuurlijke processen. Een gevarieerde fauna draagt bij aan een zeker biologisch evenwicht van de stad. Vogels en allerlei rovende insecten vangen veel bladluizen, roofvogels hebben een regulerende invloed op de muizenstand. De stad is echter ook een milieu voor zeldzame en bedreigde diersoorten. Redenen genoeg om een gevarieerde fauna te bevorderen. Een goed vegetatie- en landschapsbeheer dragen daar sterk aan bij. | |||
| Ingrijpen in de vegetatie heeft altijd gevolgen voor de fauna. Het gaat om veranderingen, die op kunnen treden in het voedselaanbod, mogelijkheid tot voortplanting, het bieden van schuilplaatsen, migratiemogelijkheden, veranderingen in het microklimaat en de mogelijkheid tot oriëntatie. Het beïnvloeden van de ontwikkeling of een wijziging in de structuur van de vegetatie heeft altijd gevolgen voor diersoorten. We moeten dus bij vegetatiebeheer steeds zoveel mogelijk ook rekening houden met de fauna. In veel gevallen is dat zelfs wettelijk verplicht. Zie: Natuurwetgeving | |||
| In dit hoofdstuk wordt de nadruk gelegd op bijen-/insectenbeheer. Met insecten en andere ongewervelde dieren wordt nog steeds te weinig rekening gehouden. Een uitzondering hierop vormen misschien de dagvlinders en de bijen komende laatste jaren meer in beeld. De overige diergroepen krijgen veel minder aandacht. | |||
| Het milieu van wilde bijen in de stad is uitvoerig onderzocht. Op deze pagina wordt een samenvatting gegeven van het onderzoek. Er is een link opgenomen naar het eindrapport dat kan worden gedownload. | |||
| Ongewervelde dieren | |||
| De laatste decennia is de belangstelling voor insecten in stedelijk groen sterk toegenomen, het meest voor de vlinders. Van alle insecten zijn de vlinders het meest opvallend en ze spreken de burgers het meeste aan. Dit geldt sinds ca. 2010 gedeeltelijk ook voor bijen die uitsluitend bij een aanbod van voldoende stuifmeel en nectar kunnen leven. Een omgeving die goed is voor bijen en vlinders ziet er natuurlijk en/of bloemrijk uit en is meestal ook aantrekkelijk voor de burgers. | |||
| De rupsen van vlinders leven meestal van andere plantensoorten dan de imago's. Niet de bloemen zijn voor de rupsen belangrijk als voedsel, maar juist andere delen van de plant, gewoonlijk het blad. De rupsen van de dagpauwoog leven van brandnetelbladeren en de rupsen van de zandoogjes van grassen. Honderden andere, vaak minder opvallende insecten leven onder meer van de bladeren, de stengels of de wortels van planten. | |||
| De fauna is dus niet gebaat bij een overheersing van planten met opvallende bloemen. Juist plantensoorten met weinig opvallende bloemen zijn voor veel ongewervelde dieren van levensbelang. Ook met deze dieren moeten we ook rekening houden. Dit zijn onder meer kevers, sprinkhanen, wantsen, cicaden en spinnen. Voor veel mensen geen aaibare dieren, maar al deze dieren maken onderdeel uit van een gezond ecosysteem. | |||
| Variatie in het milieu | |||
| In een gevarieerd abiotisch milieu ontwikkelt zich een afwisselende begroeiing en een daarmee samenhangende gevarieerde fauna. De aanwezigheid van bodemgradiënten als vochtigheid, voedselrijkdom en zuurgraad zijn van belang. Voor de aanleg van gradiëntrijke milieus kan men het beste Londo (1997) raadplegen. Op iedere grondsoort en in iedere situatie is een bepaalde mate van variatie mogelijk. Voor het groenbeheer houdt dat in dat er verschillende ontwikkelingsstadia van vegetaties in een evenwichtige onderlinge samenhang en in een goede verhouding aanwezig moeten zijn. | |||
| Bij de variatie in de begroeiing spelen twee aspecten een belangrijke rol: de diversiteit van de flora en de structuur van de vegetatie. De diversiteit van de flora is vooral van belang voor insecten en sommige zaadetende vogelsoorten. De variatie van de vegetatiestructuur is voor de fauna in het algemeen van belang. Hoe complexer de horizontale en verticale vegetatiestructuur in termen van openheid, gelaagdheid en bedekkinggraad, des te rijker is de faunistische diversiteit. Dit geldt in ieder geval voor het stedelijke gebied. Het betekent voor veel diersoorten nest - en schuilgelegenheid en plaatsen om te overwinteren of zich te voeden. Veel dieren kunnen hier zelfs hun hele levenscyclus voltooien. | |||
| Door maaien, kappen en vele andere beheermaatregelen verandert het totale microklimaat, verdwijnen voedselbronnen en schuil - en nestgelegenheid. Om dit te ondervangen dienen beheermaatregelen zoveel mogelijk gefaseerd te worden uitgevoerd. Vegetatie - of groenbeheer kunnen anders zeer ingrijpende gevolgen voor de fauna hebben. Dat betekent echter niet er overal een lappendeken van allerlei milieutypen moeten komen. Dat is in de praktijk niet te realiseren en ook niet altijd wenselijk. | |||
| Gidssoorten | |||
| Veel planten zijn voor wilde bijen en vlinders van levensbelang, zonder deze planten kunnen deze dieren niet leven. Deze planten kunnen voor het beheer als gidssoorten worden beschouwd. | |||
| Voor het ontwerp en het beheer is het niet praktisch om met iedere afzonderlijke plant rekening te houden. Als men zich houdt aan de richtlijnen die in dit hoofdstuk worden aangereikt en het bieden van nestgelegenheid niet uit het oog verliest, is dat ook niet nodig. | |||
| Er zijn echter planten die extra aandacht vragen. Dit zijn in de eerste plaats de plantensoorten waarvan insecten afhankelijk zijn Deze soorten moeten altijd in de vegetatie worden gehouden. In veel gevallen is het zelfs gewenst om hun locale verspreiding te bevorderen. In de tweede plaats zijn het de plantensoorten die algemeen zijn en door velen als onkruid worden of werden gezien. Verschillende van deze planten zijn uitermate belangrijk voor wilde bijen. | |||
| Zevenblad bijvoorbeeld is in veel gevallen een lastig onkruid, maar tegelijkertijd een uitstekende bijen - en vlinderplant. Uitbreiding van zulke planten hoeft niet extra te worden gestimuleerd, maar ze moeten ook niet worden bestreden of te sterk worden terug gedrongen. | |||
