Overige legenda
OBG: soorten die worden toegepast (aangeplant of uitgezaaid) in openbaar groen.
NF: inheemse plant of uitheemse soort die minstens al enkele decennia is ingeburgerd. (let op veel zaden en planten zijn van exotische herkomst en is dan niet inheems meer)
(NF): oorsponkelijk inheems of in vorige eeuwen ingeburgerd maar thans uitgestorven of zeer zeldzaam, maar vaak wel in de handel.
 
Planttypen van kruidachtigen

Eenjarig: doorgaans soorten die in hetzelfde groeiseizoen ontkiemen, bloeien, zaad vormen en vaak voor de winter afsterven.

Tweejarig: maken het eerste jaar meestal een bladrozet waarmee ze overwinteren en bloeien pas het tweede jaar; hebben vaak een penwortel.

Vaste plant: meestal planten die in het tweede jaar na uitzaaien bloeien en zich door middel van hun wortelstokken of penwortels instandhouden en uitbreiden. Sommige vaste planten zijn kortlevend en houden het midden tussen een tweejarige en een vaste plant, andere houden het meer dan 75 jaar vol op dezelfde plek. De meeste vaste planten moeten na verloop van 5 of 10 jaar worden verplant of anders worden bijgemest.

Bol: is min of meer te zien als een vaste plant. Een bol bestaat uit verschillende lagen (rokken). Het is een soort knop die in de grond overleeft; een goed voorbeeld is een ui.

Knol: een massief, rond, onregelmatig, knolachtig gevormd ondergronds deel van de plant waarop zich ogen bevinden waaruit plantenstengels ontstaan; is het beste te vergelijken met een aardappel of een krokusknol.

Kuipplant: meestal planten die niet winterhard zijn en vaak te groot voor een grote bloempot. Het zijn planten die als kuipplant een paar meter hoog of breed kunnen worden, maar in de vrije natuur in het land van herkomst tientallen meters hoog kunnen worden. Het overgrote deel van deze planten is zeer vorstgevoelig en staan daarom in de winter binnenshuis of in een kas.
Groenblijvende planten: planten die 's winters min of meer groen blijven, bij matige vorst kunnen veel planten hun blad verliezen of bruin blad krijgen. Vooral op plaatsen waar in de winter oosten en noordoostelijke winden vrij spel hebben.
 
Planttypen van houtigen

Halfheester: houdt het midden tussen een vaste plant en een heester; de stengels sterven niet volledig af en lopen in het groeiseizoen opnieuw uit. De stengels zijn te vergelijken met jonge twijgen van heesters en zijn noch kruidachtig noch houtachtig.

Dwergheester: houtige planten die meestal niet groter worden dan ongeveer 50-60 cm. Sommige langzaam groeiende soorten worden ook wel als dwergheester verkocht, maar kunnen in een periode van 50 jaar toch nog tot twee of drie meter hoog worden.

Heester: meestal houtige planten die vanaf de grond of net boven de grond vertakt zijn en geen centraal doorlopende stam hebben.

Bomen: officiele definitie ontbreekt. In de praktijk meestal een overblijvend houtig gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm op een hoogte van 1,30 m boven het maaiveld. Bomen hebben meestal een centrale stam, maar kunnen van nature of door beheer meerstammig zijn.
Klimplant: kruid- of houtachtige planten met zeer lange slappe stengels, die opgaande structuren (heesters, bomen, muren, pergola's, etc.) gebruiken om in verticale richting te kunnen groeien.
Kuipplant: meestal planten die niet winterhard zijn en vaak te groot voor een grote bloempot. Het zijn planten die als kuipplant een paar meter hoog of breed kunnen worden, maar in de vrije natuur in het land van herkomst tientallen meters hoog kunnen worden. Het overgrote deel van deze planten is zeer vorstgevoelig en staan daarom in de winter binnenshuis of in een kas.
Groenblijvende planten: planten die 's winters min of meer groen blijven, bij matige vorst kunnen veel planten hun blad verliezen of bruin blad krijgen. Vooral op plaatsen waar in de winter oosten en noordoostelijke winden vrij spel hebben.
 

Hoogte en breedte en kleur

Wordt gewoonlijk in meters opgegeven

Houtige planten:

h: hoger dan breed

hh: duidelijk hoger dan breed

b: breder dan hoog

bb: duidelijk breder dan hoog

x: geen duidelijk verschil in hoogte en breedte.

Kruidachtige planten

breedte-hoogteverhoudingen opgegeven: bijvoorbeeld b2/3 betekent dus de breedte is 2/3 x de hoogte.

 
Kleuren: de kleuren worden globaal aangegeven. Rood is roodachtig, etc.
 

Toepassingen

TUINEN
Tuin: het gaat hier om planten, vaak wilde, die in tuinen of in een tuinachtige omgeving, zoals parken, kunnen worden toegepast. Het begrip tuinen moet ruim worden opgevat. De meeste kruiden en kleinere bomen en struiken kunnen ook in relatief kleine tuinen worden gebruikt.
Inh: hieronder worden inheemse planten genoemd die in tuinen kunnen worden toegepast
Uit: hieronder worden uitheemse planten genoemd die in tuinen kunnen worden toegepast
Tegel- en geveltuin: zeer kleine tuinen tot max. 1m breed en tot enkele meters lang, vaak niet breder dan een stoeptegel of klinker. Deze bevinden zich tegen het huis, onder het raam of naast de voordeur. De planten die hier worden genoemd kunnen op een zeer kleine open ruimte groeien. Zie Plantenvademecum.
Rotstuin: rotstuin is hier gebruikt voor stenige en vrij droge milieus; deze planten kunnen ook in tegeltuinen worden toegepast.
Heggen: het begrip heggen is hier min of meer beperkt tot losse heggen en afscheidingsgroen. Het gaat hier om heggen en afscheidingsgroen met een ecologische en esthetische functie. Voor bloembezoekende insecten functioneren ze alleen als ze volgens de opgegeven snoeicodes worden gesnoeid (zie Plantenvademecum). Verschillende soorten kunnen gemengd worden toegepast. Veel soorten kunnen ook voor scheerheggen worden gebruikt, maar zijn dan voor bloembezoekende insecten van minder of geen betekenis.
 
(WB) Wettelijk beschermde soorten: Plantensoorten die wettelijk zijn beschermd. Deze planten mogen niet worden verstoord en er mogen geen delen van worden vervoerd. Anders geformuleerd deze planten mogen niet worden uitgegraven of afgeplukt en er mogen geen zaden van worden gewonnen. In totaal zijn 104 plantensoorten wettelijk beschermd, waarvan 47 soorten in deze database zijn opgenomen.