Rode paardenkastanje - Aesculus x carnea - Paardenkastanjefamilie - Hippocastanaceae-
Drachtplant, hommelplant
Een boom
Bloeiperiode: april-mei
Bloem: roze, bloeiwijze een trosvormige opstaand pluim, bloemstelen rood, knoppen iets kleverig
Blad: tegenoverstaand en handvormig gedeeld, meestal met 5 deelblaadjes, bladrand dubbel gezaagd, nerfoksels onderkant blad duidelijk behaard, bovenkant blad donker groen
Vrucht: doosvrucht weinig en kort gestekeld (geeft weing vruchten)
hout: schors grijsgroen, twijgen gebogen
Hoogte: tot 20 m
 
 
 
Milieu en groeiplaats: vochtige tot vochthoudende, (matig)voedselrijke bodems; groeit op de meeste plaatsen, maar vermijdt extremen; de genoemde soorten groeien op zonnige plaatsen. In het algemeen zijn de soorten niet kritisch, maar zijn wel gevoelig voor bodemverdichting en iets voor wegenzout.
Herkomst: bastaard (A. hippocastanum x A. pavia).
Toepassing: parken, landgoederen, laanboom, tuinen etc.
Beheer: eventueel verjongingssnoei; de soorten hebben een sterke sapstroom in het voorjaar. In verband met bloeden direct na de bladval ,eind oktober eind november/dec-jan, snoeien.
Wilde solitaire bijen: niet waargenomen.
Dracht: nectar en rood stuifmeel. Indicatie voor dracht: code 5. (rwn 4, rwp 3)
 
Bloeiwijze
 
Fragment kruin
 
Fragment kruin
 
Vruchten (foto Wikipedia commons)
 
Een Laan in Arnhem
 
Akkerhommel