| Verspreiding van de plantensoorten is vaak ruimer dan die van de wilde bijensoorten Men moet zich realiseren dat de bijenplanten = drachtplanten, die op www.drachtplanten.nl worden genoemd, niet in alle regio's van Nederland bijen aantrekken. Vooral als men gespecialiseerde bijensoorten wil aantrekken, is het raadzaam om eerst de verspreiding na te gaan. Aan de hand daarvan kan men vaststellen in hoeverre het zinvol is om de ontwikkeling van plantensoorten en specifieke milieus extra te stimuleren. Zie www.zoekkaartwildebijen.nl bij aandachtsgebieden |
|||
| Pioniervegetaties | |||
| Het is goed mogelijk om wilde bijen, die aan bepaalde pioniersoorten gebonden zijn, in het openbaar groen te krijgen. Het is dan belangrijk de componenten rust en dynamiek bij elkaar te brengen, wat neerkomt op een combinatie van permanente nestgelegenheid en plekken die permanent gereserveerd zijn voor pioniervegetaties. Afhankelijk van de locatie in het land moeten in deze pioniervegetaties of bloemakkers planten aanwezig zijn, die een symbiose hebben met gespecialiseerde bijen. Dit zijn soorten als: wilde reseda, wouw, slangenkruid, hazenpootje en zandblauwtje. | |||
| Open gronden hoeven niet beperkt te zijn tot zandafgravingen en industrieterreinen, maar kunnen ook bij de woonomgeving worden aangelegd. In parken en op andere plaatsen waar dat mogelijk is, moeten vooral plekken met zandige en lichte leembodems onbegroeid blijven ten behoeve van bodembewonende insecten. Hoe armer en droger de bodem, des te langer duurt het voordat de bodem is dichtgegroeid. Door met hoogteverschillen te werken, ontstaan er steile kantjes en hellinkjes waar bijen in kunnen nestelen. In parken op zandgronden zou een gedeelte van de paden op zonnige plaatsen onverhard moeten blijven en niet worden afgedekt met houtsnippers of schors. In parken kan men pleksgewijs, in plaats van asfalt, ook beter los plaveisel aanleggen. Kinderhoofdjes zijn daarvoor het meest geschikt. Los plaveisel vraagt meer onderhoud dan asfalt, maar komt in de meeste gevallen de esthetische kwaliteit en de sfeer van een park ten goede. | |||
| Zeer voedselarme en niet te vochtige tot droge bodems kunnen lange tijd open blijven, maar zonder maaibeheer groeien ze op den duur toch dicht. Groenbeheerders moeten de vinger dus steeds aan de pols houden en groene vingers zijn daarbij gewenst. | |||
| In de praktijk zal het moeilijk zijn om pioniervegetaties op zandige bodem te handhaven. Door een maaibeheer kunnen de vegetaties op schrale bodems pleksgewijs gedeeltelijk open blijven, waardoor ook de bodem voor de gravende bijen en andere insecten toegankelijk blijft. | |||
| Grazige vegetaties | |||
| Bloemrijke en gevarieerde grasvelden en bermen vormen een belangrijk foerageergebied voor veel soorten insecten. | |||
| Ook als nest -, schuil - en overwinteringplaats kunnen ze vele insecten onderdak bieden. Deze plekken moeten dan niet voortdurend worden gemaaid, zoals dat in de jaren tachtig bij de meeste gemeenten nog het geval was. Bijen en vlinders kunnen al in een vegetatie voorkomen zonder dat de floristische samenstelling van de vegetatie verandert. Paardenbloemen komen altijd wel in het gras voor. Voor zover ze niet worden bestreden, krijgen ze echter door vroege maaibeurten nauwelijks kans om tot bloei te komen. Dus uitstel van de eerste maaibeurten kan het aanbod van nectar en stuifmeel voor de voorjaarsbijen al verbeteren. |
|||
| De paardenbloem is een belangrijke soort voor bijen, vinders en veel andere soorten insecten (Sterk e.a., 1987; Westrich, 1989). Gelukkig komt deze soort sinds 1990 steeds vaker onbelemmerd tot bloei. Op schrale en droge bodems geldt dat ook voor gewoon biggenkruid dat in het groeiseizoen nog steeds geregeld wordt onthoofd. Op plaatsen waar een hooilandbeheer wordt gevoerd, kunnen bloembezoekende insecten daarentegen talrijk op deze planten voorkomen. | |||
| Maar ook bij hooilandbeheer worden veel plantensoorten tijdens of zelfs voor de bloei gemaaid omdat het maaischema te veel wordt bepaald door de agenda dan door fase of ontwikkeling van de vegetatie. | |||
| Gevolgen van integraal maaien | |||
| Grazige vegetaties die als hooiland worden beheerd, worden meestal twee maal per jaar gemaaid, met uitzondering van die op de voedselarme bodems. Na de eerste maaibeurt duurt het minstens enige weken voordat er weer bloeiende planten in de vegetatie aanwezig zijn. |
|||
| De ervaring leert dat vegetaties die twee maal per jaar integraal worden gemaaid, na de eerste maaibeurt niet of nauwelijks door wilde bijen (met uitzondering van hommels), worden bezocht en ook voor veel andere insecten niet meer van betekenis zijn. Er is ook geen sprake van herstel van de wilde bijenfauna, als de planten later weer in bloei staan. | |||
| De synchronisatie tussen de planten met de bloembezoekende insecten is dan verbroken. | |||
| Een voorbeeld van synchronisatie is de slobkousbij die in de Nederlandse situatie helemaal op grote wederik is aangewezen. De bijen verschijnen ongeveer in dezelfde tijd, waarin de plant gaat bloeien. Als deze plant vóór of tijdens de foerageerperiode wordt gemaaid, kunnen de bijen nog wel nectar verzamelen (op andere planten) maar niet het stuifmeel (en bij grote wederik ook plantaardige olie) dat voor het voorbrengen van het nageslacht noodzakelijk is. De kans is dan groot dat de slobkousbij het volgende seizoen is verdwenen. Dit geldt niet voor situaties waarin gemaaide vegetaties in de directe omgeving liggen van andere bloemrijke begroeiingen, die na de bloei worden gemaaid. Een ander voorbeeld is, dat zijdebijen niet of nauwelijks aanwezig zijn op plaatsen waar boerenwormkruid systematisch twee maal per jaar wordt gemaaid. | |||
| Gedifferentieerd maaien | |||
| Voor honderden ongewervelde dieren, zoals kevers, wantsen, pissebedden, springstaarten, sprinkhanen en spinnen is twee maal per jaar maaien desastreus (Ellis et al., 1989; Koster, 1988d). Voedselbronnen en schuilplaatsen verdwijnen, het totale microklimaat (luchtvochtigheid, temperatuur, licht) verandert rigoureus en veel insecten, die tijdens het maaien in de vegetatie aanwezig zijn, worden vernietigd. Maaien verbreekt integraal de synchronisatie van de fauna met de vegetatie, vooral als dat in het groeiseizoen plaatsvindt. Dit principe geldt eigenlijk ook voor alle andere integrale beheermaatregelen van alle beheertypen. | |||
| Om het verbreken van de synchronisatie te voorkomen zou minimaal 10 tot 20% van de vegetatie niet eerder gemaaid mogen worden dan in het najaar. In het beheer van stedelijk groen betekent dit principe, dat vaak ruimte ontstaat voor een andere vegetatiestructuur met andere plantensoorten. De aanwezige plantensoorten kunnen zich zonder uitstel van de bloei ontwikkelen. Op een grasveld van 10 - 30 m breed levert dat een ongemaaide baan op van minimaal 1,0 - 3,0 m breed of een oppervlakte van een paar 100 m 2. | |||
| Uiteraard is dat lang niet overal mogelijk, maar op heel veel plekken wel. | |||
|
|||
| Overige maatregelen | |||
| Voor de totale fauna is het beter als ook in de winter een gedeelte van de afgestorven vegetatie blijft staan. Het meest praktische is maximaal eenmaal per jaar in het najaar een brede grazige strook in het najaar te maaien, bij voorkeur langs beplantingen, en steeds een ander gedeelte te laten staan. Indien dit te organiseren valt, moet bij voorkeur gestreefd worden naar twee of drie leeftijdsklassen in de vegetatie. Ieder jaar wordt de helft of een derde gedeelte van de vegetatie gemaaid. | |||
| Een andere optie is verschillende maairegimes naast elkaar te gebruiken door de vegetatie in te delen in zones, die jaarlijks, eenmaal in de twee of eenmaal in de drie jaar worden gemaaid. De twee overjarige vegetaties mogen niet in hetzelfde jaar worden gemaaid. Langs beplantingen, struwelen en vegetaties met ruigtekruiden moet op een manier worden gemaaid, dat de verschillende vegetatiestructuren geleidelijk in elkaar overgaan. | |||
| Als het in de praktijk haalbaar is, moeten graspollen zoveel mogelijk worden ontzien. Deze zijn als schuilplaats voor kevers en andere insecten van groot belang. Door voldoende grote oppervlakten gras helemaal niet te maaien, blijft het milieu ook geschikt voor andere dieren als muizen, wezels en padden. | |||
| De maaimachines moeten zo licht mogelijk zijn. Zware machines hebben een nivellerende invloed op flora en fauna. Ze verdichten en beschadigen de bodem. Hoe kleiner het materiaal waarmee wordt gewerkt, des te minder nadelige effecten er optreden. Waar het financieel haalbaar is, zou een bosmaaier of een lichte messenbalk gebruikt moeten worden. | |||
| De maaihoogte mag gewoonlijk niet lager zijn dan 6-8 cm. Dat is vooral voor vlinders van belang. De cirkelmaaier en zeker de klepelmaaier kunnen uit faunistisch oogpunt beter niet gebruikt worden. Stofzuigermaaien is moeilijk te verenigen met ecologisch groenbeheer. Als deze methode goed gefaseerd plaatsvindt, kan de methode in bepaalde situaties ecologisch acceptabel zijn. Voor veel insecten is er in alle ontwikkelingsstadia geen overlevingskans als een vegetatie gemaaid wordt. | |||
| Ruigten | |||
| In het stedelijke gebied komen in de openbare ruimte nog betrekkelijk weinig bloemrijke ruigten voor, die geschikt zijn voor wilde bijen. Ruigten langs waterkanten beginnen voor de fauna steeds belangrijker te worden, ook voor wilde bijen en vele andere insecten. Aan het eind van de jaren tachtig kwamen ruigten langs oevers, vijverkanten en stedelijke waterwegen nauwelijks voor (Koster, 1988h, 1989b). Dit was niet alleen te wijten aan de plaatselijke groenbeheerders, maar ook aan de eisen die waterschappen aan de oevers stelden. Deze eisen zijn thans bij veel waterschappen ten gunste van de natuur aangepast. | |||
| Op niet al te voedselrijke bodems komen soorten van het moerasspirea-verbond steeds meer tot ontwikkeling. Dat heeft er toe geleid dat de slobkousbij, die in Nederland vrijwel uitsluitend op grote wederik vliegt, zich in het stedelijk groen kon vestigen (Koster, 1999; 2000). In het begin van de jaren negentig waren ruigten langs beplantingen aanzienlijk zeldzamer dan ruigten langs oevers. In het Holypark in Vlaardingen werden ruige zomen langs beplantingen vermoedelijk voor het eerst ontwikkeld, in ieder geval op een niveau dat min of meer voldoet aan het begrip ruigte. Thans komen ruige zomen op veel meer plaatsen voor. | |||
| Ruigten worden ten hoogste éénmaal per jaar in de herfst of winter gemaaid. Net als bij het graslandbeheer moet een gedeelte van minstens 10 - 20% van de vegetatie blijven staan. Waar mogelijk kan op sommige plekken een klein gedeelte van het grove maaisel blijven liggen. Het branden van ruigtekruiden (wat nog zelden gebeurt) is ontoelaatbaar. Schuil - en nestgelegenheid voor vogels en kleine zoogdieren wordt vernietigd en alle stadia van de ongewervelde dieren, die boven de grond leven, worden gedood. | |||
| Beplantingen en zoomvegetaties | |||
| Bij beplantingen hebben we veel meer dan bij andere begroeiingen, te maken met verschillende structuren, die in verschillende seizoenen van betekenis zijn. Elke structuur levert zijn eigen bijdrage aan de verscheidenheid in de bijenfauna (Zie tabel). Het overgrote deel van de bijen is tijdens onderzoek in of boven zomen en randen gevangen. Zomen dragen dus het meeste bij aan de diversiteit van de bijenfauna. Dit houdt echter niet in dat andere structuren en plant typen voor bijen van minder betekenis zijn. Een voorbeeld is de heggenrank, een liaan waarvan de heggenrankbij geheel afhankelijk is. Een ander voorbeeld is de boswilg, die in het algemeen weinig wordt aangeplant, maar van zeer groot belang is voor de bijensoorten die van wilg afhankelijk zijn. Omdat deze wilg ook veel door hommels en honingbijen wordt bevlogen, heeft deze boom in het voorjaar ook een hoge belevingswaarde. Bovendien is deze boom als esthetisch element zeer waardevol. Zie verder: | |||
| Tabel: Overzicht structuur van beplantingen in relatie tot het voorkomen van wilde bijen | |||
| Ecologisch beheer beplantingen | |||
| Selectief dunnen en kappen is meestal nodig bij ecologisch beheer in bosachtige en singelachtige stedelijke beplantingen, evenals het uitmaaien en afvoeren van maaisel van de kruidachtige vegetatie. Op plaatsen waar het uitmaaien integraal in het voorjaar of vroege zomer wordt uitgevoerd, komen na het maaien geen of nog nauwelijks bijen voor. De continuïteit in de bloei van de vegetatie wordt dan te lang onderbroken. Zowel voor het publiek, als voor de bijen en andere bloembezoekende insecten is het van belang naar bloemrijke situaties te streven, die zich ongestoord tot in het najaar kunnen ontwikkelen. | |||
| Bij allerlei vormen van hakhout wordt het hout periodiek afgezet. Bij wilgen iedere 3 - 5 jaar, bij andere beplantingen om de 7- 20 jaar. De ruige vegetatieontwikkeling die daarvan het gevolg is, laat men meestal ongemoeid. De overgang van bos - en struweelachtige beplantingen naar grasland moet geleidelijk verlopen via mantel - en zoomvegetaties. In een plantsoen moeten vooral aan de zuidkant ruige en bloemrijke inhammen aanwezig zijn. Hierdoor ontstaan luwe hoeken, die nodig zijn voor warmteminnende insecten, waaronder dagvlinders en wilde bijen. Als er sprake is van hakhout of soortgelijke begroeiingen, dient het afzetten steeds gefaseerd te worden uitgevoerd. Bij het ontwerpen van beplantingen moet er met dit aspect rekening worden gehouden. | |||
| Boom - en struikvormers, die van belang zijn voor bepaalde groepen insecten, moeten zodanig worden gepland dat een jaarlijkse bloei is gegarandeerd. Op plaatsen waar bijvoorbeeld wilgen vóór de bloei integraal worden afgezet, verdwijnen de bijensoorten die op wilg zijn gespecialiseerd. | |||
| Gefaseerd beheer beplantingen | |||
| Bij voldoende oppervlakte van een vegetatie moet naar drie leeftijdscategorieën gestreefd worden. De differentiatie van de vogelfauna zal door dit beheerbeleid vergroot worden. Snoeihout en afgezet hout moeten op rillen worden gestapeld, die een nestgelegenheid voor vogels bieden en een goede overwinteringplaats zijn voor de citroenvlinder en vele andere insecten. Indien men het hout wil afvoeren, moet toch een klein gedeelte blijven liggen. In grotere plantsoenen is het heel gunstig om enkele dode bomen te laten staan. Bomen met kromme stammen mogen niet worden gekapt. | |||
| Het is aan te bevelen hier en daar af en toe een boom te kappen die mag blijven liggen, net als bomen die door de wind zijn geveld. Vooral op zonnige plaatsen kan in dood hout op den duur nestgelegenheid voor wilde bijen ontstaan. Geleidelijke overgangen van bos naar gras zijn voor alle diergroepen van belang. Vooral ruige doorn - en braamstruwelen die aan de randen van beplantingen kunnen voorkomen zijn als nest - en schuilgelegenheid voor vogels van grote betekenis. Kortom: een beheer dat rekening houdt met wilde bijen is ook van betekenis voor de in stand houding van andere diergroepen. Heel vaak is andersom ook het geval. | |||
| Kleinschalige groene elementen | |||
| Welke minimale ruimte is er nodig voor een bepaalde vorm van natuurontwikkeling? Het antwoord kan alleen bij benadering worden gegeven, als er enig inzicht is in allerlei complexe factoren die de mogelijkheden begrenzen. Bovendien hangt het antwoord ook af van de wijze waarop men tegen natuur aankijkt. | |||
| Oude muren laten zien dat zelfs in extreme omstandigheden nog planten kunnen groeien. Tientallen soorten planten zijn in staat hun levenscyclus jaarlijks te voltooien op een substraat waar nauwelijks een kruimel grond aanwezig is. De stenige plekken van de dagelijkse leefomgeving zijn meestal minder extreem. De vegetatie die daar, in de ogen van veel bewoners en beheerders vaak te weelderig groeit, laat dat duidelijk zien. Veel plantensoorten blijken voor hun ontwikkeling weinig ruimte nodig te hebben, wat in de praktijk overtuigend wordt aangetoond. In veel gemeenten groeien tegenwoordig vrijwel overal planten, omdat er geen onkruidbestrijdingsmiddelen meer worden gebruikt. Zelfs op het plaveisel groeien en bloeien planten, die vaak door een breed publiek worden gewaardeerd. Enkele voorbeelden daarvan zijn: toorts, gele helmbloem, akkerklokje, wilgenroosje, leeuwenbek, zeedistel, vlasbekje, bezemkruiskruid en muurpeper. | |||
| Veel tuinplanten verwilderen uit tuinen. Dit leidt tot de meest vreemde soorten in de voegen van de verharding: wijnruit, lavendel, Campanula carpatica, herfstaster, prachtklokje, koekruid, rode sporenbloem, schijncipres en vlinderstruik. De laatste soort is een heester die zelfs bij voorkeur in de voegen van het plaveisel kiemt en groeit. Op geplaveide plaatsen waar niet wordt gelopen en waar enkele millimeters ruimte zit tussen de stenen, kunnen in principe tientallen soorten worden uitgezaaid en tot ontwikkeling komen. Met deze wetenschap is het mogelijk om op vrijwel alle stenige plaatsen groen en natuur te realiseren. Honingbijen, verschillende soorten hommels, andere wilde bijen en vlinders zullen deze plekken weten te vinden. | |||
| Natte milieus | |||
| De voornaamste componenten in het beheer van natte milieus zijn de verbetering van de waterkwaliteit en het reguleren van de kwantiteit (zie bij water link hier onder), daarnaast het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Habitatvariatie kan bevorderd worden door te streven naar diepe en ondiepe plekken, waarbij pleksgewijs verlanding is toegestaan. Het schonen van het water wordt gewoonlijk integraal uitgevoerd. In verband met de bescherming van de aanwezige fauna is een gefaseerd beheer noodzakelijk, bij voorkeur moet steeds een gedeelte van 10 tot 30% geschoond worden. Als dat niet mogelijk is, kunnen ook de oevers bij toerbeurt worden geschoond. Bij toerbeurt steeds 10% van de het natte oevergedeelte ongemaaid blijven is de minimale ecologische beheermaatregel. | |||
| Dezelfde principes van fasering gelden nog sterker voor het baggeren dat eenmaal in de 5 tot 20 jaar moet gebeuren. Integraal baggeren is zeer ingrijpend en funest voor de locale levensgemeenschappen die aan kleine wateren zijn gebonden. | |||
| Een nadeel van gefaseerd beheer is dat het de beheerkosten aanzienlijk kan verhogen. In de praktijk komt het erop neer, dat dit beheer slechts selectief en op kansrijke plekken voor de natuur worden toegepast. Het maaien van oevervegetaties dient tot het minimum te worden beperkt. Tweemaal per jaar maaien is zeer funest voor de fauna op ieder moment van het groeiseizoen. | |||
| Voor verschillende levensvormen, zoals de libellen is de oevervegetatie zeer belangrijk. Er moet dus zeker niet voor eind september gemaaid worden en als dit niet mogelijk is moeten er zo groot mogelijke stukken worden overgeslagen. Eventueel kan een tussenvorm van grasland - en ruigtebeheer plaatsvinden, waarbij de vegetatie éénmaal in de twee jaar gefaseerd wordt gemaaid. Natuurtechnisch aangelegde oevers kunnen de biodiversiteit aanzienlijk vergroten, maar alleen onder voorwaarde dat ze gefaseerd en gedifferentieerd worden beheerd. | |||
|
|||
|
|||
| Minimilieus | |||
| Minimilieus zijn kleine plekjes of zeer kleine elementen in het landschap die meestal van betekenis zijn voor kleine organismen, die ecologisch gezien een zeer belangrijke functie vervullen. Mieren die onder een steen in een grasland hun nest hebben zijn een goed voorbeeld hiervan. De grotere stenen en keien die van nature in een grasland voorkomen, moeten dus worden gekoesterd. | |||
| Andere elementen zijn dood hout, graspollen, holle afgestorven plantenstengels, afrasteringpaaltjes, voegen tussen de verhardingen, dood hout in sloten, steile kantjes van greppels en holle bomen langs wegen. Al deze elementen moeten bij het beheer moeten zoveel mogelijk worden ontzien, omdat ze van grote betekenis zijn voor ongewervelde dieren. Heel vaak maken wilde bijen l gebruik van minimilieus. Zie bij foto's. |
|||
| Vogels | |||
Vogels bepalen het meest van alle dieren de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Ze zijn er het hele jaar door. Ze zijn te vinden op het balkon en in de achtertuin op de voedertafel. In het voorjaar worden we er mee wakker en op zwoele avonden in het voorjaar en de voorzomer zijn ze tot de schemering sfeerbepalend. Als je aan huis gekluisterd bent of niet naar buiten kunt, kan je door al deze vogelgeluiden toch nog een band met de natuur onderhouden. |
|||
| Het schema gaat in op de voornaamste vogelsoorten die we in het stedelijk gebied kunnen aantreffen. Beheermaatregelen geven aan hoe de vogelstand is te bevorderen. Kortom vogels hebben een hoge belevingswaarde. | |||
| Tijdens het broedseizoen mogen vogels niet door beheermaatregelen worden gestoord. Dichte bosjes, struweel, dicht hakhout, rietkragen, ruigte etc. vormen voor veel vogels een goede nestgelegenheid. | |||
| Vogels zijn zeer bewegelijke dieren die van verschillende milieus gebruik maken. De juiste combinatie van groene elementen en het beheer daarvan in samenhang met andere landschapselementen zullen de vogelstand sterk bevorderen. Onder meer door minder frequent of gefaseerd te maaien. Ruigten en ongemaaide grazige vegetaties leveren allerlei insecten en zaden die door vogels worden gegeten. Onder meer huismussen die het de laatste decennia niet gemakkelijk hebben. (onder meer Apeldoorn et al., 2007; Heij, 2006) | |||
| Veel milieus die goed zijn voor vogels zijn heel vaak ook zeer geschikt voor bijen: onder meer houtwallen, singels, heggen, bosjes, allerlei stedelijke beplantingen, ruige bloemrijke oevers, oeverbeplantingen, zoomvegetaties, akkerranden, bloemrijk grasland. | |||
| Vlinders | |||
| www.drachtplanten.nl geeft aan welke planten ook door vlinders worden bezocht. | |||
| Tientallen soorten vlinders komen algemeen voor en treffen we ook in de stedelijke omgeving aan. Het grootste deel van de vlindersoorten is echter zeldzaam en zelfs bedreigd. Omdat vlinders zo belangrijk zijn voor mensen moeten we er van alles aan doen om de vlinderstand te verbeteren. Temeer omdat vlinders bioindicatoren zijn van het terrestrisch (droge) landschap. Hoe beter het met de vlinders gaat, des te beter gaat het met het landschap. | |||
| Vlinders hebben meer nodig dan bloemen. Rupsen van (dag)vlinders leven van bepaalde soorten planten. Als we vlinders willen zien, moeten deze planten zich kunnen ontwikkelen. Van de meeste vlinders van de stedelijke omgeving wordt een tabel van voedselplanten gegeven. Klik hier voor tabel |
|||
| Waar veel vlinders kunnen vliegen is het meestal ook goed voor bijen. | |||
| Voor alle informatie over vlinder zie: www.vlinderstichting.nl | |||
| Begrazing | |||
| Op deze website staan de traditionele beheerhandelingen centraal omdat deze het meest gericht zijn op het beheer van kleinschalige landschapselementen. De grootte hiervan kan oplopen tot de schaal van kleine parken en recreatieterreinen. | |||
| Op grotere terreinen zou begrazing in veel situaties aanzienlijk beter zijn dan de nu gehanteerde vorm van beheer. Om deze vorm van beheer goed tot zijn recht te laten komen en dieren niet eenzaam te laten zijn, moet een terrein minstens enkele hectaren groot zijn om voor een jaarrond begrazing in aanmerking te komen. Voor begrazing van kleinschalige landschapselementen zijn natuurlijk oplossingen te bedenken. In Breda liepen in de jaren tachtig de schapen door de woonwijken. Maar dat is lang niet altijd mogelijk. Grotere terreinen bieden meer mogelijkheden. | |||
| Het grote voordeel van begrazen is dat er structuurvariatie (lees habitatvariatie) ontstaat. Sommige vegetaties worden door begrazing volledig open gemaakt waarbij de grond wordt stukgetrapt. Op andere plekken wordt de vegetatie door begrazing juist verdicht. Het knabbelen van vee aan doornstruiken leidt tot een verdichte structuur die uitstekende nestgelegenheid biedt voor vogels. Er ontstaan grote graspollen, afstervende bomen, zwaar bemeste en sterk verschraalde plekken. | |||
| Vanuit faunistisch oogpunt gezien is begrazing meestal een voordeel. Voor een nat, bloemrijk hooiland, dat vele decennia onder regiem van een maaibeheer heeft gestaan, zou begrazing echter wel eens minder goede resultaten kunnen hebben. Ook op plaatsen waar men speciale waarde hecht aan bepaalde, al dan niet cultuurhistorische bomen moet men voorzichtig zijn met het inzetten van grote grazers. Voor details en meer informatie wordt verwezen naar literatuur pagina.
Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Begrazing -- -http://nl.wikipedia.org/wiki/Grote_grazers |
|||
| Begrazing draagt ook bij aan open plekken in de vegetatie. Deze plekken kunnen wilde bijen ook nestelen. Zie ook bij Andrena vaga onder www.zoekkaartwildebijen.nl | |||
| AANDACHTSPUNTEN OVERIGE FAUNA | |||
| Hier wordt slechts de aandacht gevestigd op diergroepen, die in en om de bebouwde omgeving steeds meer een rol gaan spelen en waar we met het beheer ook rekening mee moeten gaan houden. | |||
| Bij het beheer van het overgrote deel van deze fauna kan vrijwel altijd rekening worden gehouden met de bijen: honingbijen en wilde bijen. | |||
| Zoogdieren | |||
| De aanwezigheid van voldoende dekking en schuilplaatsen is een belangrijke voorwaarde die zoogdieren aan hun milieu stellen. De meeste zoogdieren zijn tamelijk schuw. Ze zijn 's nachts of in de schemering actief en overdag houden ze zich goed verborgen. | |||
| Landschapselementen die positief bijdragen aan een geschikt leefmilieu voor zoogdieren zijn: dichte bosjes, houtwallen, singels, ruigten, ruig grasland, holle bomen, takkenbossen en rillen. Bij het beheer moeten deze elementen worden behouden of opnieuw worden aangelegd. | |||
| Veel zoogdieren hebben een belangrijke plaats in voedselketens, ze eten andere dieren of worden zelf gegeten. Spitsmuizen eten allerlei insecten. Op hun beurt zijn deze muizen prooidieren voor uilen, roofvogels, reigers en grotere rovende zoogdieren als de wezel. Vossen eten onder meer konijnen. Konijnen houden het gras kort en graven de bodem open waardoor een milieu ontstaat voor een - en tweejarige plantensoorten en gravende insecten. Zie: zoogdieren en www.vzz.nl |
|||
| Bij veel zoogdieren speelt kleinschaligheid een belangrijke rol. Veel bloemrijke kleinschalige landschapselementen maken daar deel van uit. Het beheer van zoogdieren en bloembezoekende insecten waaronder bijen en vlinders kunnen elkaar ondersteunen. | |||
| Hagedissen | |||
| De Nederlandse soorten hagedissen (zandhagedis, levendbarende hagedis en muurhagedis), leven in terreinen met een gevarieerde begroeiing. Op kleine schaal moeten vrijwel alle begroeiingstadia voorkomen, die variëren van kale bodem tot dicht struweel, met daar tussenin allerlei stadia van de kruidachtige vegetatie. Op kleine afstand zijn er dan tevens zonnige en schaduwrijke plaatsen voorhanden, waar hagedissen in staat zijn hun lichaamstemperatuur te regelen. Daarvoor moeten ze zich over een kleine afstand kunnen verplaatsen. | |||
| Het beheer, gericht op behoud van de noodzakelijke variatie in de begroeiing, moet handmatig gebeuren. Zware machines verstoren het milieu en doden of verwonden de dieren. We moeten er ook rekening mee houden dat hagedissen voor een deel hun winterslaap houden onder dichte grazige vegetatie. Bij een maaiproef met de grasschaar in de maand oktober trof ik in Zuid-Limburg enkele jonge dieren van de levendbarende hagedis aan. Eén dier werd bij het maaien gedood. Jaarlijks mogen slechts kleine stukjes gemaaid worden. Het maaien kan het beste eind augustus plaatsvinden. De dieren zijn dan nog actief genoeg om te kunnen vluchten. Voor de zandhagedis moeten, in verband met het leggen van eieren, stukjes open zandige grond aanwezig zijn. Het creëren hiervan kan men nog het beste aan konijnen overlaten. Als er geen konijnen zijn, kan het kunstmatig gedaan worden. Het is dan wel de vraag of het milieu wel echt geschikt is voor de zandhagedis. | |||
| Voor de muurhagedis zijn oude, verweerde muren met spleten en gaten van belang als leefmilieu. De soort komt alleen in de stad Maastricht voor www.synbiosys.alterra.nl. De twee andere hagedissensoorten zijn waar te nemen in bermen, op greppelkantjes, zonnige holle wegen, zandpaden, spoorwegemplacementen, spoorbermen en –dijken. Ook in de grote tuinen van landgoederen komen ze voor. De milieus, waarin de zandhagedis en de levendbarende hagedis van nature voorkomen, zijn vooral in het duingebied en op heideachtige terreinen te vinden. Zie ook: www.ravon.nl | |||
| Vooral het milieu van hagedissen en wille bijen hebben veel raakvlakken! | |||
| Ringslang | |||
| De ringslang is in Nederland de meest voorkomende slang. Ze komt voor in en bij vochtige terreinen, zowel in natuurgebieden als in het kleinschalige cultuurlandschap, landgoederen, parken, oude verdedigingswerken en aan stadsranden. Ze worden het meeste aangetroffen in de buurt van water zoals plassen, sloten, spoorsloten, vijvers, natte greppels en amfibieënpoelen. Er moeten in ieder geval voldoende kikkers en padden voorkomen want dat is hun belangrijkste voedsel. Net als voor hagedissen is voor ringslangen een gevarieerde begroeiing met luwe, zonnige plekken van belang. | |||
| Voor verschillende levensfuncties als migratie, dekking, winterslaap en voorplanting zijn verschillende elementen in het landschap van belang: ruigte, kleine bosjes, struwelen, houtwallen, singels, zoomvegetaties, moerassige plaatsen, mesthopen, takkenbossen, hooimijten, bladerhopen, takkenbossen, composthopen, holle bomen en ruige oevers. Door zulke elementen in het landschap aan te leggen kan het voorkomen van de ringslang worden bevorderd. Grashopen moeten wel met takken of andere groenrestproducten worden gemengd. De broedhopen moeten minimaal 4 tot 5 m 2 groot zijn en 1 m hoog. Men moet wel nagaan of de soort van nature in de omgeving voorkomt. Het advies van deskundigen kan hierbij van belang zijn. De ringslang komt onder meer frequent voor in het noordelijke stadsdeel van Gouda. zie: Ringslang Gouda. Zie ook: www.ravon.nl ---- ringslang en insectenbeheer |
|||
| Amfibieën | |||
| Van de groep amfibieën zijn de groene kikker en de gewone pad het meest bekend. Toch zijn er veel meer soorten amfibieën en ook reptielen, die in onze woon - en leefomgeving kunnen voorkomen. | |||
| Van de 14 soorten amfibieën die ons land rijk is, komt ongeveer de helft voor in en om de bebouwde omgeving. Dit zijn de alpenwatersalamander, kleine watersalamander, kamsalamander, gewone pad, rugstreeppad, knoflookpad, bruine kikker, groene kikker, en heikikker. De overige soorten komen hier en daar wel in de buurt van de bebouwing voor, maar zijn te zeldzaam om ze hier te noemen. | |||
| Voor het voltooien van hun levenscyclus zijn voor amfibieën verschillende landschappelijke elementen van belang. In de eerste plaats moet er water zijn van een redelijke waterkwaliteit. Deze dieren zijn in hoofdzaak te vinden in sloten, poelen, plassen, vijvers en greppels, waar het hele jaar door voldoende water aanwezig is. Het gaat om water tot ca. 1,5 m diep. Vooral watertjes die door regen - en grondwater worden gevoed bieden een zeer geschikte uitgangssituatie voor een amfibie. | |||
| Een andere belangrijk punt is dat de oevers niet te steil zijn. Meestal is het ook nodig, dat er water - en oeverplanten aanwezig zijn. Schonen of uitbaggeren moet gefaseerd plaatsvinden, bijvoorbeeld iedere keer als het nodig is 1/3 of 1/5 deel, sterk afhankelijk van de verlandingssnelheid. In sommige wateren, bijvoorbeeld plassen in een zandgroeve, hoeft nooit wat te gebeuren (Een poel met krabbenscheer kan echter zo snel verlanden, dat het leefmilieu binnen enkele jaren niet meer geschikt is voor kikkers en salamanders. Zie ook: www.ravon.nl | |||
| In het milieu van amfibieën is vaak ruimte voor drachtplanten die aan natte tot zeer vochtige bodems zijn gebonden. Ook bij de overwinterings plaatsen van padden kunnen drachtplanten een belangrijke rol spelen. | |||
| Milieu amfibieën | Terug | ||
| Binnen enkele tientallen meters van het water moeten als overwinteringgebied bosjes aanwezig zijn in de vorm van: hakhout, houtwallen, singels of wilgenstruweel (dus ook landschapselementen die ook goed zijn voor bijen). Deze bosjes moeten een dichte onderbegroeiing of een dikke strooisellaag hebben. Dood hout, takkenbossen, stapelmuren, ruigte, ruig en vochtig grasland met graspollen zijn hier eveneens geschikt voor. Zo trof ik in een ruige dijkvegetatie langs het spoor bij Culemborg op verschillende plekken wel meer dan tien padden per m 2 aan. | |||
| Op plaatsen waar men vermoedt dat padden overwinteren, mag men in de herfst en het vroege voorjaar onder geen enkele voorwaarde maaien. In milieus geschikt voor amfibieën, kunnen ook talloze andere kleine waterdieren zoals libellen, waterjuffers, waterkevers en waterspinnen leven. Een bijzondere bedreiging voor de amfibieënstand vormen de watervogels, die als huisdier gehouden worden, ontsnappen en in de vrije natuur een plaats gaan innemen. Hetzelfde geldt voor vissoorten, die in viswater worden uitgezet. Zie ook: www.ravon.nl | |||
| Vleermuizen | |||
| Bijzondere aandacht verdienen vleermuizen. Ze leven in holle bomen en in allerlei bouwwerken. Sommige verblijven 's zomers in holle bomen en trekken in het najaar weg naar het winterverblijf, meestal in bouwwerken. Soms liggen zomer - en winterverblijf honderden kilometers uit elkaar, soms slechts op enkele tientallen meter afstand. Vleermuizen jagen tussen de avond - en ochtend schemering op vliegende insecten. | |||
| Op parkachtige plaatsen en in boomrijke buurten worden vleermuizen in de schemering vaak aangetroffen. Als jachtgebied zijn bomen en allerlei soorten houtige beplantingen van belang; bosjes, bomen en boomgroepen, houtwallen, hagen, singels en laanbeplantingen. Deze landschapselementen dienen dus zoveel mogelijk te worden ontzien en zo nodig te worden aangelegd. Omdat bomen en allerlei lintvormige landschappelijke beplantingen een belangrijke rol spelen in de oriëntatie van de dieren is het goed deze elementen zoveel mogelijk op elkaar te laten aansluiten. De dwergvleermuis verblijft in de zomer het meest in spouwmuren. De watervleermuis, rosse vleermuis, baardvleermuis, grootoorvleermuis en de franjestaart verblijven in holle bomen. | |||
| Alle soorten, met uitzondering van de rosse vleermuis, overwinteren in bouwwerken. De laatvlieger, vale vleermuis, grootoorvleermuis en meervleermuis verblijven ‘s zomers en 's winters in bouwwerken, zoals forten, bunkers, kelders, zolders, mergelgroeven en schuren. Vleermuizen moeten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Vliegopeningen in bouwwerken mogen niet worden dichtgemaakt. Oude, holle bomen moeten zo lang mogelijk worden gespaard. Voor meer informatie zie www.vleermuis.net | |||
| Bij aanleg van nieuwe ecologische infrastructuur voor vleermuizen kunnen houtige soorten die van betekenis zijn bijen een belangrijke rol vervullen. | |||
| Muizen en marterachtigen | |||
| Muizen leven in het algemeen in afwisselende en structuurrijke vegetaties. De veldmuis heeft echter een voorkeur voor lage kruidachtige begroeiingen in bermen, dijken en grasvelden, die één of tweemaal per jaar worden gemaaid. De overige muizensoorten vragen veel meer afwisseling in het terrein. Bosmuis, rosse woelmuis, bosspitsmuis en huisspitsmuis zijn te vinden in bosjes met een kruidenrijke ondergroei, in ruig grasland, ruigte, houtwallen, tuinen, parken en ruig grasland. Ruige graslanden dienen éénmaal per jaar of éénmaal in de twee jaar gefaseerd gemaaid te worden. Van een ruigte dient jaarlijks 1/3 deel gemaaid te worden. Door verschillende vegetatiestructuren na te streven, bevorder je niet alleen een gevarieerde muizenfauna, maar zorg je ook voor een gevarieerd menu voor uilen, roofvogels en roofdieren. | |||
| Marterachtigen | |||
| Tot de marterachtigen behoren wezel en hermelijn. Hun voedsel bestaat voor een belangrijk gedeelte uit muizen. Het leefmilieu van deze slanke dieren sluit dus goed aan bij dat van muizen. Dichte houtwallen en andere dichte beplantingen, ruigte, ruige grasstroken en takkenbossen zorgen voor een goede dekking en schuilgelegenheid. | |||
| Ook hier weer landschapselementen waar het belang van muizen, marterachtigen en bijen voor een belangrijk deel samenvallen. | |||
| Voor meer informatie zie: zoogdieren en www.vzz.nl | |||
| Egel | |||
| De egel komt voor in allerlei gevarieerde terreinen met voldoende dekking en overwinteringplaatsen als ruigte, grote graspollen, bladhopen, takkenbossen en rommelhoekjes. Plekken waar je egels wilt hebben moet men zo veel mogelijk met rust laten. De egel is ook vaak in tuinen aanwezig en kan zich hier ook voortplanten. De aanwezigheid van schuilgelegenheid en plekken voor een winterslaap zijn belangrijke voorwaarden om egels "permanent" in de tuin te houden. In de buurt van water met steile kanten, onder meer tuinvijvers, moeten er, als ze onverhoopt in het water terecht zijn gekomen uitstapplekken voor egels zijn. Voor meer informatie zie: zoogdieren en www.vzz.nl | |||
| Vooral in tuinen kunnen overwinteringsplekken worden gemaakt die ook dienst kunnen doen als schuil- en broedplaats voor andere dieren. Dat kan worden gecombineerd met nestgelegenheid voor wilde bijen. Zie www.bijenhotels.nl | |||
| Konijn | |||
| Konijnen zien we het meest op allerlei grazige plaatsen op zandige terreinen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Ze zijn ook vaak op volkstuinen aanwezig. Speciaal beheer voor deze plaatsen is niet noodzakelijk. Als konijnen talrijk aanwezig zijn, kunnen ze op grote plekken de vegetatie kort houden. Voor pionierplanten en insecten is dat van groot belang. | |||
| Konijnen hebben een belangrijke functie in de diversiteit in de vegetatie. Doordat ze de bodem pleksgewijs geheel of gedeeltelijk openhouden, ontstaan er milieus voor een- en tweejarige plantensoorten die aan open zandige bodems zijn gebonden. Daarnaast ook nestgelegenheid voor wilde bijen. Of de wilde bijen zich vestigen hangt af van de periode dat de konijnen actief blijven en periode dat een pioniervegetatie zich kan handhaven. | |||
| Vos en ree | |||
| De vos komt vooral voor in afwisselende landschappen: stadsranden, parken, recreatieterreinen, sport - en fabriekscomplexen op lichte grondsoorten. Vooral de aanwezigheid van dekking - en schuilgelegenheid is van groot belang, wil de vos zich op een plaats vestigen. Dichte afgelegen bosjes, struwelen, dichte lintvormige beplantingselementen en ruigte dragen hieraan bij. De vos kan in de stad een belangrijke bijdrage leveren aan de regulatie van andere diersoorten, zoals eenden. De vos komt in allerlei landschappen voor. Hij heeft een groot aanpassingsvermogen en breidt zich mede door het ontbreken van natuurlijke vijanden (predatoren) voortdurend uit. Dat leidt tot een voortdurende discussie of vossen wel of niet moeten worden bejaagd. Door het woord "vossenjacht" in Google in te voeren wordt de discussie zichtbaar. | |||
| Ree | |||
| Reeën worden in vrijwel het hele land geregeld in afwisselende landschappen zoals landgoederen en recreatieterreinen aan de stadsrand aangetroffen. Dekking en rustplaatsen worden geboden door ruigte, bosjes, grienden en rietvelden, die ontoegankelijk zijn voor het publiek. Honden zijn op deze plekken absoluut ontoelaatbaar. Reeën houden zich ook vaak schuil in maïsvelden. Ze moeten ruimte hebben om te kunnen grazen. Snelwegen vormen ernstige barrières, als ze gebieden doorsnijden waar reeën voorkomen. Ree heeft zich de laatste decennia sterk uitgebreid. Over de consequenties, die dat voor het beheer kan hebben, lopen de meningen sterk uiteen. | |||
| Veel kleinschalige landschapselementen die voor grote zoogdieren bij dekking, schuil en rustplaats van belang zijn, kunnen ook van belang zijn voor bijen en andere bloembezoekende insecten. | |||
| Voor meer informatie zie: zoogdieren en www.vzz.nl | |||
| WILDE BIJEN IN HET STEDELIJK GROEN | |||
| Koster, A. 2000. Wilde bijen in het stedelijk groen: een evaluatie van het ecologisch groenbeheer Wageningen ALTERRA, Research Instituut voor de Groene Ruimte. | |||
| Alterra Rapport 48.wilde bijen pdf (volledige rapoport) | |||
| Dit rapport gaat over de invloed van ecologisch groenbeheer op de wilde bijenstand in stedelijk groen. In het openbaar groen van 26 gemeenten zijn wilde bijen geïnventariseerd. | |||
| Bevordert ecologisch groenbeheer de bijenstand? | |||
| Wat zeggen wilde bijen over de kwaliteit van het groen? | |||
| Wat betekent dat voor het ontwerp en het beheer van de groene ruimte? | |||
| Locaties -- 30 gemeenten zijn geselecteerd: Amstelveen, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Barneveld, Deventer, Ede , Goes, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerenveen, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Leusden, Maastricht , Nijkerk, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Sneek, Utrecht, Veenendaal, Vlaardingen, Wageningen, Winsum, Zeist, Zoetermeer, Zutphen . | |||
| Globaal resultaat | |||
| Exclusief hommels zijn er binnen de bebouwde kom in dit onderzoek 106 soorten wilde bijen waargenomen. Het voorkomen van wilde bijen in openbaar groen is voornamelijk toe te schrijven aan ecologisch groenbeheer. Het aantal bijen dat na 1980 in het totale stedelijk groen is waargenomen bedraagt minstens 195 soorten. Dat is 60% van de ca 330 soorten die in Nederland ooit zijn waargenomen. Dit rapport is bestemd voor beheerders en ontwerpers van de openbare groene ruimte in het stedelijk gebied. Het geeft inzicht in de bijen die in de stad zijn waargenomen en het bevat richtlijnen voor het ontwerp en het beheer van groene elementen in het stedelijk gebied. | |||
|
|||
| Resultaten gespecificeerd | Terug | ||
| a. In totaal zijn er exclusief hommels 106 soorten wilde bijen waargenomen. Inclusief tuinen en data voor 1997 zijn dat 110 soorten en 7 soorten hommels (hommels hebben alleen betrekking op Veenendaal. De soorten zijn als volgt verdeeld: | |||
| 58 polylectische soorten --- 24 mono- (2) en oligolectische soorten --- 28 soorten koekoeksbijen | |||
| b. In 26 gemeenten werden er gemiddeld 23 soorten waargenomen | |||
| het totaal aantal vangsteenheden bedraagt 1769 | |||
| d. Op 141 locaties zijn bijen talrijk waargenomen | |||
| e. Op 27 locaties komen 10 of meer soorten voor | |||
| f. De bijen zijn op 181 plantensoorten verzameld (alle vangsteenheden):op 39 soorten planten zijn minstens 10 maal bijen verzameld | |||
| g. Indien er stuifmeel- en nectarproducerende planten aanwezig zijn en nestgelegenheid in de naaste omgeving, komen wilde bijen in vrijwel alle stedelijke milieutypen voor . | |||
| h. Op plaatsen waar stuifmeel- en nectarproducerende planten ontbreken, zijn bijen afwezig . Op plaatsen waar vroeg wordt gemaaid, loopt de bijen stand sterk terug of verdwijnt volledig. Op plekken waar de bloei ononderbroken doorgaat zijn de bijen ook in de zomer talrijk. | |||
| Conclusie | Terug | ||
| Waar nectar- en stuifmeelplanten in de omgeving afwezig zijn, zijn milieus voor wilde bijen ongunstig, aangezien ze in ieder geval stuifmeel nodig hebben en daardoor in bloemloze situaties niet kunnen voorkomen (bijlage 1). Vrijwel overal waar ecologisch groenbeheer wordt gevoerd en waar bloeiende planten in het groeiseizoen continu aanwezig zijn, komen wilde bijen voor. Waar de bloeiperiode door maaibeheer of andere handelingen wordt onderbroken, verdwijnen de bijen vrijwel geheel. Bloemenrijkdom in de openbare ruimte zoals we die nu kennen is voortgekomen en wordt in standgehouden door ecologisch groenbeheer. Het terugdringen van het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in combinatie met ecologisch groenbeheer heeft ertoe geleid dat de bijenstand in het stedelijk gebied zich sterk heeft ontwikkeld. Het overgrote deel van het voorkomen van wilde bijen in de openbare ruimte is aan ecologisch groenbeheer toe te schrijven. Voor bijen en voor veel andere bloembezoekende insecten moet dit beheer worden voortgezet en zonodig worden bijgesteld. | |||
| Volledige links en enkele links van organen die in insecten zijn gespecialiseerd | |||
| Nederlandse Entomolosche Vereniging: www.nev.nl | |||
| www.vlinderstichting.nl | |||
| Natuurwetgeving: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/hoofdpagina.aspx?subj=soorten&groep=4 | |||
| Huisjesslakken, slakken: http://nl.wikipedia.org/wiki/Slakken | |||
| Zoogdieren in Amsterdam: http://www.knnv.nl/amsterdam/frameWaarnemingen.htm | |||
| Zoodieren: http://www.zoogdierenwerkgroep.be/index.php?id=66 | |||
| Ringslang gouda: http://www.goudsehout.nl/nieuws/3012001.html | |||
| Vogelbescherming:www.vogelbescherming.nl | |||
|
|||